Door: Leen
Datum: 22-02-2026 | Cijfer: 9.9 | Gelezen: 259
Lengte: Lang | Leestijd: 19 minuten | Lezers Online: 9
Trefwoord(en): Ardennen, Beffen, Verlangen, Vreemdgaan,
Lengte: Lang | Leestijd: 19 minuten | Lezers Online: 9
Trefwoord(en): Ardennen, Beffen, Verlangen, Vreemdgaan,
Vervolg op: Weekend In De Ardennen - 11: Leen
Annelies
De hitte in de woonkamer wordt Annelies ineens te veel. Het is een verstikkende mix van de open haard die op volle toeren draait, het teveel aan rode wijn en de lichamelijke warmte van de dansende mensen. Ze kijkt naar David, die nog steeds met Sandra staat te springen op de tonen van ‘Don't You Want Me’. Hij ziet er gelukkig uit, zijn overhemd plakt tegen zijn rug, zijn ogen glinsteren. Hij heeft haar niet nodig op dit moment. Hij heeft zijn ritme gevonden. Kristof en Leen zitten op de bank, verstrengeld in een kluwen van ledematen. Ze fluisteren lieve woordjes tegen elkaar. Pieter ligt nog steeds te snurken in de hoek.
Annelies voelt zich plotseling eenzaam in de drukte. Ze heeft frisse lucht nodig. Even weg van de bas, weg van de bezwete lijven, weg van de intensiteit die deze vriendengroep als een jas om zich heen draagt. Ze glipt naar de gang. De koelte daar is al een verademing. Ze pakt haar sjaal van de kapstok – haar jas vindt ze te veel gedoe – en slaat hem om haar schouders. Zachtjes duwt ze de zware voordeur open en stapt de Ardense nacht in.
De stilte buiten is overweldigend. De mist is teruggekeerd, dikker nu, en dempt de muziek van binnen tot een dof, onbestemd gebonk. De kou bijt direct in haar wangen, maar het voelt schoon. Zuiver. Ze loopt een paar stappen het grindpad op, haar armen om zichzelf heen geslagen, en kijkt omhoog naar de paar sterren die door de nevel heen proberen te prikken. Ze ademt diep in, de vrieslucht voelt scherp in haar longen.
Dan hoort ze het. Het is een geluid dat ze herkent, maar dat hier, in de kille duisternis van de oprit, totaal misplaatst klinkt. Een gesmoorde kreet. Gevolgd door het geluid van ritselende stof en een zwaar, onregelmatig gehijg. Annelies verstijft. Haar hart slaat een slag over. Haar blik schiet naar de parkeerplaats, naar de auto's. Het geluid kwam van achter de zware SUV van Els. "Niet doen," denkt ze bij zichzelf. De alarmbellen in haar hoofd gaan af. “Ga naar binnen. Draai je om en ga naar David.”
Maar haar voeten luisteren niet. Een perverse nieuwsgierigheid, gemengd met een onbestemd gevoel van onheil, trekt haar vooruit. Ze sluipt over de smalle strook gras naast de oprit, zodat haar voetstappen op het grind haar niet verraden. Ze komt dichterbij. De geluiden worden specifieker, menselijker en daardoor des te verontrustender. Ze hoort het kletsen van huid op huid, het wanhopige, stokkende ademhalen van iemand die in ademnood is of... iets anders. "Doe het," hoort ze een vrouwenstem sissen. De klank is kil, dwingend, verstoken van enige warmte. "Nu."
Annelies houdt haar adem in en zet die laatste stap. Ze rondt de hoek van de glanzende bumper. Op dat exacte moment springt de automatische buitenlamp met bewegingssensor aan. Het erf wordt met een harde klik overspoeld door een verblindend, wit LED-licht. De schaduwen worden weggeslagen, de mist licht op als een rookgordijn, en het tafereel wordt genadeloos blootgelegd. Het beeld dat zich voor Annelies' ogen ontvouwt, brandt zich onmiddellijk op haar netvlies. Het is zo grotesk, zo totaal onverwacht in zijn banaliteit en rauwheid, dat haar hersenen een fractie van een seconde weigeren te registeren wat ze ziet. Het lijkt een waanbeeld, een nachtmerrie.
Els staat tegen de zijkant van haar auto geleund, met haar rug tegen het koude metaal van het achterportier. Haar kleding, normaal altijd zo onberispelijk, is een puinhoop. Haar strakke kokerrok is ruw omhooggeschoven tot op haar heupen, verfrommeld en gedraaid. Haar dure winterjas hangt open, de flappen als vleugels langs haar lichaam. Haar hoofd rust tegen het koude glas van het autoraam. Haar ogen zijn stijf dichtgeknepen, haar mond wijd open in een grimas van rauwe, ongefilterde extase. Haar handen, met de perfect gemanicuurde nagels, klauwen krampachtig in de schouders van Dirk. Ze dwingen en sturen hem, alsof ze hem de grond in wil duwen.
En voor haar, op zijn knieën in het koude, scherpe grind dat door zijn broekspijpen heen moet snijden, zit Dirk. De brave, saaie Dirk. De man die nooit opvalt. Nu valt hij op. Hij zit geknield tussen haar gespreide benen, als een devoot dienaar voor een wreed altaar. Zijn handen klemmen zich vast aan haar dijen, zijn knokkels zien wit van de inspanning. Zijn hoofd is begraven in haar kruis. Zijn bril, dat symbool van zijn bedachtzaamheid, ligt scheef en beslagen op de grond naast hem als een stille getuige van zijn verloren waardigheid. Bij het felle aanfloepen van het licht schiet Dirk achteruit alsof hij fysiek is geslagen. Hij verliest zijn evenwicht en valt op zijn zij in het grind. Hij krabbelt op handen en voeten weg, struikelend als een aangeschoten dier, hijgend, met een sliert speeksel aan zijn kin. Zijn gezicht is lijkbleek en verwrongen tot een masker van pure, onversneden doodsangst. Hij kijkt naar Annelies en knippert tegen het licht. Zonder bril zien zijn ogen er groot en hulpeloos uit. "Nee," piept hij met overslaande stem. "Nee, nee, nee..." Het is het geluid van een man wiens leven in één seconde instort.
Els reageert anders. Totaal anders. Ze schrikt niet. Ze krimpt niet ineen. Ze probeert zich niet te bedekken. Langzaam, tergend langzaam, opent ze haar ogen. Ze kijkt omlaag naar Dirk, die in het grind ligt te trillen als een hoopje ellende. Er is geen medelijden in haar blik, alleen een vage irritatie over de onderbreking. Dan, heel traag, draait ze haar hoofd naar Annelies. Er is geen schaamte. Geen blos op haar wangen. Alleen een ijskoude, dodelijke woede omdat haar moment is gestolen. Met een rustige, bijna elegante beweging trekt ze haar rok naar beneden en strijkt de stof glad over haar heupen. Ze veegt een lok haar uit haar gezicht, alsof ze net klaar is met een zakelijke bespreking in plaats van een seksuele daad op een oprit.
Annelies staat als aan de grond genageld. De kou dringt niet meer tot haar door; ze is verdoofd door de schok. Ze wil gillen, ze wil wegrennen, ze wil overgeven, maar ze kan alleen maar staren. "Annelies," zegt Els. Haar stem is niet luid. Ze fluistert bijna. Maar de klank is zo kalm, zo volkomen beheerst, dat het angstaanjagender is dan welk geschreeuw dan ook. Annelies doet een stap achteruit, haar laars schuurt over het grind. "Ik..." Haar stem slaat over, stokt in haar keel. "Ik... wat..."
Dirk begint te jammeren. Het is een zielig, jankend geluid. "Zeg het niet tegen Sandra," smeekt hij. Hij kruipt in de richting van Annelies, zijn handen smekend uitgestoken alsof hij haar wil vastgrijpen. "Alsjeblieft, zeg het niet. Ze dwong me. Els dwong me!"
"Hou je bek, Dirk!" snauwt Els, en ze geeft hem een minachtende trap tegen zijn schouder, hard genoeg om hem weer om te laten vallen. Ze stapt om hem heen alsof hij vuilnis is en loopt op Annelies af. Annelies deinst verder terug, struikelt over een pol gras, tot ze met haar rug tegen de ruwe stam van een dennenboom staat. Ze kan geen kant meer op. Els komt tot stilstand, vlak voor haar. Ze is groter, breder, angstaanjagender. In het harde, onverbiddelijke licht van de buitenlamp ziet ze eruit als een wraakgodin die uit de hel is opgerezen. "Je hebt niks gezien," fluistert Els.
Annelies schudt haar hoofd, tranen van pure schok branden in haar ogen. "Ik heb alles gezien. Jullie zijn... jullie zijn walgelijk." Els lacht. Het is een kort, droog, humorloos geluid. "Walgelijk? Dit is de realiteit, meisje. Dit is wat er gebeurt als je niet krijgt wat je wilt. Dan neem je wat er overblijft." Ze leunt naar voor, haar gezicht centimeters van dat van Annelies. "En jij gaat je mond houden. Want als jij dit vertelt, vertel ik David dat jij de hele dag met Pieter hebt staan flirten. Dat je hem uitnodigde met je ogen. Pieter zal het bevestigen. Hij zal zweren dat jij hem verleidde."
"Dat is niet waar!" snikt Annelies. "David gelooft je nooit! Hij weet wie ik ben!" "O nee?" Els trekt één perfect geëpileerde wenkbrauw op. "David is een man. En mannen zijn onzeker, Annelies. Een klein zaadje van twijfel... meer heb ik niet nodig om jouw perfecte, kleine, naïeve huwelijkje te vergiftigen. Ik plant het, en ik kijk hoe het groeit."
Ze doet een stap terug en wijst met een dwingende vinger naar de deur van het huis, waar de muziek nog steeds vrolijk en onwetend doorheen bonkt. "Ga naar binnen," beveelt ze. "Ga naar je man. En vergeet dit. Voor je eigen bestwil." Annelies kijkt naar Els, naar de harde, onverzettelijke lijnen van haar gezicht, en dan naar Dirk, die nog steeds in het grind ligt te snikken en zijn bril zoekt. Ze voelt een golf van pure walging, maar ook van diepe, instinctieve angst. Ze realiseert zich dat ze in een slangenkuil is beland waar ze de regels niet van kent en de wapens niet voor heeft.
Zonder nog een woord te zeggen, draait ze zich om en rent. Ze rent terug naar de deur, weg van de kou, weg van de duisternis, weg van de monsters die zich vermommen als vrienden. Wanneer ze de woonkamer weer binnenstormt, trillend en buiten adem, kijkt David op. Hij staat net lachend een glas water te drinken, het zweet parelt op zijn voorhoofd van het dansen. "Hé schat," zegt hij vrolijk. "Daar ben je. Was het koud?"
Annelies kijkt hem aan. Ze kijkt naar Sandra die danst. Naar Kristof en Leen op de bank. Het tafereel is zo pijnlijk normaal, zo onwetend. Ze slikt de waarheid weg. "Ja," zegt ze, en ze kruipt diep in Davids armen. Ze verbergt haar gezicht in zijn borst en zoekt naar de hartslag van de enige man die nog echt is. "Heel erg koud." De warmte van Davids lichaam biedt echter geen troost meer. Het voelt verstikkend. Elke keer als hij lacht om een grap van Sandra, voelt Annelies een steek van schuld en angst. ‘Als hij eens wist’.
De woorden van Els spoken door haar hoofd als een mantra: ‘Een klein zaadje van twijfel... meer heb ik niet nodig.’ Annelies kijkt de kamer rond. De sfeer is nog steeds uitgelaten. Kristof staat bij de stereo een nieuw nummer te kiezen, Dirk en Els zijn nog altijd buiten. De paniek borrelt op in Annelies' keel als maagzuur. Ze kan hier niet blijven zitten. Ze moet het kwijt. Ze moet dit gif uitspugen voordat het haar van binnenuit opvreet. Tegen wie? David is te onschuldig, te goedgelovig. Hij zou meteen opspringen, Els confronteren, en dan zou de hel losbarsten.
Haar blik landt op Leen. Leen zit op de leuning van de bank, nippend van haar wijn. Ze kijkt naar Kristof met die bekende, dromerige blik. Annelies ziet ook iets anders in haar ogen. Een soort waakzaamheid. Leen kent de schaduwkanten. Leen weet dat de wereld vol wolven zit. Ze had het erover tijdens de wandeling. ‘Zij is de enige die het zal begrijpen,’ denkt Annelies. ‘Zij is de enige die weet hoe je met monsters omgaat.’
"Ik moet even naar het toilet," fluistert ze tegen David. Ze maakt zich los uit zijn omhelzing. Hij kust haar afwezig op haar wang. "Is goed, schatje." Annelies staat op. Haar benen voelen als lood. Ze loopt niet naar de gang, maar naar Leen. Ze tikt zachtjes op haar schouder. Leen draait zich om, haar glimlach is zacht en een beetje wazig van de wijn. "Hé, Annelies. Alles oké?" "Leen," zegt Annelies. Haar stem trilt zo erg dat ze bang is dat de woorden uit elkaar vallen. "Kan ik je even spreken? Nu? Het is... belangrijk."
De glimlach verdwijnt van Leens gezicht. De wazigheid trekt op. Ze ziet de bleke huid van Annelies, de pupillen die groot zijn van angst. Ze zet haar glas neer op het bijzettafeltje. "Natuurlijk," zegt ze direct. Ze kijkt even naar Kristof, die druk bezig is met het zoeken naar een nummer van Queen, en staat dan op. "Kom mee naar de kleedruimtes bij het zwembad. Daar is niemand, daar is het rustig." Ze lopen de gang in, voorbij de deur van het toilet en de bijkeuken, naar het gedeelte van de wellness. Zodra ze de deur door zijn, verandert de akoestiek. De muziek wordt gedempt, de lucht is hier warmer en ruikt licht naar chloor en eucalyptus. Leen doet de deur van de voorste kleedruimte dicht en leunt ertegenaan. De stilte valt als een zware deken om hen heen.
"Wat is er?" vraagt Leen. Ze pakt Annelies bij haar bovenarmen en kijkt haar indringend aan. "Heeft Pieter iets gedaan? Heeft hij je aangeraakt?" Annelies schudt heftig haar hoofd. "Nee, nee, niet Pieter. Het is... ik was net buiten. Ik wilde even frisse lucht." Ze begint te huilen. De tranen komen plotseling en onstuitbaar. "Rustig maar," sust Leen. "Ademhalen. Vertel het me." "Ik hoorde geluiden," snikt Annelies. "Achter de auto's. Ik ging kijken. En ik zag..." Ze slikt, de beelden flitsen weer voorbij. Het felle licht. De knieën in het grind. "Ik zag Els. En Dirk." Leen verstijft. Haar vingers knijpen iets harder in Annelies' armen. "Els en Dirk? Wat deden ze?"
"Ze... ze deden het," fluistert Annelies. "Of... nee, dat was het niet. Els dwong hem. Dirk zat op zijn knieën. Hij was bang, Leen. Hij huilde bijna. En Els... ze stond daar als een soort... beest." Leen laat haar los. Ze doet een stap achteruit en zakt op het houten bankje dat langs de muur staat, alsof haar benen het gewicht van het nieuws niet kunnen dragen. Haar hand gaat naar haar mond. "Dirk?" herhaalt ze zacht. "Dirk met Els?"
"Ze heeft me gezien," gaat Annelies verder, de woorden stromen er nu uit als een waterval. "Het licht sprong aan. Ze schrok niet eens. Ze was zo koud. Ze bedreigde me, Leen. Ze zei dat als ik iets zou vertellen, ze David zou wijsmaken dat ik met Pieter heb geflirt. Dat ze mijn huwelijk kapot zou maken." Annelies grijpt Leens hand. "Ik ben bang. Ze keek me aan alsof ze me kon vermoorden. En ze zijn nog steeds buiten." Er valt een stilte in de betegelde ruimte, alleen onderbroken door het zachte zoemen van de ventilatie. Annelies kijkt naar Leen, op zoek naar houvast.
Leen wordt stil. De kleur trekt langzaam uit haar gezicht en maakt plaats voor een diepe, trieste gelatenheid. Ze kijkt naar haar handen in haar schoot. Zonder de brede schouders van Kristof om achter te schuilen, krimpt ze. De boze buitenwereld heeft een barst in haar bubbel geslagen. Ze wil verdwijnen. "O god," fluistert Leen. "Ze is gek geworden. Ze is echt gek geworden."
"We moeten iets doen," zegt Annelies dringend. "We moeten het tegen Sandra zeggen. Of tegen David." "Nee!" Leen springt op van het bankje, haar ogen wijd van paniek. "Nee, niet Sandra. Ben je gek? Sandra vilt Dirk levend. Die maakt hem af waar we bij staan. Dat overleeft hun huwelijk nooit." Ze begint te ijsberen in de kleine ruimte. "We moeten eerst weten wat er precies aan de hand is met Dirk. Hoe is hij in die val getrapt? Wat heeft hem bezield om daarin mee te gaan? Dirk is zwak, maar dit gaat wel heel ver. We moeten begrijpen welk spel Els speelt voor we hem aanpakken. De prioriteit is Els. Zij moet gestopt worden."
"En ik... ik kan dit niet, Annelies," vervolgt ze wanhopig. "Ik kan niet tegen Els op. Ze walst over me heen. Ze weet precies hoe ze me pijn moet doen. Als ik naar buiten ga, lacht ze me uit. Of erger." Annelies voelt de moed in haar schoenen zinken. Ze had gehoopt op een krachtige medestander, iemand die haar kon vertellen dat het goed kwam, maar ze ziet nu dat Leen net zo bang en kwetsbaar is als zijzelf.
Dan stopt Leen met ijsberen. Ze kijkt naar de deur, en dan naar Annelies. Er komt een nieuwe vastberadenheid in haar blik. Het is de zekerheid van iemand die weet waar de noodknop zit. "Kristof," zegt ze.
"Kristof?" "We moeten Kristof halen," zegt Leen stellig. "Hij is de enige die Els aankan. Hij is de enige waar ze bang voor is, of waar ze in ieder geval ontzag voor heeft. Hij moet ze uit elkaar halen zonder dat Sandra het merkt." Ze pakt Annelies' hand vast. Haar handpalm is klam, maar haar greep is stevig. "Blijf hier," zegt Leen. "Of nee, ga terug naar de woonkamer en ga naast David zitten. Zorg dat Sandra niet naar buiten gaat. Leid haar af. Doe alsof je dronken bent, dans op tafel, maakt niet uit."
"En jij dan?"
"Ik ga met Kristof praten," zegt Leen, en ze haalt diep adem. "Hij weet vast wel wat we moeten doen."
- - -
Meer weten? Abonneer je dan op de nieuwsbrief door mij een email te sturen. Mijn emailadres vind je op mijn profielpagina.
Annelies voelt zich plotseling eenzaam in de drukte. Ze heeft frisse lucht nodig. Even weg van de bas, weg van de bezwete lijven, weg van de intensiteit die deze vriendengroep als een jas om zich heen draagt. Ze glipt naar de gang. De koelte daar is al een verademing. Ze pakt haar sjaal van de kapstok – haar jas vindt ze te veel gedoe – en slaat hem om haar schouders. Zachtjes duwt ze de zware voordeur open en stapt de Ardense nacht in.
De stilte buiten is overweldigend. De mist is teruggekeerd, dikker nu, en dempt de muziek van binnen tot een dof, onbestemd gebonk. De kou bijt direct in haar wangen, maar het voelt schoon. Zuiver. Ze loopt een paar stappen het grindpad op, haar armen om zichzelf heen geslagen, en kijkt omhoog naar de paar sterren die door de nevel heen proberen te prikken. Ze ademt diep in, de vrieslucht voelt scherp in haar longen.
Dan hoort ze het. Het is een geluid dat ze herkent, maar dat hier, in de kille duisternis van de oprit, totaal misplaatst klinkt. Een gesmoorde kreet. Gevolgd door het geluid van ritselende stof en een zwaar, onregelmatig gehijg. Annelies verstijft. Haar hart slaat een slag over. Haar blik schiet naar de parkeerplaats, naar de auto's. Het geluid kwam van achter de zware SUV van Els. "Niet doen," denkt ze bij zichzelf. De alarmbellen in haar hoofd gaan af. “Ga naar binnen. Draai je om en ga naar David.”
Maar haar voeten luisteren niet. Een perverse nieuwsgierigheid, gemengd met een onbestemd gevoel van onheil, trekt haar vooruit. Ze sluipt over de smalle strook gras naast de oprit, zodat haar voetstappen op het grind haar niet verraden. Ze komt dichterbij. De geluiden worden specifieker, menselijker en daardoor des te verontrustender. Ze hoort het kletsen van huid op huid, het wanhopige, stokkende ademhalen van iemand die in ademnood is of... iets anders. "Doe het," hoort ze een vrouwenstem sissen. De klank is kil, dwingend, verstoken van enige warmte. "Nu."
Annelies houdt haar adem in en zet die laatste stap. Ze rondt de hoek van de glanzende bumper. Op dat exacte moment springt de automatische buitenlamp met bewegingssensor aan. Het erf wordt met een harde klik overspoeld door een verblindend, wit LED-licht. De schaduwen worden weggeslagen, de mist licht op als een rookgordijn, en het tafereel wordt genadeloos blootgelegd. Het beeld dat zich voor Annelies' ogen ontvouwt, brandt zich onmiddellijk op haar netvlies. Het is zo grotesk, zo totaal onverwacht in zijn banaliteit en rauwheid, dat haar hersenen een fractie van een seconde weigeren te registeren wat ze ziet. Het lijkt een waanbeeld, een nachtmerrie.
Els staat tegen de zijkant van haar auto geleund, met haar rug tegen het koude metaal van het achterportier. Haar kleding, normaal altijd zo onberispelijk, is een puinhoop. Haar strakke kokerrok is ruw omhooggeschoven tot op haar heupen, verfrommeld en gedraaid. Haar dure winterjas hangt open, de flappen als vleugels langs haar lichaam. Haar hoofd rust tegen het koude glas van het autoraam. Haar ogen zijn stijf dichtgeknepen, haar mond wijd open in een grimas van rauwe, ongefilterde extase. Haar handen, met de perfect gemanicuurde nagels, klauwen krampachtig in de schouders van Dirk. Ze dwingen en sturen hem, alsof ze hem de grond in wil duwen.
En voor haar, op zijn knieën in het koude, scherpe grind dat door zijn broekspijpen heen moet snijden, zit Dirk. De brave, saaie Dirk. De man die nooit opvalt. Nu valt hij op. Hij zit geknield tussen haar gespreide benen, als een devoot dienaar voor een wreed altaar. Zijn handen klemmen zich vast aan haar dijen, zijn knokkels zien wit van de inspanning. Zijn hoofd is begraven in haar kruis. Zijn bril, dat symbool van zijn bedachtzaamheid, ligt scheef en beslagen op de grond naast hem als een stille getuige van zijn verloren waardigheid. Bij het felle aanfloepen van het licht schiet Dirk achteruit alsof hij fysiek is geslagen. Hij verliest zijn evenwicht en valt op zijn zij in het grind. Hij krabbelt op handen en voeten weg, struikelend als een aangeschoten dier, hijgend, met een sliert speeksel aan zijn kin. Zijn gezicht is lijkbleek en verwrongen tot een masker van pure, onversneden doodsangst. Hij kijkt naar Annelies en knippert tegen het licht. Zonder bril zien zijn ogen er groot en hulpeloos uit. "Nee," piept hij met overslaande stem. "Nee, nee, nee..." Het is het geluid van een man wiens leven in één seconde instort.
Els reageert anders. Totaal anders. Ze schrikt niet. Ze krimpt niet ineen. Ze probeert zich niet te bedekken. Langzaam, tergend langzaam, opent ze haar ogen. Ze kijkt omlaag naar Dirk, die in het grind ligt te trillen als een hoopje ellende. Er is geen medelijden in haar blik, alleen een vage irritatie over de onderbreking. Dan, heel traag, draait ze haar hoofd naar Annelies. Er is geen schaamte. Geen blos op haar wangen. Alleen een ijskoude, dodelijke woede omdat haar moment is gestolen. Met een rustige, bijna elegante beweging trekt ze haar rok naar beneden en strijkt de stof glad over haar heupen. Ze veegt een lok haar uit haar gezicht, alsof ze net klaar is met een zakelijke bespreking in plaats van een seksuele daad op een oprit.
Annelies staat als aan de grond genageld. De kou dringt niet meer tot haar door; ze is verdoofd door de schok. Ze wil gillen, ze wil wegrennen, ze wil overgeven, maar ze kan alleen maar staren. "Annelies," zegt Els. Haar stem is niet luid. Ze fluistert bijna. Maar de klank is zo kalm, zo volkomen beheerst, dat het angstaanjagender is dan welk geschreeuw dan ook. Annelies doet een stap achteruit, haar laars schuurt over het grind. "Ik..." Haar stem slaat over, stokt in haar keel. "Ik... wat..."
Dirk begint te jammeren. Het is een zielig, jankend geluid. "Zeg het niet tegen Sandra," smeekt hij. Hij kruipt in de richting van Annelies, zijn handen smekend uitgestoken alsof hij haar wil vastgrijpen. "Alsjeblieft, zeg het niet. Ze dwong me. Els dwong me!"
"Hou je bek, Dirk!" snauwt Els, en ze geeft hem een minachtende trap tegen zijn schouder, hard genoeg om hem weer om te laten vallen. Ze stapt om hem heen alsof hij vuilnis is en loopt op Annelies af. Annelies deinst verder terug, struikelt over een pol gras, tot ze met haar rug tegen de ruwe stam van een dennenboom staat. Ze kan geen kant meer op. Els komt tot stilstand, vlak voor haar. Ze is groter, breder, angstaanjagender. In het harde, onverbiddelijke licht van de buitenlamp ziet ze eruit als een wraakgodin die uit de hel is opgerezen. "Je hebt niks gezien," fluistert Els.
Annelies schudt haar hoofd, tranen van pure schok branden in haar ogen. "Ik heb alles gezien. Jullie zijn... jullie zijn walgelijk." Els lacht. Het is een kort, droog, humorloos geluid. "Walgelijk? Dit is de realiteit, meisje. Dit is wat er gebeurt als je niet krijgt wat je wilt. Dan neem je wat er overblijft." Ze leunt naar voor, haar gezicht centimeters van dat van Annelies. "En jij gaat je mond houden. Want als jij dit vertelt, vertel ik David dat jij de hele dag met Pieter hebt staan flirten. Dat je hem uitnodigde met je ogen. Pieter zal het bevestigen. Hij zal zweren dat jij hem verleidde."
"Dat is niet waar!" snikt Annelies. "David gelooft je nooit! Hij weet wie ik ben!" "O nee?" Els trekt één perfect geëpileerde wenkbrauw op. "David is een man. En mannen zijn onzeker, Annelies. Een klein zaadje van twijfel... meer heb ik niet nodig om jouw perfecte, kleine, naïeve huwelijkje te vergiftigen. Ik plant het, en ik kijk hoe het groeit."
Ze doet een stap terug en wijst met een dwingende vinger naar de deur van het huis, waar de muziek nog steeds vrolijk en onwetend doorheen bonkt. "Ga naar binnen," beveelt ze. "Ga naar je man. En vergeet dit. Voor je eigen bestwil." Annelies kijkt naar Els, naar de harde, onverzettelijke lijnen van haar gezicht, en dan naar Dirk, die nog steeds in het grind ligt te snikken en zijn bril zoekt. Ze voelt een golf van pure walging, maar ook van diepe, instinctieve angst. Ze realiseert zich dat ze in een slangenkuil is beland waar ze de regels niet van kent en de wapens niet voor heeft.
Zonder nog een woord te zeggen, draait ze zich om en rent. Ze rent terug naar de deur, weg van de kou, weg van de duisternis, weg van de monsters die zich vermommen als vrienden. Wanneer ze de woonkamer weer binnenstormt, trillend en buiten adem, kijkt David op. Hij staat net lachend een glas water te drinken, het zweet parelt op zijn voorhoofd van het dansen. "Hé schat," zegt hij vrolijk. "Daar ben je. Was het koud?"
Annelies kijkt hem aan. Ze kijkt naar Sandra die danst. Naar Kristof en Leen op de bank. Het tafereel is zo pijnlijk normaal, zo onwetend. Ze slikt de waarheid weg. "Ja," zegt ze, en ze kruipt diep in Davids armen. Ze verbergt haar gezicht in zijn borst en zoekt naar de hartslag van de enige man die nog echt is. "Heel erg koud." De warmte van Davids lichaam biedt echter geen troost meer. Het voelt verstikkend. Elke keer als hij lacht om een grap van Sandra, voelt Annelies een steek van schuld en angst. ‘Als hij eens wist’.
De woorden van Els spoken door haar hoofd als een mantra: ‘Een klein zaadje van twijfel... meer heb ik niet nodig.’ Annelies kijkt de kamer rond. De sfeer is nog steeds uitgelaten. Kristof staat bij de stereo een nieuw nummer te kiezen, Dirk en Els zijn nog altijd buiten. De paniek borrelt op in Annelies' keel als maagzuur. Ze kan hier niet blijven zitten. Ze moet het kwijt. Ze moet dit gif uitspugen voordat het haar van binnenuit opvreet. Tegen wie? David is te onschuldig, te goedgelovig. Hij zou meteen opspringen, Els confronteren, en dan zou de hel losbarsten.
Haar blik landt op Leen. Leen zit op de leuning van de bank, nippend van haar wijn. Ze kijkt naar Kristof met die bekende, dromerige blik. Annelies ziet ook iets anders in haar ogen. Een soort waakzaamheid. Leen kent de schaduwkanten. Leen weet dat de wereld vol wolven zit. Ze had het erover tijdens de wandeling. ‘Zij is de enige die het zal begrijpen,’ denkt Annelies. ‘Zij is de enige die weet hoe je met monsters omgaat.’
"Ik moet even naar het toilet," fluistert ze tegen David. Ze maakt zich los uit zijn omhelzing. Hij kust haar afwezig op haar wang. "Is goed, schatje." Annelies staat op. Haar benen voelen als lood. Ze loopt niet naar de gang, maar naar Leen. Ze tikt zachtjes op haar schouder. Leen draait zich om, haar glimlach is zacht en een beetje wazig van de wijn. "Hé, Annelies. Alles oké?" "Leen," zegt Annelies. Haar stem trilt zo erg dat ze bang is dat de woorden uit elkaar vallen. "Kan ik je even spreken? Nu? Het is... belangrijk."
De glimlach verdwijnt van Leens gezicht. De wazigheid trekt op. Ze ziet de bleke huid van Annelies, de pupillen die groot zijn van angst. Ze zet haar glas neer op het bijzettafeltje. "Natuurlijk," zegt ze direct. Ze kijkt even naar Kristof, die druk bezig is met het zoeken naar een nummer van Queen, en staat dan op. "Kom mee naar de kleedruimtes bij het zwembad. Daar is niemand, daar is het rustig." Ze lopen de gang in, voorbij de deur van het toilet en de bijkeuken, naar het gedeelte van de wellness. Zodra ze de deur door zijn, verandert de akoestiek. De muziek wordt gedempt, de lucht is hier warmer en ruikt licht naar chloor en eucalyptus. Leen doet de deur van de voorste kleedruimte dicht en leunt ertegenaan. De stilte valt als een zware deken om hen heen.
"Wat is er?" vraagt Leen. Ze pakt Annelies bij haar bovenarmen en kijkt haar indringend aan. "Heeft Pieter iets gedaan? Heeft hij je aangeraakt?" Annelies schudt heftig haar hoofd. "Nee, nee, niet Pieter. Het is... ik was net buiten. Ik wilde even frisse lucht." Ze begint te huilen. De tranen komen plotseling en onstuitbaar. "Rustig maar," sust Leen. "Ademhalen. Vertel het me." "Ik hoorde geluiden," snikt Annelies. "Achter de auto's. Ik ging kijken. En ik zag..." Ze slikt, de beelden flitsen weer voorbij. Het felle licht. De knieën in het grind. "Ik zag Els. En Dirk." Leen verstijft. Haar vingers knijpen iets harder in Annelies' armen. "Els en Dirk? Wat deden ze?"
"Ze... ze deden het," fluistert Annelies. "Of... nee, dat was het niet. Els dwong hem. Dirk zat op zijn knieën. Hij was bang, Leen. Hij huilde bijna. En Els... ze stond daar als een soort... beest." Leen laat haar los. Ze doet een stap achteruit en zakt op het houten bankje dat langs de muur staat, alsof haar benen het gewicht van het nieuws niet kunnen dragen. Haar hand gaat naar haar mond. "Dirk?" herhaalt ze zacht. "Dirk met Els?"
"Ze heeft me gezien," gaat Annelies verder, de woorden stromen er nu uit als een waterval. "Het licht sprong aan. Ze schrok niet eens. Ze was zo koud. Ze bedreigde me, Leen. Ze zei dat als ik iets zou vertellen, ze David zou wijsmaken dat ik met Pieter heb geflirt. Dat ze mijn huwelijk kapot zou maken." Annelies grijpt Leens hand. "Ik ben bang. Ze keek me aan alsof ze me kon vermoorden. En ze zijn nog steeds buiten." Er valt een stilte in de betegelde ruimte, alleen onderbroken door het zachte zoemen van de ventilatie. Annelies kijkt naar Leen, op zoek naar houvast.
Leen wordt stil. De kleur trekt langzaam uit haar gezicht en maakt plaats voor een diepe, trieste gelatenheid. Ze kijkt naar haar handen in haar schoot. Zonder de brede schouders van Kristof om achter te schuilen, krimpt ze. De boze buitenwereld heeft een barst in haar bubbel geslagen. Ze wil verdwijnen. "O god," fluistert Leen. "Ze is gek geworden. Ze is echt gek geworden."
"We moeten iets doen," zegt Annelies dringend. "We moeten het tegen Sandra zeggen. Of tegen David." "Nee!" Leen springt op van het bankje, haar ogen wijd van paniek. "Nee, niet Sandra. Ben je gek? Sandra vilt Dirk levend. Die maakt hem af waar we bij staan. Dat overleeft hun huwelijk nooit." Ze begint te ijsberen in de kleine ruimte. "We moeten eerst weten wat er precies aan de hand is met Dirk. Hoe is hij in die val getrapt? Wat heeft hem bezield om daarin mee te gaan? Dirk is zwak, maar dit gaat wel heel ver. We moeten begrijpen welk spel Els speelt voor we hem aanpakken. De prioriteit is Els. Zij moet gestopt worden."
"En ik... ik kan dit niet, Annelies," vervolgt ze wanhopig. "Ik kan niet tegen Els op. Ze walst over me heen. Ze weet precies hoe ze me pijn moet doen. Als ik naar buiten ga, lacht ze me uit. Of erger." Annelies voelt de moed in haar schoenen zinken. Ze had gehoopt op een krachtige medestander, iemand die haar kon vertellen dat het goed kwam, maar ze ziet nu dat Leen net zo bang en kwetsbaar is als zijzelf.
Dan stopt Leen met ijsberen. Ze kijkt naar de deur, en dan naar Annelies. Er komt een nieuwe vastberadenheid in haar blik. Het is de zekerheid van iemand die weet waar de noodknop zit. "Kristof," zegt ze.
"Kristof?" "We moeten Kristof halen," zegt Leen stellig. "Hij is de enige die Els aankan. Hij is de enige waar ze bang voor is, of waar ze in ieder geval ontzag voor heeft. Hij moet ze uit elkaar halen zonder dat Sandra het merkt." Ze pakt Annelies' hand vast. Haar handpalm is klam, maar haar greep is stevig. "Blijf hier," zegt Leen. "Of nee, ga terug naar de woonkamer en ga naast David zitten. Zorg dat Sandra niet naar buiten gaat. Leid haar af. Doe alsof je dronken bent, dans op tafel, maakt niet uit."
"En jij dan?"
"Ik ga met Kristof praten," zegt Leen, en ze haalt diep adem. "Hij weet vast wel wat we moeten doen."
- - -
Meer weten? Abonneer je dan op de nieuwsbrief door mij een email te sturen. Mijn emailadres vind je op mijn profielpagina.
Geef dit verhaal een cijfer:
5
6
7
8
9
10

Ontdek meer over mij op mijn profiel pagina, bekijk mijn verhalen, laat een berichtje achter of schrijf je in om een mail te ontvangen bij nieuwe verhalen!
