Door: Keith
Datum: 22-02-2026 | Cijfer: 9.7 | Gelezen: 630
Lengte: Lang | Leestijd: 29 minuten | Lezers Online: 12
Lengte: Lang | Leestijd: 29 minuten | Lezers Online: 12
Vervolg op: Gonnie - 42: Zwemmen En Planten
Overpeinzingen...
In het restaurant was het redelijk rustig. Een paar fietsers zaten te eten, maar druk was het niet. “Dat komt straks”, zei de serveerster. “Rond half één zit het hier vol.” We bestelden een uitsmijter en zaten ondertussen lekker te kletsen. Natuurlijk over de renovatie bij de Weever, maar ook over het zwemmen gisteren. En ik kon het niet laten. “Jij noemde de naam van die badmeester wel héél snel, Mar. Hoe komt dat?”
Ze kreeg een kleur en ik lachte haar zachtjes uit. “Lag het er zó dik op? Roel is onze trainer. Een hele aardige vent, maar zodra hij aan de rand van het zwembad staat, verandert hij in een regelrechte 16e eeuwse beul van de Spaanse Inquisitie. Jaagt ons op. Geen seconde rust. Als alle verwensingen die het dameszwemteam in gedachten hadden, waar zouden worden, was hij in één steekvlam verteerd. Of juist niet… Dan was hij héél langzaam doodgemarteld door alle meiden van ons team. Op een hele pijnlijke manier. Maar na de training, als we omgekleed zijn en samen nog iets drinken, komt hij erbij en is het gewoon een vreselijk leuke vent…” En na enige aarzeling volgde een zacht: “en knap…”
“En is hij getrouwd? Heeft hij verkering? Want volgens mij heb jij wel een crush op hem… Of zagen Frank en ik dat gisteren verkeerd?” Wéér die blos. “Hij heeft geen relatie. En ik ben niet de enige, hoor. Er zijn meerdere meiden in het team die hem wel zien zitten. Maar hij houdt de boot steevast af. Hij zal nooit één op één met je praten, dat heeft hij vanaf het begin duidelijk gemaakt. ‘Ik hanteer een strikt ‘vier ogen-beleid’, dames. Als jullie willen praten: oké, maar altijd met z’n tweeën. Ik wil geen praatjes, dat kan ik niet maken.’ Dus even onder vier ogen met hem kletsen is er niet bij…” Ze keek sip.
“Is hij fulltime badmeester/trainer?” Ze schudde haar hoofd. “Hij is docent lichamelijke opvoeding. Op een scholengemeenschap in Voorthuizen. En twee avonden in de week is hij badmeester, één avond trainer van twee zwemclubjes: tien dames en zeven heren.” Ik keek haar aan. “En dus… zolang iemand lid is van één van zijn teams houdt hij de boot af. En dat zal op zijn school niet anders zijn, denk ik. Misschien wel zo veilig, gezien alle krantenberichten die je momenteel leest over ontucht met minderjarigen en of leerlingen.”
Ik keek haar aan. “Als jij hem serieus ziet zitten, dan zit er maar één ding voor je op, Mar.” Twee vragende ogen keken me aan. “Het is blijkbaar een vent met principes. Da’s prima. Hij wil geen relatie aangaan met één van zijn leerlingen of leden van zijn zwemclubje? Dan moet je wegwezen bij dat zwemgroepje en hem los daarvan benaderen. Da’s blijkbaar de enige manier om hem te strikken, schat.” Haar ogen keken nu paniekerig. “Ja maar…” Ik kapte haar af. “De ‘ja-maar-reactie’ is hetzelfde als ‘nee’, alleen dan in een semi-beleefde vorm, Mar. Zolang jij bij je zwemclubje blijft is hij de trainer en ben jij één zijn pupillen. En ondanks dat jij als ‘Jetski’ te boek staat, zal hij je dan nooit berijden, schat.”
Haar ogen werden groot van verontwaardiging. “Jij stelt het wel héél makkelijk voor, mevrouw Peters!” Haar stem was nu harder en boos. Ik hief mijn hand op. “Dimmen jij, anders worden we deze tent uitgezet wegens ongepaste praat. Denk er over, Mar. Maar hier en nu niet over dit onderwerp verder. Slecht voor onze reputatie.” De rest van de maaltijd verliep in stilte; ik had Mariëlle stof tot nadenken gegeven…
Eenmaal terug bij de Weever rapporteerden we bij Gerrit. Die keek een beetje zuinig. “600 euro, alleen voor een tekening? Da’s nogal pittig…” “Niet alleen een tekening, Gerrit. Mevrouw gaat geluids- en galmmetingen doen, lichtmetingen, de kleur van de TL-balken, het zuurstof- en CO2-gehalte én bekijkt hoe de ruimte efficiënt ingericht kan worden. En ja, dat komt op een tekening, maar ook in een verslag waar we wat mee kunnen. En ze zou adviseren over de soort afscheiding tussen de diverse clusters: administratie, ontwikkelaars, ondersteuners enfin, al het volk wat nu in één ruimte verblijft. Geen kattepis.”
“Ik ga dit met de boekhouding opnemen, meiden. Nee, niet alleen die 600 euro, maar of het uit kan dat we de tent gaan verbouwen. De Weever heeft weliswaar nog wel wat reserves in een holding waar mijn zoon gelukkig niet aan kon komen, maar ook dat is geen bodemloze geldput.” We knikten, spraken een dag af waarop Rianne welkom was en gaven dat per mail door. Binnen de minuut kwam een antwoordmail. ‘Prima. Dan sta ik om negen uur op de stoep.’ “Nou, die dame is snel…”
Gerrit keek waarderend en vervolgde toen: “Willen nog weten hoe het vanochtend was bij de crematie van Joziassen?” Ik schrok. Helemaal niet meer aan gedacht… Mariëlles gezicht werd een stenen masker. “Geen belangstelling in, Gerrit dank voor de vraag, maar als je daar over gaat vertellen, ga ik even naar beneden.” Ze liep weg en Gerrit en ik keken elkaar aan. “Dat zit wel érg diep, Gon…”
Ik humde. “Niet zo gek als je drie jaar lang bent gekleineerd, getreiterd, uitgebuit en als minderwaardig bent gezien, Gerrit. Omdat je een rok draagt… Maar vertel, want jij moet zo te zien ook je ei kwijt.” Hij bromde. “Nogal… Gon, ik ben ondertussen op heel begrafenissen en crematies geweest, maar wat ik vanochtend heb meegemaakt…”
Hij zweeg even, schudde zijn hoofd en vervolgde: “De kist stond in de kleinste aula van het crematorium. Plaats voor 50 mensen. Geen enkele bloem, krans of foto op de kist; het had net zo goed een kist oud ijzer kunnen zijn. Los van het personeel van de begrafenisonderneming waren er twee mensen: een buurvrouw en ik. Ik kwam daar om tien voor negen, heb netjes m’n naam in het register gezet en liep naar binnen. En ik was alleen. Een paar minuten daarna kwam die buurvrouw binnen en stelde zich voor. Zij had 4 jaar lang naast Joziassen gewoond en behalve een ‘goedemorgen’ en ‘goedemiddag’ nooit een woord met hem gewisseld.
‘We lagen elkaar niet, meneer’, zei ze tegen mij. ‘Normaal kan ik met iedereen wel opschieten; hij bleef een ‘grumpy old man’ die uit z’n auto stapte, zijn huis binnenging en er de volgende morgen weer uit kwam om naar z’n werk te gaan. Nauwelijks bezoek, af en toe een pakketje en dat was het. Na een paar pogingen in het begin heb ik het opgegeven om een praatje te maken; je kon net zo goed tegen een geluidswal kletsen…’ Op dat moment kwam de uitvaartleider binnen en vroeg ons of we nog iets wilden zeggen. Het enige wat die mevrouw zei was simpel: ‘Dag buurman.’ Verder niets. En ik had ook geen inspiratie. En vervolgens zakte de kist naar beneden… Dat was het einde van Joziassen.” Hij keek me aan. “Daarna ben ik hiernaartoe gereden en heb mezelf een glas whisky ingeschonken. Dáár had ik behoefte aan. Wát een verdomd triest einde van iemands leven…”
Ik zei niks, maar knikte alleen maar. Dacht aan mijn familie- en vriendenkring. Hoe het zou zijn als een van ons kwam te overlijden. Waarschijnlijk zou er tijdens de plechtigheid veel ruimte zijn voor goeie herinneringen en grappen. Er zou gelachen worden, door de tranen heen. Ik voelde ook mijn ogen branden. “Wil je ook een glas, Gon?” Ik schudde mijn hoofd en pakte een zakdoek. Poetste mijn ogen droog. “Sorry Gerrit… Ik zit hier niet om Joziassen te janken, maar alleen om het simpele feit dat iemand zó aan zijn eind komt. Met als grafschrift een simpel ‘Dag buurman’. Wat waarschijnlijk nergens opgetekend gaat worden… Ach verdomme, geef me maar een bodempje drank. Wel een plens ijs erbij, ik moet straks nog rijden.”
Hij pakte twee glazen uit een kast en een fles. Twee kleine bodempjes drank in de glazen, ijsklontjes erbij, toen zette hij het voor ons neer. “Waar drinken we op, Gonnie?” Ik dacht even na. “Op de sfeer in jouw bedrijf, Gerrit. Dat die mag verbeteren, nu een aantal rotte appels weg zijn.” Hij knikte en hief zijn glas. En ik het mijne. Zo zaten we nog even stil bij elkaar.
“Niemand wil zijn bureau hebben, Gonnie. Wat doe ik met die ruimte?” Ik dacht na. “Maak er een ‘neutrale’ ruimte van, Gerrit. Een overlegkamertje, van mijn part een opslagruimte… En als er een nieuwe leidinggevende binnen komt rollen, zet je hem of haar daar neer. Die heeft geen herinnering aan Joziassen. Zorg wel dat die ruimte compleet leeg gaat. Alle inventaris er uit, inclusief als die archiefkasten die hij had staan. De ruimte moet compleet ‘clean’ zijn, anders blijft het ‘het bureautje van Joziassen’. En dan blijft het ‘besmet’.” Hij knikte. “Geef ik de expeditie straks opdracht voor. Goed plan, dank je wel.” Ik grinnikte. “Dat is dan 400 euro, meneer. De tekening volgt binnenkort.” Hij keek niet-begrijpend. “Wát?” “Tja, wat die mevrouw uit Garderen kan, kan Gonnie ook hoor. Oké de ruimte is wat kleiner, daarom is het tarief ook 200 euro minder… Ik wil je niet helemaal het vel over je neus trekken.” Toen schoot hij in de lach. “Je bent een vals kreng, mevrouw Peters!”
Ik gniffelde. “Er zijn een aantal mensen die het met je eens zijn, Gerrit. Op sommige momenten zelfs mijn vriend Frank.” “Een goeie manier om dit onderwerp af te sluiten, Gon. Met een glas whisky en een geintje. Dank je wel.” Ik zette mijn glas neer, leeg op nog wat ijs na. “En jij dank voor de drank.. Ik ga Mariëlle even zoeken, daarna zijn we weg. Tot volgende week, Gerrit.” “Doei, Gon.” Ik liep naar beneden. Mariëlle zat in de kantine, met een glas thee voor zich voor zich uit te staren. “Hé Mar, we gaan. Vandaag geen verdere afspraken, en na het verhaal over Joziassen heb ik het even gehad.” Ze knikte. “Ik, zonder dat verhaal, ook wel, Gon.” Toen keek ze op. “Heb jij gedronken? Ik ruik alcohol!” “Ja. Ik heb samen met Gerrit een borrel achterover geslagen. Niet veel hoor, een klein bodempje whisky met veel ijs. Ik zit nog lang niet boven de alcohol-limiet.” Ze snoof. “Je doet het maar kalm aan op de weg!” “Zeker, juffrouw Steenbeke…”
Ik kreeg een boze blik. “Lazer op met je ‘juffrouw’, trút.” Ik keek haar aan. “Denk erover wat ik over badmeester Roel zei, schat.” Ze knikte. “Zal ik doen. En ondanks dat ik nijdig was: dank je wel.” We liepen naar buiten en reden even later weg. En ik lette onderweg bijzonder goed op de snelheidsmeter: nergens kwam die boven de maximaal toegestane snelheid! Toen ik bij Frank kwam stond zijn auto al op de oprit en kwam hij naar buiten toen ik uitstapte. “Hee… komt er zomaar een mooie vrouw naar mijn huisje toe?” Hij wilde me zoenen, maar deinsde terug. “Heb jij gedronken???” Het kwam er verwijtend uit en ik knikte. “Ja. En Gerrit de Weever ook. Samen hebben wij een bodempje Whisky naar binnen gewerkt. En daarna ben ik als een bejaarde taart hier naartoe gereden; nergens harder dan 80 of 50.” Frank bleef een beetje verwijtend kijken. “Stom van je, Gon. Had ik niet achter je gezocht.” Ik knikte schuldbewust. “Dat is ook niet mijn normale manier van doen, Frank. Ik drink nooit als ik nog moet rijden. Maar nu… Kom, naar binnen, dan vertel ik je wel waarom.”
Even later knikte hij. “Ja, nu snap ik die borrel wel. Maar slim is het niet, Gon.” “Dat weet ik, Frank. Het zal verder niet meer voorkomen.” “Oké, zand er over. Hoe was het verder vandaag?” Ik vertelde over de bezoeken aan de twee kwekerijen en het verschil er tussen. “Oh, ik moet nog even een recensie op Google zetten over die onbehouwen vent…” Ik pakte mijn telefoon, maar Frank hield me tegen. “Doe dat morgen maar. Als je er over nagedacht hebt. Iemand afbranden omdat je nijdig bent is goed om jezelf af te reageren, maar je brengt een ander wellicht onbedoeld meer schade toe dan je zou willen, schat.” “Wat ben jij een sympathieke vent, Frank Veenstra. Als je erbij was geweest, had je die vent een trap onder z’n reet gegeven omdat hij jouw vriendinnetje én haar vriendin tot op het bot beledigde…”
Hij knikte. “Klopt. Maar een trap onder je reet doet een paar dagen pijn. Iemand afbranden op Internet blijft jáááren te lezen. Dat is het verschil. Morgen kun je los gaan, rooie furie. Als je er over hebt nagedacht.” Ik zoende hem. “Jij bent soms een vreselijke goedzak, Frankieboy. Hoe was het in Den Haag, op het ministerie?”
Hij zuchtte. “Ambtelijk. Gortdroge praat en veel gezeik over financiën. Uiteindelijk vertrokken met een afsluitende preek die hierop neerkwam: ‘Heren, kent u het Engelse spreekwoord ‘Pennywise and poundfoolish?’ Zo denk ik er over. U wilt een goed softwareprogramma tot op het bot uitkleden omdat u het te duur vindt. En ik voorspel u dat u binnen een jaar begint te miepen dat zaken niet werken. Waarom niet? Omdat ons programma een geïntegreerd geheel is. Werkt niet goed als u gaat ‘cherry picken’.
Defensie heeft dat gemerkt met hun HR-programma PeopleSoft: in het bedrijfsleven een goed werkend programma, bij Defensie in de beginjaren een regelrechte ramp. Tót… men er achter kwam dat een aantal deelprogramma’s, die waren ‘wegbezuinigd’, hard nodig waren om het geheel goed te laten draaien. Tja, en die moesten toen alsnog aangekocht worden… Voor heel veel geld. Wat zullen ze bij de ontwikkelaars van PeopleSoft, gelachen hebben… U kunt kiezen: óf u koopt het hele pakket, inclusief cursussen en onze ondersteuning óf ik pak mijn spullen, wens u veel succes tijdens de onderhandelingen met onze concurrenten, spring in mijn auto en ben er weg van. U heeft ons mailadres én ons telefoonnummer: uiterlijk eind van deze maand willen we horen wat uw beslissing is, want wij hebben ook een planning met deadlines.’
En toen heb ik inderdaad mijn spullen ingepakt. En in de hal werd ik staande gehouden door een van de backbenchers van de vergadering met de vraag of ik wel goed bij m’n hoofd was om een aantal hoge ambtenaren zó te bejegenen. Ik heb de man aangekeken en gezegd dat wij niet van plan zijn om onze goeie naam te grabbel te gooien, enkel en alleen omdat men in Den Haag voor een dubbeltje op de eerste rij wil zitten… En me toen omgedraaid, mijn badge ingeleverd en vertrokken.”
Hij keek ondeugend. “En ik heb op de A12 wél de maximum toegestane snelheid overschreden, schat. Ik was woést.” Enfin, bij Harmelen de auto op een parkeerplaats gezet, een lekker warm kaasbroodje gekocht en Simon gebeld. En die was het gloeiend met me eens; hij kende het verhaal van PeopleSoft ook en zei: ‘Daar trappen we niet in, Frank! Alles of niets; we hebben voorlopig werk zát; de overheid als klant geeft alleen maar gezeik.’ En dat wist ik al, anders was ik niet zo tekeer gegaan in Den Haag…” Hij grijnsde nu voluit. “Wel eens lekker, trouwens. Het waren nogal hoge pieten, daar aan tafel… Maar volgens mij weten die lui nog steeds niet dat het grootste deel van Nederland zich ten oosten van de lijn Rotterdam – Pijnacker bevindt…”
Ik schudde mijn hoofd. “En jij bent mijn vriendje? Voor hetzelfde geld krijgt meneer Schoof dit te horen en ligt onze reputatie in de modder. Dankzij de tact van de heer Veenstra, Frank van voren…” “Die reputatie is tóch al naar de bliksem, schat. Als men weet wat wij ’s avonds in bed doen, zónder dat we getrouwd zijn…” Ik keek hem lang en gemeen aan. “Die activiteiten zouden wel eens snel ten einde kunnen zijn, meneer Veenstra. Als jij zó begint…” Ik haalde toen mijn schouders op. “Enfin, dat is jouw reputatie. De mijne kan niet meer stuk. Ík heb maandagnacht ten minste met een maagd in één bed gelegen. En verhip: dinsdagochtend was ze nog steeds maagd… Goed hé?”
Hij lachte. “Heb je je er wel goed overtuigd dat Mariëlle maagd is, schatje? Fysiek, bedoel ik?” Ik gaf hem een stomp. “Smeerlap. Ik zie aan je ogen dat je het zit te visualiseren. Mar en ik hebben de nacht van Maandag op Dinsdag lekker nog een tijdje liggen kletsen, wat goede vriendinnen nu eenmaal doen en daarna zijn we keurig naast elkaar in slaap gevallen. Mariëlle overigens wel in een hele charmante pyjama, dat moet ik haar nageven. En dinsdagmorgen heb ik haar een ‘make-over’ gegeven.” Ik pakte mijn telefoon. “Kijk maar eens…”
Ik liet hem de foto’s zien. Frank floot. “Is dat dezelfde Mariëlle die een paar weken terug als grijze muis zat te notuleren tijdens die eerste vergadering in Terschuur? Wauwww….” Ik dempte mijn stem. “Ja, da’s dezelfde Mariëlle. Die overigens een serieus oogje heeft op badmeester Roel, maar nog té geremd is om daar werk van te maken. En Roel, die overigens niet alleen badmeester is, maar ook trainer van het zwemclubje van Mar én docent L.O. op een scholengemeenschap in Voorthuizen, maakt het bewonderaarsters niet makkelijk. Als één van die dames met hem wil praten, wil hij er een ander bij. ‘Vier-ogen-beleid’ noemde Mar het. Dus een intiem téte á téte in een badhokje is er niet bij. Hij heeft duidelijk aangegeven dat hij geen relatie aangaat met een van zijn pupillen van de zwemclub. En daar zit Mariëlle dus behoorlijk mee.” Frank dacht even na en kwam tot dezelfde conclusie als ik.
“Nou, dan kapt ze toch met dat zwemclubje? En daarna kan ze los gaan…” Ik gniffelde. “In iets andere, wat minder subtiele bewoordingen heb ik haar exact dezelfde tip aan de hand gedaan, schatje. Maar ik ben blij dat jij er precies zo over denkt als ik. Teken dat wij best wel goed bij elkaar passen.” Ik gaf hem een zoen. “Ondanks dat jij in Den Haag de botte hork uit ging hangen…”, vervolgde ik plagend. Hij stompte me. “Jij bent soms ook niet al te subtiel, lekkere meid. Ook op dat gebied zijn we wel aan elkaar gewaagd.”
“Wat ga je morgen doen, Frank? Want ik zag dat je agenda voor morgen nog leeg was. Best zeldzaam voor jou…” Hij rekte zich uit. “Morgen ga ik een dagje freewheelen in Ede. Gerben is helpdesk, ik kan dan wat administratie bijwerken, zonder dat ik jengelende klanten aan de lijn krijg. Ook wel eens lekker. En als bonus kan ik de stekker van m’n laptop weer eens in een stopcontact onder m’n bureau steken. Daar waar twee prachtige benen op me wachten… Benen die nu helaas in spijkerbroek verpakt zitten.” “Het is niet altijd feest, Frank Veenstra. Een meisje wil ook wel eens ongenuanceerd met haar benen uit elkaar op de bank hangen, zonder dat ze bang hoeft te zijn voor inkijk van geile kerels.” Ik voegde de daad bij het woord: Zakte onderuit en zette mijn benen uit elkaar. Niet bepaald charmant overigens en dat vond Frank ook. “Je zit erbij als een bouwvakker na een dag keihard buffelen op de steiger, schat.”
Ik gaapte. “Klopt. Geef me dus maar een biertje, bikkel.” Hij keek me twijfelend aan. “Ga jij alcoholist worden? Eerst midden op dag whisky en nu een biertje? Zal ik meteen de chips maar pakken? Dan kijken we samen ‘Goede tijden, slechte tijden’ en vervolgens de Postcode Miljoenenjacht of zo. Om rond tien uur maar naar bed te gaan, want morgen moet jij natuurlijk ijselijk vroeg op om weer op die steiger te staan…” We grinnikten samen. “We gaan eerst maar eens koken en lekker eten, mooie kerel van me. Of moeten er nog boodschappen gedaan worden?” Hij schudde zijn hoofd. “Ik heb bloemkool in de koelkast. Runderlapje erbij, lekker gaar laten stoven, aardappels en een puddinkje. En daar ga ik nú mee beginnen; dat vlees moet een tijdje stoven. Ga jij maar iets leuks doen.” Ik trok hem naar me toe. “Als ik ‘iets leuks’ ga doen, komt er van koken voorlopig niets, Frankieboy…” Hij duwde me van zich af. “Laat me maar los. Geen zin om een ongeschoren metselaar te zoenen, dank je wel.” Ik keek hem boos aan. “Lomperd…” Zijn ondeugende trekje gleed om zijn mond en ik trok hem toch weer tegen me aan. “Wel een lekkere lomperd…” mompelde ik tussen twee zoenen door.
Daarna gingen we koken: Ik de aardappelen en de bloemkool, Frank het vlees en de jus. Het toetje was makkelijk: uit de koelkast halen en opeten. Een uurtje later zaten we uit te buiken; het was nét zes uur. Vroeg voor onze begrippen! “Dame… U heeft geen sexy rokje aan en redelijk terreinvaardige schoenen. Wat dacht u van een wandelingetje? De bossen hier achter eens bekijken? Daar staat een vogelkijkhut bij een plas; met een beetje mazzel kunnen we daar een ijsvogel zien.” IJsvogel? Het is midden in de zomer, dwaas.” Frank zuchtte. “De ijsvogel dankt zijn naam niet aan temperatuur, maar aan zijn kleur. IJsblauw. Ik geloof het kleinste vogeltje van Nederland. Lijkt wel wat op een kolibri en is zeldzaam. En hier vliegen er een paar. De grootste kolonie zit in Flevoland, als ik me niet vergis.” Ik stond op. “Oké. Maar ik trek toch andere schoenen aan, Frank. Deze schoentjes zijn weliswaar ‘terreinvaardiger’ dan mijn pumps met zeven centimeter hoge naaldhakken, maar…” Ik liep naar de slaapkamer; daar had ik een paar weken terug een paar goeie wandelschoenen neergezet. En daarmee kwam ik weer boven. “Ik ben er klaar voor, Frank.” “Mooi. Ik neem m’n camera mee, je weet nooit. En m’n zaklampje.”
Hij pakte zijn ‘politiezaklamp’, dat hele felle ding. “Als je daarmee gaat schijnen zijn die vogeltjes écht verdwenen, schat.” Hij keek om. “Klopt. De wilde zwijnen ook.” Hij grijnsde om mijn gezicht en vervolgde: “Liefje…” We liepen even een stukje langs de grens van het vliegveld, toen sloeg Frank een bospad naar het zuiden in. Het geluid van de A50 vervaagde tot een zacht gebrom wat nauwelijks meer te horen was. Alleen een enkele motorrijder die het gas lostrok was op een gegeven moment goed te horen. “Zeker zo’n Japans toerenmonster”, mopperde Frank. “Lawaaimachines…” Even daarna was het weer rustig. We liepen een stuk door het bos, tot we langs een boerderij kwamen. Met een grote, brede schuur. “Dat zou je hier niet verwachten”, zei ik, naar de schuur kijkend. “Van dezelfde bouwers als onze slaapkamer, schat”, merkte Frank op. “Wát? Een Duitse boerderij?” Hij corrigeerde me. “Nee. Een Duitse reparatiehangar, gecamoufleerd als boerderij. In, wat nu een schuur is, repareerden de Duitsers hun vliegtuigen. Ik ben er geweest toen ik hier nét woonde, om kennis te maken met mijn buren. Want dat zijn het. En die schuur bestaat aan de binnenkant uit stalen, gebogen spanten. Geen enkele pilaar in het midden. De eigenaar vertelde dat er twee Messerschmidts 110 in konden. Nachtjagers. En niet de kleinsten.” Hij wees. “En vanaf deze ‘boerderij’ kun je met zo’n vliegtuig in één keer door naar de rolbaan en het vliegveld op. Men heeft de boerderij na de oorlog verkocht aan, jawel: een boer en die mag op het vliegveld zelf gewassen verbouwen. En zo zijn er nog een paar ex-hangars, die nu een agrarische bestemming hebben.” Ik keek. “Nou ja… Dat is dan wel weer goed van Defensie. Terug naar de natuur en zo.” Hij knikte. "Ja. totdat de pleuris uitbreekt en dit vliegvel weer in gebruik wordt genomen. Fulltime. En dan zitter wij best op een link stukje Nederland, schat."
Ik keek naar de boerderij en de grote schuur. “Nooit bij stilgestaan, Frank…” Hij sloeg een arm om me heen. “Da’s ook niet dagelijks nodig, schat. Je zou er vreselijk depri van worden. Maar het is wél goed om wat aan ‘risico-assessment’ te doen. En dat heb ik gedaan. In mijn schuurtje staat een klein diesel-aggregaat. Ik heb een kooktoestel op gasflessen. Een waterzuiveraar. Voldoende eten voor een maand of drie, nou ja… als jij bij me intrekt een kleine maand waarschijnlijk, maar…” Ik stompte hem. “Jij denkt dat ik twee keer zoveel als jij eet?” Hij grinnikte. “Het komt erop neer dat ik, dat wij als jij hier ook gaat wonen, onszelf aardig kunnen redden. En als hij valt… Dan maar recht op m’n kop, schat.”
Ik begreep wat hij bedoelde; de ‘schaduwmensen’ in Hiroshima. Zó liepen ze door de stad, zó waren ze weggevaagd door de atoombom. Het enige wat van hen over was, was hun schaduw op de verder geblakerde muur… Ik huiverde. Frank greep me onder mijn arm. “Kom, we lopen verder. Geen leuk onderwerp voor een avondwandelingetje.” “Dat kun je wel stellen…” zei ik zachtjes. Een kwartier later kwamen we bij de vogelkijkhut aan en we gingen zachtjes naar binnen. Een open plek in het bos lag voor ons, delen in de laagstaande zon, delen in de schaduw. Hoe dan ook: het was een prachtige plek. Vogels hoorden we genoeg om ons heen, maar we zagen er niet zoveel. “Als er onweer dreigt, dan zie je er veel”, zei Frank zachtjes. “Boerenzwaluwen met name, die op laagvliegende muggen jagen. En af en toe een ijsvogeltje. Maar die kans acht ik vanavond klein. Ik ben geen ornitholoog, maar het is rustig. De verkeersleiding kan met de poten op het bureau koffiedrinken.”
Ik keek niet-begrijpend. “De verkeersleiding voor de vogeltjes, Gon…” Ik schudde mijn hoofd. “Dwáás…” Na een kwartier stond Frank op. “Kom, we gaan naar huis.” “Waarom nu al? Het is hier zo mooi… Zo rustig…” Hij knikte. “Klopt. En daarom worden de wilde zwijnen nu ook wakker en gaan uit eten. Wil ik niet tegenkomen, schat.” Oh ja… Via een ander pad liepen we terug. Frank was duidelijk op zijn hoede; hij liep niet gearmd en had dat kleine, felle zaklampje constant in zijn hand.
Ik was best een beetje opgelucht toen we voordeur van het huis achter ons sloten. “Ik wil ook zo’n zaklamp, Frank. Als ik eens een keer alleen wil wandelen…” Hij knikte. “Prima plan. Wil je ook koffie?” “Doe maar. Maar niet te sterk, graag. En by the way: áls hier al een wild zwijn in de buurt zou zitten, wordt die meteen weggejaagd door jouw lawaai-koffiemachine.”
Hij grinnikte. “Waarom denk je dat ik dat ding gekocht heb? Niet omdat de koffie zo bijzonder is, hoor…” “Leugenaar”, schamperde ik...
Ze kreeg een kleur en ik lachte haar zachtjes uit. “Lag het er zó dik op? Roel is onze trainer. Een hele aardige vent, maar zodra hij aan de rand van het zwembad staat, verandert hij in een regelrechte 16e eeuwse beul van de Spaanse Inquisitie. Jaagt ons op. Geen seconde rust. Als alle verwensingen die het dameszwemteam in gedachten hadden, waar zouden worden, was hij in één steekvlam verteerd. Of juist niet… Dan was hij héél langzaam doodgemarteld door alle meiden van ons team. Op een hele pijnlijke manier. Maar na de training, als we omgekleed zijn en samen nog iets drinken, komt hij erbij en is het gewoon een vreselijk leuke vent…” En na enige aarzeling volgde een zacht: “en knap…”
“En is hij getrouwd? Heeft hij verkering? Want volgens mij heb jij wel een crush op hem… Of zagen Frank en ik dat gisteren verkeerd?” Wéér die blos. “Hij heeft geen relatie. En ik ben niet de enige, hoor. Er zijn meerdere meiden in het team die hem wel zien zitten. Maar hij houdt de boot steevast af. Hij zal nooit één op één met je praten, dat heeft hij vanaf het begin duidelijk gemaakt. ‘Ik hanteer een strikt ‘vier ogen-beleid’, dames. Als jullie willen praten: oké, maar altijd met z’n tweeën. Ik wil geen praatjes, dat kan ik niet maken.’ Dus even onder vier ogen met hem kletsen is er niet bij…” Ze keek sip.
“Is hij fulltime badmeester/trainer?” Ze schudde haar hoofd. “Hij is docent lichamelijke opvoeding. Op een scholengemeenschap in Voorthuizen. En twee avonden in de week is hij badmeester, één avond trainer van twee zwemclubjes: tien dames en zeven heren.” Ik keek haar aan. “En dus… zolang iemand lid is van één van zijn teams houdt hij de boot af. En dat zal op zijn school niet anders zijn, denk ik. Misschien wel zo veilig, gezien alle krantenberichten die je momenteel leest over ontucht met minderjarigen en of leerlingen.”
Ik keek haar aan. “Als jij hem serieus ziet zitten, dan zit er maar één ding voor je op, Mar.” Twee vragende ogen keken me aan. “Het is blijkbaar een vent met principes. Da’s prima. Hij wil geen relatie aangaan met één van zijn leerlingen of leden van zijn zwemclubje? Dan moet je wegwezen bij dat zwemgroepje en hem los daarvan benaderen. Da’s blijkbaar de enige manier om hem te strikken, schat.” Haar ogen keken nu paniekerig. “Ja maar…” Ik kapte haar af. “De ‘ja-maar-reactie’ is hetzelfde als ‘nee’, alleen dan in een semi-beleefde vorm, Mar. Zolang jij bij je zwemclubje blijft is hij de trainer en ben jij één zijn pupillen. En ondanks dat jij als ‘Jetski’ te boek staat, zal hij je dan nooit berijden, schat.”
Haar ogen werden groot van verontwaardiging. “Jij stelt het wel héél makkelijk voor, mevrouw Peters!” Haar stem was nu harder en boos. Ik hief mijn hand op. “Dimmen jij, anders worden we deze tent uitgezet wegens ongepaste praat. Denk er over, Mar. Maar hier en nu niet over dit onderwerp verder. Slecht voor onze reputatie.” De rest van de maaltijd verliep in stilte; ik had Mariëlle stof tot nadenken gegeven…
Eenmaal terug bij de Weever rapporteerden we bij Gerrit. Die keek een beetje zuinig. “600 euro, alleen voor een tekening? Da’s nogal pittig…” “Niet alleen een tekening, Gerrit. Mevrouw gaat geluids- en galmmetingen doen, lichtmetingen, de kleur van de TL-balken, het zuurstof- en CO2-gehalte én bekijkt hoe de ruimte efficiënt ingericht kan worden. En ja, dat komt op een tekening, maar ook in een verslag waar we wat mee kunnen. En ze zou adviseren over de soort afscheiding tussen de diverse clusters: administratie, ontwikkelaars, ondersteuners enfin, al het volk wat nu in één ruimte verblijft. Geen kattepis.”
“Ik ga dit met de boekhouding opnemen, meiden. Nee, niet alleen die 600 euro, maar of het uit kan dat we de tent gaan verbouwen. De Weever heeft weliswaar nog wel wat reserves in een holding waar mijn zoon gelukkig niet aan kon komen, maar ook dat is geen bodemloze geldput.” We knikten, spraken een dag af waarop Rianne welkom was en gaven dat per mail door. Binnen de minuut kwam een antwoordmail. ‘Prima. Dan sta ik om negen uur op de stoep.’ “Nou, die dame is snel…”
Gerrit keek waarderend en vervolgde toen: “Willen nog weten hoe het vanochtend was bij de crematie van Joziassen?” Ik schrok. Helemaal niet meer aan gedacht… Mariëlles gezicht werd een stenen masker. “Geen belangstelling in, Gerrit dank voor de vraag, maar als je daar over gaat vertellen, ga ik even naar beneden.” Ze liep weg en Gerrit en ik keken elkaar aan. “Dat zit wel érg diep, Gon…”
Ik humde. “Niet zo gek als je drie jaar lang bent gekleineerd, getreiterd, uitgebuit en als minderwaardig bent gezien, Gerrit. Omdat je een rok draagt… Maar vertel, want jij moet zo te zien ook je ei kwijt.” Hij bromde. “Nogal… Gon, ik ben ondertussen op heel begrafenissen en crematies geweest, maar wat ik vanochtend heb meegemaakt…”
Hij zweeg even, schudde zijn hoofd en vervolgde: “De kist stond in de kleinste aula van het crematorium. Plaats voor 50 mensen. Geen enkele bloem, krans of foto op de kist; het had net zo goed een kist oud ijzer kunnen zijn. Los van het personeel van de begrafenisonderneming waren er twee mensen: een buurvrouw en ik. Ik kwam daar om tien voor negen, heb netjes m’n naam in het register gezet en liep naar binnen. En ik was alleen. Een paar minuten daarna kwam die buurvrouw binnen en stelde zich voor. Zij had 4 jaar lang naast Joziassen gewoond en behalve een ‘goedemorgen’ en ‘goedemiddag’ nooit een woord met hem gewisseld.
‘We lagen elkaar niet, meneer’, zei ze tegen mij. ‘Normaal kan ik met iedereen wel opschieten; hij bleef een ‘grumpy old man’ die uit z’n auto stapte, zijn huis binnenging en er de volgende morgen weer uit kwam om naar z’n werk te gaan. Nauwelijks bezoek, af en toe een pakketje en dat was het. Na een paar pogingen in het begin heb ik het opgegeven om een praatje te maken; je kon net zo goed tegen een geluidswal kletsen…’ Op dat moment kwam de uitvaartleider binnen en vroeg ons of we nog iets wilden zeggen. Het enige wat die mevrouw zei was simpel: ‘Dag buurman.’ Verder niets. En ik had ook geen inspiratie. En vervolgens zakte de kist naar beneden… Dat was het einde van Joziassen.” Hij keek me aan. “Daarna ben ik hiernaartoe gereden en heb mezelf een glas whisky ingeschonken. Dáár had ik behoefte aan. Wát een verdomd triest einde van iemands leven…”
Ik zei niks, maar knikte alleen maar. Dacht aan mijn familie- en vriendenkring. Hoe het zou zijn als een van ons kwam te overlijden. Waarschijnlijk zou er tijdens de plechtigheid veel ruimte zijn voor goeie herinneringen en grappen. Er zou gelachen worden, door de tranen heen. Ik voelde ook mijn ogen branden. “Wil je ook een glas, Gon?” Ik schudde mijn hoofd en pakte een zakdoek. Poetste mijn ogen droog. “Sorry Gerrit… Ik zit hier niet om Joziassen te janken, maar alleen om het simpele feit dat iemand zó aan zijn eind komt. Met als grafschrift een simpel ‘Dag buurman’. Wat waarschijnlijk nergens opgetekend gaat worden… Ach verdomme, geef me maar een bodempje drank. Wel een plens ijs erbij, ik moet straks nog rijden.”
Hij pakte twee glazen uit een kast en een fles. Twee kleine bodempjes drank in de glazen, ijsklontjes erbij, toen zette hij het voor ons neer. “Waar drinken we op, Gonnie?” Ik dacht even na. “Op de sfeer in jouw bedrijf, Gerrit. Dat die mag verbeteren, nu een aantal rotte appels weg zijn.” Hij knikte en hief zijn glas. En ik het mijne. Zo zaten we nog even stil bij elkaar.
“Niemand wil zijn bureau hebben, Gonnie. Wat doe ik met die ruimte?” Ik dacht na. “Maak er een ‘neutrale’ ruimte van, Gerrit. Een overlegkamertje, van mijn part een opslagruimte… En als er een nieuwe leidinggevende binnen komt rollen, zet je hem of haar daar neer. Die heeft geen herinnering aan Joziassen. Zorg wel dat die ruimte compleet leeg gaat. Alle inventaris er uit, inclusief als die archiefkasten die hij had staan. De ruimte moet compleet ‘clean’ zijn, anders blijft het ‘het bureautje van Joziassen’. En dan blijft het ‘besmet’.” Hij knikte. “Geef ik de expeditie straks opdracht voor. Goed plan, dank je wel.” Ik grinnikte. “Dat is dan 400 euro, meneer. De tekening volgt binnenkort.” Hij keek niet-begrijpend. “Wát?” “Tja, wat die mevrouw uit Garderen kan, kan Gonnie ook hoor. Oké de ruimte is wat kleiner, daarom is het tarief ook 200 euro minder… Ik wil je niet helemaal het vel over je neus trekken.” Toen schoot hij in de lach. “Je bent een vals kreng, mevrouw Peters!”
Ik gniffelde. “Er zijn een aantal mensen die het met je eens zijn, Gerrit. Op sommige momenten zelfs mijn vriend Frank.” “Een goeie manier om dit onderwerp af te sluiten, Gon. Met een glas whisky en een geintje. Dank je wel.” Ik zette mijn glas neer, leeg op nog wat ijs na. “En jij dank voor de drank.. Ik ga Mariëlle even zoeken, daarna zijn we weg. Tot volgende week, Gerrit.” “Doei, Gon.” Ik liep naar beneden. Mariëlle zat in de kantine, met een glas thee voor zich voor zich uit te staren. “Hé Mar, we gaan. Vandaag geen verdere afspraken, en na het verhaal over Joziassen heb ik het even gehad.” Ze knikte. “Ik, zonder dat verhaal, ook wel, Gon.” Toen keek ze op. “Heb jij gedronken? Ik ruik alcohol!” “Ja. Ik heb samen met Gerrit een borrel achterover geslagen. Niet veel hoor, een klein bodempje whisky met veel ijs. Ik zit nog lang niet boven de alcohol-limiet.” Ze snoof. “Je doet het maar kalm aan op de weg!” “Zeker, juffrouw Steenbeke…”
Ik kreeg een boze blik. “Lazer op met je ‘juffrouw’, trút.” Ik keek haar aan. “Denk erover wat ik over badmeester Roel zei, schat.” Ze knikte. “Zal ik doen. En ondanks dat ik nijdig was: dank je wel.” We liepen naar buiten en reden even later weg. En ik lette onderweg bijzonder goed op de snelheidsmeter: nergens kwam die boven de maximaal toegestane snelheid! Toen ik bij Frank kwam stond zijn auto al op de oprit en kwam hij naar buiten toen ik uitstapte. “Hee… komt er zomaar een mooie vrouw naar mijn huisje toe?” Hij wilde me zoenen, maar deinsde terug. “Heb jij gedronken???” Het kwam er verwijtend uit en ik knikte. “Ja. En Gerrit de Weever ook. Samen hebben wij een bodempje Whisky naar binnen gewerkt. En daarna ben ik als een bejaarde taart hier naartoe gereden; nergens harder dan 80 of 50.” Frank bleef een beetje verwijtend kijken. “Stom van je, Gon. Had ik niet achter je gezocht.” Ik knikte schuldbewust. “Dat is ook niet mijn normale manier van doen, Frank. Ik drink nooit als ik nog moet rijden. Maar nu… Kom, naar binnen, dan vertel ik je wel waarom.”
Even later knikte hij. “Ja, nu snap ik die borrel wel. Maar slim is het niet, Gon.” “Dat weet ik, Frank. Het zal verder niet meer voorkomen.” “Oké, zand er over. Hoe was het verder vandaag?” Ik vertelde over de bezoeken aan de twee kwekerijen en het verschil er tussen. “Oh, ik moet nog even een recensie op Google zetten over die onbehouwen vent…” Ik pakte mijn telefoon, maar Frank hield me tegen. “Doe dat morgen maar. Als je er over nagedacht hebt. Iemand afbranden omdat je nijdig bent is goed om jezelf af te reageren, maar je brengt een ander wellicht onbedoeld meer schade toe dan je zou willen, schat.” “Wat ben jij een sympathieke vent, Frank Veenstra. Als je erbij was geweest, had je die vent een trap onder z’n reet gegeven omdat hij jouw vriendinnetje én haar vriendin tot op het bot beledigde…”
Hij knikte. “Klopt. Maar een trap onder je reet doet een paar dagen pijn. Iemand afbranden op Internet blijft jáááren te lezen. Dat is het verschil. Morgen kun je los gaan, rooie furie. Als je er over hebt nagedacht.” Ik zoende hem. “Jij bent soms een vreselijke goedzak, Frankieboy. Hoe was het in Den Haag, op het ministerie?”
Hij zuchtte. “Ambtelijk. Gortdroge praat en veel gezeik over financiën. Uiteindelijk vertrokken met een afsluitende preek die hierop neerkwam: ‘Heren, kent u het Engelse spreekwoord ‘Pennywise and poundfoolish?’ Zo denk ik er over. U wilt een goed softwareprogramma tot op het bot uitkleden omdat u het te duur vindt. En ik voorspel u dat u binnen een jaar begint te miepen dat zaken niet werken. Waarom niet? Omdat ons programma een geïntegreerd geheel is. Werkt niet goed als u gaat ‘cherry picken’.
Defensie heeft dat gemerkt met hun HR-programma PeopleSoft: in het bedrijfsleven een goed werkend programma, bij Defensie in de beginjaren een regelrechte ramp. Tót… men er achter kwam dat een aantal deelprogramma’s, die waren ‘wegbezuinigd’, hard nodig waren om het geheel goed te laten draaien. Tja, en die moesten toen alsnog aangekocht worden… Voor heel veel geld. Wat zullen ze bij de ontwikkelaars van PeopleSoft, gelachen hebben… U kunt kiezen: óf u koopt het hele pakket, inclusief cursussen en onze ondersteuning óf ik pak mijn spullen, wens u veel succes tijdens de onderhandelingen met onze concurrenten, spring in mijn auto en ben er weg van. U heeft ons mailadres én ons telefoonnummer: uiterlijk eind van deze maand willen we horen wat uw beslissing is, want wij hebben ook een planning met deadlines.’
En toen heb ik inderdaad mijn spullen ingepakt. En in de hal werd ik staande gehouden door een van de backbenchers van de vergadering met de vraag of ik wel goed bij m’n hoofd was om een aantal hoge ambtenaren zó te bejegenen. Ik heb de man aangekeken en gezegd dat wij niet van plan zijn om onze goeie naam te grabbel te gooien, enkel en alleen omdat men in Den Haag voor een dubbeltje op de eerste rij wil zitten… En me toen omgedraaid, mijn badge ingeleverd en vertrokken.”
Hij keek ondeugend. “En ik heb op de A12 wél de maximum toegestane snelheid overschreden, schat. Ik was woést.” Enfin, bij Harmelen de auto op een parkeerplaats gezet, een lekker warm kaasbroodje gekocht en Simon gebeld. En die was het gloeiend met me eens; hij kende het verhaal van PeopleSoft ook en zei: ‘Daar trappen we niet in, Frank! Alles of niets; we hebben voorlopig werk zát; de overheid als klant geeft alleen maar gezeik.’ En dat wist ik al, anders was ik niet zo tekeer gegaan in Den Haag…” Hij grijnsde nu voluit. “Wel eens lekker, trouwens. Het waren nogal hoge pieten, daar aan tafel… Maar volgens mij weten die lui nog steeds niet dat het grootste deel van Nederland zich ten oosten van de lijn Rotterdam – Pijnacker bevindt…”
Ik schudde mijn hoofd. “En jij bent mijn vriendje? Voor hetzelfde geld krijgt meneer Schoof dit te horen en ligt onze reputatie in de modder. Dankzij de tact van de heer Veenstra, Frank van voren…” “Die reputatie is tóch al naar de bliksem, schat. Als men weet wat wij ’s avonds in bed doen, zónder dat we getrouwd zijn…” Ik keek hem lang en gemeen aan. “Die activiteiten zouden wel eens snel ten einde kunnen zijn, meneer Veenstra. Als jij zó begint…” Ik haalde toen mijn schouders op. “Enfin, dat is jouw reputatie. De mijne kan niet meer stuk. Ík heb maandagnacht ten minste met een maagd in één bed gelegen. En verhip: dinsdagochtend was ze nog steeds maagd… Goed hé?”
Hij lachte. “Heb je je er wel goed overtuigd dat Mariëlle maagd is, schatje? Fysiek, bedoel ik?” Ik gaf hem een stomp. “Smeerlap. Ik zie aan je ogen dat je het zit te visualiseren. Mar en ik hebben de nacht van Maandag op Dinsdag lekker nog een tijdje liggen kletsen, wat goede vriendinnen nu eenmaal doen en daarna zijn we keurig naast elkaar in slaap gevallen. Mariëlle overigens wel in een hele charmante pyjama, dat moet ik haar nageven. En dinsdagmorgen heb ik haar een ‘make-over’ gegeven.” Ik pakte mijn telefoon. “Kijk maar eens…”
Ik liet hem de foto’s zien. Frank floot. “Is dat dezelfde Mariëlle die een paar weken terug als grijze muis zat te notuleren tijdens die eerste vergadering in Terschuur? Wauwww….” Ik dempte mijn stem. “Ja, da’s dezelfde Mariëlle. Die overigens een serieus oogje heeft op badmeester Roel, maar nog té geremd is om daar werk van te maken. En Roel, die overigens niet alleen badmeester is, maar ook trainer van het zwemclubje van Mar én docent L.O. op een scholengemeenschap in Voorthuizen, maakt het bewonderaarsters niet makkelijk. Als één van die dames met hem wil praten, wil hij er een ander bij. ‘Vier-ogen-beleid’ noemde Mar het. Dus een intiem téte á téte in een badhokje is er niet bij. Hij heeft duidelijk aangegeven dat hij geen relatie aangaat met een van zijn pupillen van de zwemclub. En daar zit Mariëlle dus behoorlijk mee.” Frank dacht even na en kwam tot dezelfde conclusie als ik.
“Nou, dan kapt ze toch met dat zwemclubje? En daarna kan ze los gaan…” Ik gniffelde. “In iets andere, wat minder subtiele bewoordingen heb ik haar exact dezelfde tip aan de hand gedaan, schatje. Maar ik ben blij dat jij er precies zo over denkt als ik. Teken dat wij best wel goed bij elkaar passen.” Ik gaf hem een zoen. “Ondanks dat jij in Den Haag de botte hork uit ging hangen…”, vervolgde ik plagend. Hij stompte me. “Jij bent soms ook niet al te subtiel, lekkere meid. Ook op dat gebied zijn we wel aan elkaar gewaagd.”
“Wat ga je morgen doen, Frank? Want ik zag dat je agenda voor morgen nog leeg was. Best zeldzaam voor jou…” Hij rekte zich uit. “Morgen ga ik een dagje freewheelen in Ede. Gerben is helpdesk, ik kan dan wat administratie bijwerken, zonder dat ik jengelende klanten aan de lijn krijg. Ook wel eens lekker. En als bonus kan ik de stekker van m’n laptop weer eens in een stopcontact onder m’n bureau steken. Daar waar twee prachtige benen op me wachten… Benen die nu helaas in spijkerbroek verpakt zitten.” “Het is niet altijd feest, Frank Veenstra. Een meisje wil ook wel eens ongenuanceerd met haar benen uit elkaar op de bank hangen, zonder dat ze bang hoeft te zijn voor inkijk van geile kerels.” Ik voegde de daad bij het woord: Zakte onderuit en zette mijn benen uit elkaar. Niet bepaald charmant overigens en dat vond Frank ook. “Je zit erbij als een bouwvakker na een dag keihard buffelen op de steiger, schat.”
Ik gaapte. “Klopt. Geef me dus maar een biertje, bikkel.” Hij keek me twijfelend aan. “Ga jij alcoholist worden? Eerst midden op dag whisky en nu een biertje? Zal ik meteen de chips maar pakken? Dan kijken we samen ‘Goede tijden, slechte tijden’ en vervolgens de Postcode Miljoenenjacht of zo. Om rond tien uur maar naar bed te gaan, want morgen moet jij natuurlijk ijselijk vroeg op om weer op die steiger te staan…” We grinnikten samen. “We gaan eerst maar eens koken en lekker eten, mooie kerel van me. Of moeten er nog boodschappen gedaan worden?” Hij schudde zijn hoofd. “Ik heb bloemkool in de koelkast. Runderlapje erbij, lekker gaar laten stoven, aardappels en een puddinkje. En daar ga ik nú mee beginnen; dat vlees moet een tijdje stoven. Ga jij maar iets leuks doen.” Ik trok hem naar me toe. “Als ik ‘iets leuks’ ga doen, komt er van koken voorlopig niets, Frankieboy…” Hij duwde me van zich af. “Laat me maar los. Geen zin om een ongeschoren metselaar te zoenen, dank je wel.” Ik keek hem boos aan. “Lomperd…” Zijn ondeugende trekje gleed om zijn mond en ik trok hem toch weer tegen me aan. “Wel een lekkere lomperd…” mompelde ik tussen twee zoenen door.
Daarna gingen we koken: Ik de aardappelen en de bloemkool, Frank het vlees en de jus. Het toetje was makkelijk: uit de koelkast halen en opeten. Een uurtje later zaten we uit te buiken; het was nét zes uur. Vroeg voor onze begrippen! “Dame… U heeft geen sexy rokje aan en redelijk terreinvaardige schoenen. Wat dacht u van een wandelingetje? De bossen hier achter eens bekijken? Daar staat een vogelkijkhut bij een plas; met een beetje mazzel kunnen we daar een ijsvogel zien.” IJsvogel? Het is midden in de zomer, dwaas.” Frank zuchtte. “De ijsvogel dankt zijn naam niet aan temperatuur, maar aan zijn kleur. IJsblauw. Ik geloof het kleinste vogeltje van Nederland. Lijkt wel wat op een kolibri en is zeldzaam. En hier vliegen er een paar. De grootste kolonie zit in Flevoland, als ik me niet vergis.” Ik stond op. “Oké. Maar ik trek toch andere schoenen aan, Frank. Deze schoentjes zijn weliswaar ‘terreinvaardiger’ dan mijn pumps met zeven centimeter hoge naaldhakken, maar…” Ik liep naar de slaapkamer; daar had ik een paar weken terug een paar goeie wandelschoenen neergezet. En daarmee kwam ik weer boven. “Ik ben er klaar voor, Frank.” “Mooi. Ik neem m’n camera mee, je weet nooit. En m’n zaklampje.”
Hij pakte zijn ‘politiezaklamp’, dat hele felle ding. “Als je daarmee gaat schijnen zijn die vogeltjes écht verdwenen, schat.” Hij keek om. “Klopt. De wilde zwijnen ook.” Hij grijnsde om mijn gezicht en vervolgde: “Liefje…” We liepen even een stukje langs de grens van het vliegveld, toen sloeg Frank een bospad naar het zuiden in. Het geluid van de A50 vervaagde tot een zacht gebrom wat nauwelijks meer te horen was. Alleen een enkele motorrijder die het gas lostrok was op een gegeven moment goed te horen. “Zeker zo’n Japans toerenmonster”, mopperde Frank. “Lawaaimachines…” Even daarna was het weer rustig. We liepen een stuk door het bos, tot we langs een boerderij kwamen. Met een grote, brede schuur. “Dat zou je hier niet verwachten”, zei ik, naar de schuur kijkend. “Van dezelfde bouwers als onze slaapkamer, schat”, merkte Frank op. “Wát? Een Duitse boerderij?” Hij corrigeerde me. “Nee. Een Duitse reparatiehangar, gecamoufleerd als boerderij. In, wat nu een schuur is, repareerden de Duitsers hun vliegtuigen. Ik ben er geweest toen ik hier nét woonde, om kennis te maken met mijn buren. Want dat zijn het. En die schuur bestaat aan de binnenkant uit stalen, gebogen spanten. Geen enkele pilaar in het midden. De eigenaar vertelde dat er twee Messerschmidts 110 in konden. Nachtjagers. En niet de kleinsten.” Hij wees. “En vanaf deze ‘boerderij’ kun je met zo’n vliegtuig in één keer door naar de rolbaan en het vliegveld op. Men heeft de boerderij na de oorlog verkocht aan, jawel: een boer en die mag op het vliegveld zelf gewassen verbouwen. En zo zijn er nog een paar ex-hangars, die nu een agrarische bestemming hebben.” Ik keek. “Nou ja… Dat is dan wel weer goed van Defensie. Terug naar de natuur en zo.” Hij knikte. "Ja. totdat de pleuris uitbreekt en dit vliegvel weer in gebruik wordt genomen. Fulltime. En dan zitter wij best op een link stukje Nederland, schat."
Ik keek naar de boerderij en de grote schuur. “Nooit bij stilgestaan, Frank…” Hij sloeg een arm om me heen. “Da’s ook niet dagelijks nodig, schat. Je zou er vreselijk depri van worden. Maar het is wél goed om wat aan ‘risico-assessment’ te doen. En dat heb ik gedaan. In mijn schuurtje staat een klein diesel-aggregaat. Ik heb een kooktoestel op gasflessen. Een waterzuiveraar. Voldoende eten voor een maand of drie, nou ja… als jij bij me intrekt een kleine maand waarschijnlijk, maar…” Ik stompte hem. “Jij denkt dat ik twee keer zoveel als jij eet?” Hij grinnikte. “Het komt erop neer dat ik, dat wij als jij hier ook gaat wonen, onszelf aardig kunnen redden. En als hij valt… Dan maar recht op m’n kop, schat.”
Ik begreep wat hij bedoelde; de ‘schaduwmensen’ in Hiroshima. Zó liepen ze door de stad, zó waren ze weggevaagd door de atoombom. Het enige wat van hen over was, was hun schaduw op de verder geblakerde muur… Ik huiverde. Frank greep me onder mijn arm. “Kom, we lopen verder. Geen leuk onderwerp voor een avondwandelingetje.” “Dat kun je wel stellen…” zei ik zachtjes. Een kwartier later kwamen we bij de vogelkijkhut aan en we gingen zachtjes naar binnen. Een open plek in het bos lag voor ons, delen in de laagstaande zon, delen in de schaduw. Hoe dan ook: het was een prachtige plek. Vogels hoorden we genoeg om ons heen, maar we zagen er niet zoveel. “Als er onweer dreigt, dan zie je er veel”, zei Frank zachtjes. “Boerenzwaluwen met name, die op laagvliegende muggen jagen. En af en toe een ijsvogeltje. Maar die kans acht ik vanavond klein. Ik ben geen ornitholoog, maar het is rustig. De verkeersleiding kan met de poten op het bureau koffiedrinken.”
Ik keek niet-begrijpend. “De verkeersleiding voor de vogeltjes, Gon…” Ik schudde mijn hoofd. “Dwáás…” Na een kwartier stond Frank op. “Kom, we gaan naar huis.” “Waarom nu al? Het is hier zo mooi… Zo rustig…” Hij knikte. “Klopt. En daarom worden de wilde zwijnen nu ook wakker en gaan uit eten. Wil ik niet tegenkomen, schat.” Oh ja… Via een ander pad liepen we terug. Frank was duidelijk op zijn hoede; hij liep niet gearmd en had dat kleine, felle zaklampje constant in zijn hand.
Ik was best een beetje opgelucht toen we voordeur van het huis achter ons sloten. “Ik wil ook zo’n zaklamp, Frank. Als ik eens een keer alleen wil wandelen…” Hij knikte. “Prima plan. Wil je ook koffie?” “Doe maar. Maar niet te sterk, graag. En by the way: áls hier al een wild zwijn in de buurt zou zitten, wordt die meteen weggejaagd door jouw lawaai-koffiemachine.”
Hij grinnikte. “Waarom denk je dat ik dat ding gekocht heb? Niet omdat de koffie zo bijzonder is, hoor…” “Leugenaar”, schamperde ik...
Er zijn nog geen trefwoorden voor dit verhaal. Welke trefwoorden passen volgens jou bij dit verhaal?
Geef dit verhaal een cijfer:
5
6
7
8
9
10

Ontdek meer over mij op mijn profiel pagina, bekijk mijn verhalen, laat een berichtje achter of schrijf je in om een mail te ontvangen bij nieuwe verhalen!
