Door: Leen
Datum: 14-02-2026 | Cijfer: 9.2 | Gelezen: 391
Lengte: Lang | Leestijd: 19 minuten | Lezers Online: 7
Trefwoord(en): Dating, Valentijn, Verlangen,
Lengte: Lang | Leestijd: 19 minuten | Lezers Online: 7
Trefwoord(en): Dating, Valentijn, Verlangen,

Zoals elke dinsdagochtend zit Elise in ‘Koffie en Boon’, haar favoriete toevluchtsoord in de stad. Het is een charmante hybride tussen een antiquariaat en een koffietentje, waar de geur van versgemalen bonen zich vermengt met het muffe, zoete aroma van oud papier. Ze zit op haar vaste plekje achterin, weggedoken in een grote, okergele fluwelen fauteuil waarvan de veren zachtjes protesteren als ze gaat verzitten. Op haar schoot ligt een exemplaar van De ondraaglijke lichtheid van het bestaan. Het is de honderdste keer dat ze het leest, of in ieder geval doet alsof. Want eigenlijk leest ze niet.
Over de gerafelde rand van het boek gluurt ze behoedzaam naar tafel vier, vlak bij het raam. De tafel is leeg. Pijnlijk leeg. Een golf van teleurstelling spoelt over haar heen. Normaal gesproken zit hij daar. Ze kent zijn naam niet, maar in de veiligheid van haar eigen gedachten noemt ze hem Arthur. Hij lijkt op een Arthur. Hij heeft donker, warrig haar dat altijd net iets te lang is en nonchalant over zijn voorhoofd valt. Hij draagt grofgebreide truien in herfstkleuren – mosgroen, roestbruin, diepblauw – die eruitzien alsof ze belachelijk zacht zijn en waarschijnlijk naar cederhout ruiken. Hij komt hier nu al drie maanden, stipt elke dinsdag en donderdag om acht uur. Zijn bestelling is altijd hetzelfde: een grote zwarte koffie en een croissant, waarvan hij de kruimels achteloos van zijn tafel veegt terwijl hij werkt. En hij werkt hard. Hij schrijft, of tekent, dat kan ze van deze afstand niet goed zien. Hij doet het driftig, geconcentreerd, gebogen over een dik, leren notitieboekje dat eruitziet alsof het al een heel leven achter de rug heeft.
Elise is tot over haar oren verliefd op hem. Het is een hopeloze, stille, allesverterende verliefdheid die haar wangen doet branden zodra hij ook maar in haar richting kijkt. Ze heeft nog nooit één woord tegen hem gezegd. Geen 'hallo', geen 'mag ik de suiker?', niets. "Ga er gewoon heen," fluisterde haar vriendin Sanne vorige week nog, terwijl ze dramatisch met haar ogen rolde. "Zeg dat je zijn trui leuk vindt. Vraag of hij een schrijver is. Struikel expres over zijn voeten. Doe iets, Elise. Je bent geen personage uit de negentiende eeuw."
Maar Elise durft niet. Haar keel knijpt al dicht bij de simpele gedachte aan interactie. Wat als hij haar raar vindt? Wat als hij haar stem vervelend vindt? Of erger nog, het horrorscenario: dat hij al een vriendin heeft. Een perfecte, spontane vrouw die wél durft te praten, die luid lacht en precies weet hoe je een croissant eet zonder dat de kruimels in je sjaal belanden.
Vandaag is de sfeer in de zaak anders. Drukker. Onrustiger. De ramen zijn volledig beslagen door het temperatuurverschil tussen de behaaglijke warmte binnen en de striemende regen buiten. Condensdruppels trekken sporen door het waas op het glas. Elise slaakt een diepe zucht, markeert haar pagina (hoewel ze geen letter heeft gelezen) en stopt het boek in haar linnen tas. Het is een beige exemplaar met het logo van de koffiebar erop; de standaarduitrusting voor elke vaste klant hier.
Ze kijkt op haar horloge. Het is tijd. Als ze nu niet gaat, komt ze te laat op kantoor en zal haar baas weer vragen of "de romantiek haar heeft opgehouden", een grap die hij elk jaar maakt en die elk jaar minder grappig wordt. Ze staat op, trekt haar jas recht en loopt richting de uitgang. Ze werpt nog een laatste, bijna verwijtende blik op tafel vier, tegen beter weten in. De tafel is nog steeds akelig leeg. Weer een dinsdag voorbij zonder hem te spreken. Misschien is het een teken.
Net op het moment dat Elise de zware houten deur naar buiten duwt, besluit de wind haar een loer te draaien. Een krachtige vlaag rukt de deur uit haar hand en blaast een gordijn van ijskoud regenwater recht in haar gezicht. Ze knijpt haar ogen tot spleetjes en deinst terug. Tegelijkertijd trekt iemand anders de deur van buitenaf open — iemand die overduidelijk haast heeft om te ontsnappen aan de plotselinge zondvloed. Het is een onhandige dans van natte jassen, uitklappende paraplu's en mensen die elkaar proberen te passeren in een deuropening die daar eigenlijk te smal voor is.
BAM. De botsing is hard. Elise verliest haar evenwicht en struikelt. Haar linnen tas glijdt van haar schouder, en de tas van de persoon tegen wie ze opbotste klettert ook op de natte vloermat. Ze ziet dat het exact hetzelfde model is: de beige linnen tas met het logo van de zaak. De inhoud blijft gelukkig in de tassen zitten – boeken en papier dempen de val – maar de twee identieke exemplaren liggen nu hopeloos verstrengeld op de grond. "Oh, mijn god, sorry! Mijn schuld!" stamelt Elise, terwijl ze door haar knieën zakt. Ze voelt het bloed naar haar wangen stijgen, heter dan de koffie die ze net op heeft.
"Nee, nee, ik lette totaal niet op," antwoordt een diepe, warme stem. Een stem die resoneert in haar borstkas. Elise kijkt op, waterdruppels die van haar wimpers druipen negerend. Het is hem. Arthur. Hij staat nog geen halve meter bij haar vandaan. Hij moet net zijn komen aanrennen en de deur hebben opengegooid om te schuilen voor de bui. Zijn haar is nat en donkerder dan normaal, en er kleeft een nat blad aan de kraag van zijn jas. Hij kijkt haar aan met ogen die verrassend blauw zijn, met kleine gouden vlekjes rond de pupil.
Elise bevriest. De tijd lijkt even te vertragen, zoals in slechte films, maar dan echter. Dit is haar kans. Het universum gooit haar letterlijk tegen hem aan. Zeg iets gevats, schreeuwt haar brein. Zeg iets charmants. Citeer poëzie. "Euh... nat hè?" piept ze. Haar stem slaat over. Ze wil ter plekke door de grond zakken. Nat hè? Is dat echt het beste wat ze kon bedenken? Maar hij lacht. Geen spottende lach, maar een oprechte, scheve, jongensachtige glimlach die haar knieën doet veranderen in pudding. "Behoorlijk nat, ja. Ik was net buiten, maar ik bedacht me dat ik hier beter kan schuilen."
Ze staren elkaar een seconde te lang aan. Elise opent haar mond om iets beters te zeggen, iets over het weer, of de koffie, of zijn trui, maar het moment wordt ruw verstoord. "Mag ik er misschien even langs? Sommige mensen hebben haast!" Een ongeduldige zakenman met een enorme paraplu duwt zich nors langs hen heen. De betovering is verbroken. In de plotselinge paniek en de sociale ongemakkelijkheid grist Elise de dichtstbijzijnde beige linnen tas van de grond.
"Sorry, nogmaals sorry!" mompelt ze. Ze durft hem niet meer aan te kijken en vlucht de regen in. Ze loopt zo snel ze kan naar haar werk, dat gelukkig vlakbij is. Haar hart bonst in haar keel als een opgesloten vogel die tegen de tralies beukt. Ze staat te trillen op haar benen, en niet alleen van de kou. Ze heeft tegen hem gepraat! Nou ja, gestameld. En hij heeft gelachen. Hij heeft écht tegen haar gelachen.
Wanneer ze even later, hijgend en druipend, op kantoor aankomt, negeert ze de vragende blikken van haar collega's. Ze ploft neer op haar bureaustoel en zet de tas naast haar toetsenbord. Er klopt iets niet. De tas zakt zwaar in elkaar, met een doffe klap. Veel zwaarder dan haar eigen tas zou moeten zijn met alleen een pocketboek en een broodtrommel. Ze fronst, haar hand al op het linnen. Een koud vermoeden bekruipt haar. Ze trekt de tas open. In plaats van de vertrouwde kaft van Milan Kundera en haar bakje met salade, kijkt ze naar een dik, zwartlederen notitieboek, gebonden met een elastiek. Daarnaast ligt een etui vol potloden en fineliners, en een rolletje pepermunt.
Elise's adem stokt in haar keel. Dit is niet haar tas. Dit is zijn tas. Ze staart naar het voorwerp alsof het radioactief is. Ze weet dat ze niet mag kijken. Dat is een grove inbreuk op de privacy. Ze moet de tas nu dichtdoen, opstaan, en direct teruggaan naar de winkel. Dat is wat een net, fatsoenlijk mens zou doen. Maar haar handen luisteren niet naar haar geweten. Haar nieuwsgierigheid wint het van haar fatsoen. Met trillende vingers pakt ze het boek eruit. Het leer voelt warm en soepel aan. Ze slaat het open.
Het is geen roman, zoals ze altijd had gedacht. Er staan geen zinnen in. Het is een schetsboek. De eerste pagina's staan vol met prachtige, gedetailleerde houtskooltekeningen van de stad. Het park in de herfst, met bladeren die bijna lijken te bewegen. De oude brug over de gracht. Een slapende zwerfkat op een vensterbank. Hij is geen schrijver. Hij is een kunstenaar. En een hele goede ook. Ze bladert verder, gebiologeerd door zijn talent, tot ze abrupt stopt. Haar hart slaat een slag over en begint dan in dubbel tempo te bonzen.
Pagina 24. Het is een schets van de koffiehoek in ‘Koffie en Boon’. De compositie is perfect: de toonbank met de espressomachine, de gebogen rug van de barista... en de grote fluwelen fauteuil achterin. In de stoel zit een meisje. Ze heeft een ietwat rommelige knot op haar hoofd, een bril die iets van haar neus is gezakt, en ze houdt een boek voor haar gezicht waar ze net overheen kijkt.
Het is Elise. Er is geen twijfel mogelijk. Hij heeft de manier waarop ze haar wenkbrauwen fronst als ze over haar bril kijkt perfect vastgelegd. Hij heeft zelfs de losse draad aan haar trui getekend. Elise's handen beven nu zo erg dat het boek bijna uit haar vingers glipt. Ze bladert snel verder. Pagina 25: Elise die lacht om iets op haar telefoon, haar ogen tot spleetjes geknepen. Pagina 28: Elise die voorzichtig blaast in haar hete koffie, met een geconcentreerde frons. Pagina 30: Een close-up, heel gedetailleerd, van haar profiel. De schaduwval is zacht, bijna teder.
Onder de tekening staat in sierlijke, kleine letters geschreven: Het meisje dat nooit leest, maar altijd kijkt. En daaronder, in een iets ander handschrift, met inkt die er verser uitziet dan de tekening zelf: Durf ik het haar vandaag te vragen? Ze kijkt naar de datum die haastig naast de zin is gekrabbeld. 14 februari. Vandaag. Elise voelt zich licht in haar hoofd, alsof er zojuist alle zuurstof uit de kamer is gezogen. Hij keek niet alleen naar haar. Hij zag haar. Al die maanden dat zij hem stiekem observeerde, observeerde hij haar. Hij heeft haar vastgelegd op papier, met een aandacht die bijna aanvoelt als een liefdesverklaring.
Ze kijkt op de klok aan de muur. Ze is al laat. Haar baas loopt net langs de gang. Maar het kan haar niets meer schelen. Helemaal niets. Ze grijpt de tas, negeert de verbaasde blik van haar collega ("Ga je nu alweer weg?") en rent het kantoor uit. Ze wacht niet op de lift, maar neemt de trappen, twee treden tegelijk. Buiten striemt de regen nog steeds neer, maar ze voelt het niet eens. Ze rent. Ze rent harder dan ze ooit heeft gerend, dwars door plassen, slippend op de natte klinkers. Haar longen branden, haar haar plakt in slierten aan haar gezicht, maar ze stopt niet. Wat als hij al weg is? Wat als hij denkt dat ze een dief is en de politie belt? Wat als hij voorgoed uit haar leven is verdwenen?
Wanneer ze, volledig doorweekt en zwaar buiten adem, de deur van ‘Koffie en Boon’ weer openzwaait, slaat de warme lucht haar in het gezicht. Ze scant paniekerig de ruimte. Daar. Hij staat bij de toonbank. Hij ziet eruit alsof hij op het punt staat in te storten. Hij gebaart wild met zijn handen naar de barista, zijn haar nog wilder dan normaal. "Mijn schetsboek zit erin! Je begrijpt het niet, het is mijn portfolio, mijn hele leven, ik moet..."
"Arthur!" roept Elise. Het floept eruit voordat ze er erg in heeft. Hij draait zich om, abrupt. Bijna iedereen kijkt op – mensen met koffiekopjes halverwege hun mond – maar Elise ziet alleen hem. Hij kijkt naar haar, en zijn blik zakt direct naar de beige tas die ze krampachtig tegen haar borst klemt. De opluchting die over zijn gezicht spoelt is zo intens dat hij bijna door zijn benen zakt. Maar dan kijkt hij weer naar haar gezicht. Hij ziet de blos op haar wangen, de glinstering in haar ogen, de manier waarop ze hem aankijkt.
Langzaam verandert zijn uitdrukking van paniek naar iets anders. Iets verlegens. Iets kwetsbaars. Elise loopt naar hem toe. Het water druipt van haar jas op de vloer, maar ze voelt zich dapperder dan ooit tevoren. De adrenaline giert door haar lijf.
"Ik heet eigenlijk geen Arthur," zegt hij zacht, zodra ze voor hem staat. Zijn stem is schor. "Ik heet Lucas." Elise glimlacht. Ze houdt de tas omhoog, maar geeft hem nog niet terug. "Ik heb gekeken," zegt ze. Haar stem is vast, ondanks haar bonzende hart. "In het boek." Lucas wordt dieprood. De blos kruipt vanuit zijn nek omhoog tot aan zijn haarlijn. Hij wrijft nerveus met zijn hand in zijn nek. "Oh god. Dat... dat is gênant. Ik bedoel, ik wilde niet als een stalker overkomen, ik..."
"Nee," onderbreekt Elise hem. Ze zet een stap dichterbij, zijn persoonlijke ruimte in. "Het was prachtig. Echt prachtig." Ze kijkt hem recht in zijn blauwe ogen aan. De angst die haar maandenlang in die fauteuil hield, is weg. Het toeval heeft haar niet alleen een zetje gegeven; het heeft haar gelanceerd. Nu moet ze zelf landen. "Het antwoord op de vraag op pagina 30," zegt Elise zacht, fluisterend bijna, zodat alleen hij het kan horen tussen het gerinkel van servies. "Is ja." Lucas kijkt haar verbaasd aan, zijn mond een klein beetje open. "Ja?"
"Ja," knikt Elise. "Je mag het me vragen. Wat je ook van plan was te vragen." Een seconde is het stil. Dan breekt er een langzame, brede glimlach door op zijn gezicht, eentje die zijn ogen laat stralen. De spanning valt van zijn schouders. "Oké," zegt hij. Hij haalt diep adem. "Zullen we... misschien samen koffie drinken? Nu? Aan één tafel, in plaats van aan twee aparte waar we de hele tijd naar elkaar zitten te gluren?"
"Dat lijkt me heel leuk," zegt Elise. Ze overhandigt hem zijn tas, en hun vingers raken elkaar even aan. Een kleine schok, heter dan de koffie. "Ik trakteer," zegt Lucas snel. "Als goedmakertje voor de botsing."
"Afgesproken," lacht Elise. Buiten klettert de regen nog steeds genadeloos tegen de ruiten en de goedkope papieren Valentijnsversiering boven de toonbank hangt een beetje scheef, maar terwijl Elise naast hem aan de toonbank gaat staan, weet ze het zeker: dit is plotseling, en onverwacht, de mooiste dag van het jaar.
- - -
Dit verhaal ontstond in de vertrouwde stilte van mijn eigen woonkamer, op mijn vaste plekje voor het raam. Terwijl de kachel een behaaglijke warmte door de kamer verspreidde en de regen buiten onophoudelijk tegen de ruiten waaide, overviel me een zachte weemoed. Ik vraag me af of jullie die melancholie tussen de regels door ook voelden. Ik moet jullie namelijk iets opbiechten: tijdens het schrijven van dit verhaal liet ik oprecht een traan. Misschien ben ik hopeloos romantisch, of misschien ben ik simpelweg een emotioneel kreng als de liefde in het spel is.
Hoe dan ook blijft de "onuitgesproken liefde" een van mijn absolute lievelingsthema's. Er schuilt een prachtige herkenbaarheid in die pure kwetsbaarheid. We kennen immers allemaal wel dat gevoel. Het is de heimelijke blik naar die vreemdeling in de trein, of de stille bewondering voor die vaste klant in je favoriete boekenwinkel — iemand naar wie je uren zou kunnen kijken, maar wiens blik je ontwijkt omdat een simpele 'hallo' te groot voelt. Zo vaak weegt de angst om de illusie te verbreken zwaarder dan de moed om de sprong te wagen. Ik hoop uit de grond van mijn hart dat de ontroering die ik voelde, ook vanaf deze pagina's tot leven komt. Dit verhaal is geschreven als een ode aan het onverwachte toeval, en aan dat ene, flitsende moment van moed dat we soms nodig hebben om ons eigen geluk te grijpen.
Schenk jezelf een grote, dampende kop koffie of thee in, breek een heerlijk verse croissant doormidden en nestel je zo diep mogelijk in je favoriete fauteuil. Ik wens jullie allemaal een wondermooie en liefdevolle Valentijnsdag. Of je die nu deelt met de liefde van je leven, omringd door je beste vrienden, of in het knusse gezelschap van een ietwat arrogante kat. Veel leesplezier!
Geef dit verhaal een cijfer:
5
6
7
8
9
10

Ontdek meer over mij op mijn profiel pagina, bekijk mijn verhalen, laat een berichtje achter of schrijf je in om een mail te ontvangen bij nieuwe verhalen!
