Lekker Anoniem Webcammen!
Donkere Modus
Door: Jefferson
Datum: 10-02-2026 | Cijfer: 8.9 | Gelezen: 163
Lengte: Lang | Leestijd: 27 minuten | Lezers Online: 3
Mannen Onder Elkaar
Het duurde even voordat we volledig opgefrist en aangekleed waren. Vooral in stilde, maar met veel warmte. Blikken en opgelucht gezucht was wat het tastbaar maakte. Het voelde alsof niemand kon geloven wat er nu precies gebeurd was. Een vrij plotselinge explosie van opwinding en openheid. Een nacht zonder slaap. Maar de tijd goed besteed, zou ik zeggen.

Aangezien er al leven was in de woonkamer, wilde ik niet dat Kamila zonder mij naar binnen stapte. Niet omdat ik haar wilde controleren, maar omdat ik voelde dat dit moment gedeeld moest worden. Ja, wat hadden ze dan gedacht? Natuurlijk hadden wij iets van seks gehad. Ze was ten slotte mijn vriendin. En zo ontzettend lekker. Ik zou wel gek zijn om dat te ontkennen. Het voelde bijna kinderachtig om er überhaupt over na te denken, en toch gebeurde het. Toen we binnenstapten, trokken ze een vreemd gezicht. Geen afkeuring, geen jaloezie — eerder verrassing, alsof we een ongeschreven regel hadden overtreden. Maar we waren toch zeker niet de enige geweest daarin? Het voelde bijna vijandelijk, en die vibe kwam vooral van Jeff.

Joey was bezig in de keuken en dekte de tafel nog wat na, overdreven zorgvuldig bijna, alsof hij zich vastklampte aan routine. Mussa en Jeff zaten stil, bijna verveeld, onderuitgezakt op de bank. Hun houding was nonchalant, maar hun blikken waren alert. Dat ze zo keken, kwam niet alleen doordat ik met Kamila naar buiten was geweest, maar vooral omdat achter mij meteen Pawel volgde, met Maja naast zich. Die volgorde, dat beeld, zette iets in beweging. De blik van Jeff op Maja vond ik verontrustend. Waarom kwamen zij gisterenavond samen binnen? Ik was het zeker niet vergeten, maar wilde vooral genieten van het positieve tot nu toe.

‘Dacht al wat geluiden te herkennen,’ zegt Jeff dan juist, met een toon die hij zelf waarschijnlijk lollig vindt. Te lollig. Ik zie hoe Pawel meteen zijn vuisten balt, hoe zijn schouders zich aanspannen. Dit kon heel snel verkeerd gaan. Niet explosief misschien, maar sluipend, giftig.

De meiden handelen het echter sneller af dan ik had verwacht. Alsof ze elkaar zonder woorden begrijpen. Met elk een kus op de wang van degene bij wie ze horen, maken ze zich met enig schaamrood uit de voeten. Geen drama, geen verklaringen. Alleen zachte aanrakingen en vermeden blikken. Alsof ze feilloos aanvoelen dat dit moment niet van hen is, dat hier iets moet worden uitgevochten wat zij niet kunnen oplossen. En zo lieten we de meiden weer gaan, na zo innig verbonden te zijn geweest. Hun warmte verdween, kilte kwam ervoor terug.

Blijkbaar was het idee dat de jongens samen zouden ontbijten en de meiden apart. Mannen onder elkaar. Iets vertrouwds, iets ouds. Maar van die vanzelfsprekendheid bleef weinig over. Want die vanzelfsrpekendheid bestond helemaal niet. Wellicht tussen hen drie. Maar ik en Pawel waren nog altijd de buitenstaanders. Er hing meteen een verstikkende spanning in de ruimte, dik genoeg om te snijden. Je zou het zo op brood kunnen smeren. Het soort stilte waarin elk woord te hard klinkt en elke beweging te veel betekenis krijgt.

Jeff die zegt ‘geluiden te herkennen’ verwijst onmiskenbaar naar zijn verleden met Maja, waarin ze Pawel vrolijk met hem bedroog en hij deed alsof het hem niets deed. Tegelijk weet ik dat zijn eigen vriendin vannacht met een ander lag te neuken op zijn kamer. Weet hij dat al? Wij weten hoe Nathalie klinkt... Ironie heeft soms een wrange smaak. Gedachten die ik Pawel nog niet verteld had. En dat was nu maar beter ook. Niet alles hoeft tegelijk op tafel.

‘Gezellig met z’n vieren?’ vraagt Jeff door. ‘Kan me die tijden ook nog wel herinneren.’ Zijn glimlach blijft net iets te lang hangen. Het is pure jaloezie. Hij had daar willen zijn.

Dit is het moment waarop Pawel naar hem toe wil stappen. Ik voel het nog voordat hij beweegt. Mijn hand op zijn borst houdt hem nog net tegen. Niet hard, maar beslist. Ik zie hoe geïrriteerd Mussa is, hoe zijn kaak strak staat, hoe hij zijn blik afwendt alsof hij hier liever niet bij betrokken wil zijn, maar er al te diep in zit. Joey komt erbij staan en kijkt van de een naar de ander, zichtbaar niet begrijpend wat hier precies onder de oppervlakte speelt. Voor hem is dit gewoon een ongemakkelijk ontbijt. Voor ons is het veel meer.

Ik voel het scherp: ik ben de enige die het hele plaatje kent. Voor zover dat überhaupt mogelijk is. De verbanden, de nachten, de stiltes daarna. Het weegt.

‘Ziet er goed uit, Joey,’ zeg ik snel, doelbewust luchtig, en breek daarmee heel even de spanning. Mijn woorden klinken bijna misplaatst in de geladen ruimte. ‘Maar misschien is dit wel een goed moment om nog het een en ander te bespreken. Gewoon… zoals mannen onder elkaar.’

Niemand antwoordt meteen. Iedereen staat al op scherp. Mijn woorden voegen daar niets aan toe. Ze leggen het alleen bloot. En terwijl ik dat besef, weet ik ook dat dit gesprek onvermijdelijk is. Nu of later. Liever nu, in het ochtendlicht, dan straks in de schaduw van nieuwe misverstanden.

Dit moment pak ik bewust aan om openheid van zaken te geven en vragen te stellen. Niet impulsief, niet uit woede, maar omdat het simpelweg niet meer te ontwijken valt. Als volwassenen. Geen omwegen meer. Alles op tafel, juist omdat niet iedereen eerlijk is geweest en iedereen dat inmiddels voelt, zelfs degenen die het nog proberen te ontkennen. De stilte in de kamer is niet leeg, maar zwaar en stroperig. Alsof iedereen weet dat dit gesprek er al veel eerder had moeten zijn, maar niemand het lef had om te beginnen.

Ik neem het voortouw. Niet omdat ik per se degene wil zijn die spreekt, of omdat ik denk dat ik moreel boven de rest sta, maar omdat iemand het moet doen. En omdat ik het kan dragen.

‘Luister,’ begin ik, terwijl ik mijn blik langzaam langs iedereen laat gaan, zonder iemand over te slaan. ‘Ik heb geen zin meer in dat halve gedoe. In dingen voelen, weten, vermoeden — maar ondertussen doen alsof er niets speelt.’

Joey fronst en zet zijn kopje harder neer dan nodig is. ‘Wat bedoel je precies?’ vraagt hij. Zijn stem is neutraal, maar zijn ogen verraden dat hij het eigenlijk al weet.

‘Ik bedoel,’ zeg ik rustig, ‘dat we allemaal meer weten dan we uitspreken. Meer gezien hebben dan we toegeven. En dat begint te schuren. In gesprekken, in stiltes, in hoe we naar elkaar kijken.’

Ik probeer het luchtig te houden, bijna speels, omdat ik voel dat het anders meteen escaleert. ‘Zie het als een soort wedstrijd,’ voeg ik toe. ‘Wie heeft het meeste meegemaakt? Wie heeft de meeste gehad? Wie weet het meeste? En wie durft het eindelijk eens hardop te zeggen zonder zich te verschuilen?’

Jeff grinnikt schamper en leunt achterover. ‘Dus jij hebt besloten dat dit therapie-ochtend is?’

‘Zoiets,’ zeg ik. ‘Maar dan zonder doekjes, zonder begeleider, en zonder dat iemand kan weglopen wanneer het ongemakkelijk wordt.’

Het korte lachen dat volgt sterft snel weg wanneer Elisha en Maja ter sprake komen. De lucht verandert voelbaar.

‘Laat Elisha hier even buiten,’ zegt Joey meteen scherp. ‘Dat is nergens voor nodig.’

Ik kijk hem strak aan. ‘Dat bepaal jij niet alleen. Zij maakt er deel van uit. Net als Maja. Net als wij allemaal.’

Joey schudt zijn hoofd. ‘Dit voelt niet oké, man. Dit is geen groepszaak.’

‘Wat niet oké is,’ zeg ik, ‘is doen alsof dit allemaal losstaat van elkaar, terwijl we hier letterlijk samen aan tafel zitten met de gevolgen.’

Wanneer Jeff iets zegt over Maja — achteloos, halfgrappend, zoals hij dat vaker doet — zie ik Pawel verstijven. Zijn kaak spant zich, zijn handen ballen zich langzaam tot vuisten.

‘Hou haar erbuiten,’ zegt Pawel laag, zonder te schreeuwen. Juist dat maakt het dreigend.

Jeff haalt zijn schouders op. ‘Ik zeg alleen wat iedereen toch al weet.’

‘Nog één keer,’ zegt Pawel, terwijl hij rechtop gaat staan, ‘en we hebben een ander gesprek. Geen woorden meer.’

Ik steek mijn hand op, pal tussen hen in. ‘Dit. Dit is precies waarom we hier zitten. Omdat iedereen al te lang op zijn tong bijt en denkt dat stilte hetzelfde is als vrede.’

Eer, verleden en wat niet meer ontkend kan worden — wanneer namen gewicht krijgen

Toch blijft iedereen praten. Eerlijker dan ik vooraf had verwacht, maar nog steeds met haken en ogen.

‘Het is gebeurd,’ zegt Joey uiteindelijk, na een lange ademhaling. ‘Ja. Dingen. In het verleden. Maar dat was toen.’

‘Het verleden stopt niet ineens met bestaan,’ zeg ik. ‘Niet als het nog steeds invloed heeft op hoe we hier nu zitten.’

Dan kijk ik Jeff recht aan. ‘En jij? Wie lag jij eigenlijk te krikken vannacht?’

‘Hoezo ik?’ zegt Jeff defensief, iets te snel. Hier vertelt hij me meer dan ik wilde weten. Hier wilde ik het 'bedrog' van Nathalie bloot leggen, met Mussa. Maar zijn reactie doet mij vermoeden dat hij en Maja wellicht ook al wat hadden gedaan samen. Dan zou ze toch wel een hoertje zijn, al zeg ik dat natuurlijk niet.

De stilte die volgt is anders dan daarvoor. Zwaarder. Dikker. Alsof de ruimte zelf even inhoudt.

Mijn blik schuift langzaam naar Mussa. Hij merkt het meteen en ontwijkt mijn ogen, maar dat bevestigt al genoeg.

‘Zeg het gewoon,’ zeg ik tegen hem. Niet hard. Niet aanvallend. Bijna vermoeid.

Mussa ademt diep in, haalt zijn schouders op, maar zegt niets.

Jeff kijkt van mij naar Mussa. ‘Wacht even…’ zegt hij langzaam. ‘Wat bedoelt hij?’

Mussa zwijgt.

Dat zwijgen is luid genoeg.

Jeff lacht kort, zonder humor, zonder warmte. ‘Serieus? Jij?’ Alsof Jeff het wel verwacht had, maar niet van hem?

Mussa kijkt weg. ‘Het is niet zo simpel.’

‘Het is precies zo simpel,’ zegt Jeff. Zijn stem trilt nu. ‘Je had gewoon je bek open moeten trekken. Tegen mij. Wanneer dan? Vannacht? En dan lig je gewoon op de kamer met mij daarna?’ Maar waar was Jeff dan? Niemand stelt die vraag nu.

Niemand schreeuwt. Niemand slaat. Maar de breuk is voelbaar, als een scheur die al langer bestond en nu eindelijk zichtbaar wordt.

Ik neem het woord weer, omdat ik voel dat dit het moment is waarop het of kantelt, of vastloopt.

‘Laten we één ding niet vergeten,’ zeg ik. ‘De meiden zijn geen bijzaak hierin. Ze spelen een rol. Misschien wel de grootste.’

Pawel knikt langzaam. ‘Dat betekent niet dat ze schuld hebben.’ Zijn woorden zeggen veel, en hoe hij Maja nog niet, of wil zien. Maar Maja zal niet het slachtoffer zijn in deze zaak.

‘Nee,’ zeg ik. ‘Maar wel dat ze keuzes maken. Net als wij. En keuzes hebben gevolgen, of we dat nu leuk vinden of niet.’ Het komt van twee kanten.

‘En dat is ook oké,’ zegt Joey zachter, bijna twijfelend. ‘Toch?’

‘In de kern wel,’ antwoord ik. ‘Verlangen. Vrijheid. Nieuwsgierigheid. Dat is allemaal niet vies. Dat is menselijk.’

Ik kijk de kring rond, laat mijn woorden landen. ‘Maar niet zo. Niet via halve waarheden. Niet via stiltes die alles vergiftigen en iedereen langzaam tegen elkaar opzetten.’

‘Dus wat stel je voor?’ vraagt Jeff, moe maar oprecht.

‘Of we stoppen ermee,’ zeg ik. ‘Met dit alles. Met het doorschuiven, het verzwijgen. Of we doen het open. Geen achterkamertjes meer. Geen spelletjes. Geen aannames.’

‘En regels?’ vraagt Mussa voorzichtig, alsof hij bang is voor het antwoord.

‘Geen meetlat,’ zeg ik. ‘Geen schema’s. Maar wel eerlijkheid. Radicale eerlijkheid. Zodat niemand zich achteraf verraden hoeft te voelen.’

Het blijft stil. Lang.

Dan zegt Pawel, bijna verrast door zijn eigen woorden: ‘Dat is… eerlijk.’

Niemand spreekt hem tegen.

Het landt. Dat voel ik. Niet als opluchting, maar als gewicht. Iets wat iedereen mee naar huis neemt, of liever: mee de toekomst in.

En misschien is die stilte, deze keer, precies wat nodig is.

Als de stilte zijn effect heeft gehad en ik merk wat dit met iedereen doet, besluit ik weer het woord te nemen. Het voelt bijna onnatuurlijk om degene te zijn die de stilte breekt, maar iemand moet het doen. Ik kijk iedereen één voor één goed aan, neem bewust de tijd om hun blikken te vangen. Bij de meesten zie ik onzekerheid. Twijfel. Bij sommigen zelfs iets dat lijkt op schaamte, al weet ik niet of dat terecht is. Maar het is niet onze schuld. En ook niet die van hen. Toch mag het benoemd worden, juist omdat het anders blijft hangen.

‘Kijk,’ zeg ik eerst, en ik wacht tot ze allemaal naar me kijken. Heel even voel ik me de leider van een groep die eigenlijk niet bestaat, een rol die niemand heeft benoemd maar die toch vanzelf bij me lijkt te liggen. ‘Dat die meiden zo geil als boter zijn, is ook niet onze schuld.’

Het blijft even stil. Te stil. Dan barst Jeff plots in lachen uit. Hard, bijna onbeheerst. Het is spanning, maar ook opluchting die eruit moet. Mussa volgt, iets ingetogener, en uiteindelijk lachen we er allemaal om. Niet omdat het zo grappig is, maar omdat het is wat het is. Omdat lachen hier makkelijker is dan blijven zwijgen.

‘Ja, zo is het toch? En gelukkig maar. Stel je voor dat je die meiden zo lekker hebt, en ze walgen allemaal van een pik…’ Ik doe er bewust nog een schepje bovenop, voel dat het kan. ‘Ik had het liever van tevoren geweten. Dan had ik me misschien anders voorbereid. Maar nu zou ik het niet anders willen. Man, wat een weekend. Wat een avond… En toen had ik zelf alleen nog maar m’n eigen meisje gehad…’ verklap ik meer dan misschien nodig is.

Ik ben verrassend open over hoe ik het beleef. Over hoe ik het eerst vond, hoe het me in verwarring bracht, en hoe ik het nu zie. Over de mogelijkheden die ineens voelbaar zijn geworden, bijna tastbaar in de ruimte tussen ons. Ik probeer het te normaliseren, niet om het kleiner te maken, maar om het hanteerbaar te maken. In de hoop dat ze begrijpen dat de situatie waarin we zitten zeker niet normaal is, maar wél is wat het is. En dat het juist daardoor een bijzondere situatie is, eentje waarvoor we dankbaar mogen zijn, hoe ongemakkelijk dat ook klinkt.

Jeff grijnst naar me na mijn woorden. Het is geen open, ontspannen grijns; eerder iets berekends, alsof hij alvast vooruitloopt op iets wat hij zelf nog niet hardop wil maken. ‘Je weet het wel te brengen,’ zegt hij. Zijn toon is licht, bijna complimenteus, maar zijn ogen blijven net iets te lang hangen, niet op mij, maar langs mij heen, alsof hij de ruimte scant op kansen.

Voor de meesten klinkt het als erkenning. Voor mij niet helemaal. Ik zie hoe hij dit gesprek niet leest als een poging tot helderheid, maar als een opening. Alsof hij luistert om te bepalen wat hij straks kan gebruiken, niet om te begrijpen wat hier werkelijk op het spel staat. Hij snapt dat ik probeer de vrede te bewaren, de boel niet te laten ontsporen — maar ik voel ook dat hij daar iets anders in ziet: een deur die op een kier staat, niet om samen doorheen te lopen, maar om zelf als eerste door te glippen.

‘Toen ik zag hoe Elise zich door jullie liet nemen…’ zeg ik dan, voor het eerst echt hardop, waar iedereen bij is. Ik voel een lichte spanning in mijn borst, een kort moment van aarzeling, maar ik dwing mezelf door te praten. ‘Man, ik wist niet waar ik moest kijken. Of wat ik ervan moest vinden. Het raakte van alles tegelijk. Verwarring, jaloezie, opwinding. Maar toen ik begreep dat ze tijdens de seks op haar mooist is, dat dit is waar ze in opgaat, snapte ik dat dit nu eenmaal zo is. En dat geldt niet alleen voor haar. Dat geldt voor ze allemaal. Van de helft kan ik het inmiddels zelf weten.’

Ik leg het uit. Vertel het ze, zonder details mooier te maken dan ze zijn en zonder ze zwaarder aan te zetten dan nodig. Ik probeer nog steeds het voortouw te nemen, maar zonder een richting af te dwingen. Geen plan, geen agenda, geen eindpunt. Gewoon woorden waar al te lang omheen werd gelopen.

Ze knikken. Langzaam. Beseffend. Eén voor één. Allemaal. Echt allemaal. Het landt, voelbaar en onomkeerbaar.

‘We krijgen misschien niet altijd wat we nog zouden willen,’ ga ik verder, rustiger nu. ‘En nee, dat is soms frustrerend. Dat schuurt, dat wringt. Maar mannen, kom op. Kijk eens goed wat we hebben. Kijk waar we middenin zitten. En ik zeg echt niet dat we maar moeten neuken en nemen wat we kunnen. Dat is niet het punt. Het punt is dat we stoppen met dat schijnheilige gedoe. Met doen alsof dit allemaal per ongeluk gebeurt. Alsof niemand keuzes maakt.’

Ik kijk ze opnieuw aan en houd hun blikken vast. Niemand kijkt weg. Een enkeling grinnikt zacht, omdat het na al die jaren van geheimzinnigheid ook iets absurds heeft om het zo open te benoemen. Maar zelfs dat grinniken voelt meer als erkenning dan als verzet.

‘Wie weet wat er dan weer voor moois kan gebeuren,’ besluit ik uiteindelijk. Mijn stem is kalmer, minder dwingend. ‘Besef gewoon dat dit echt heel bijzonder is. Zo’n groep. Zo’n band. Zo’n geschiedenis. Dat krijg je niet nog een keer. En het hoeft ook niet te eindigen. Misschien kunnen we hier juist een eerste stap zetten. Gewoon om wat van die spanning eraf te halen. Om eerlijker te worden, naar elkaar toe.’

Weer knikken ze. Niemand zegt iets, maar het hoeft ook niet. Even staan we daar als broeders. Broeders die elkaars meisjes naaien — maar wat zou het. Blijkbaar kon dat ook. Of kon dat weer, in een andere vorm, met andere afspraken, andere woorden.

Ik laat de stilte nog even hangen en voel hoe mijn woorden doorwerken, hoe ze zich vastzetten in hoofden en lichamen. Dan knik ik kort, meer naar mezelf dan naar hen, en besluit me op te frissen. Ik voel me behoorlijk verpauperd na afgelopen nacht, hoe mooi, verwarrend en spannend die ook was geweest, alsof mijn lijf en mijn hoofd nu pas beginnen te begrijpen wat er allemaal is gebeurd.

Als ik na een douche weer de kamer inloop, is iedereen verspreid. Het voelt leeg op een manier die niet rustig is, maar nadenkend. Pawel zit op onze kamer. Alleen. De rest is weg. Die waren al naar boven gegaan. Naar de meiden.

Ik heb goed nagedacht over mijn woorden. Over wat ik zei, en vooral over waarom ik het zei. Meende ik ze echt? Of wilde ik vooral dat ze waar waren? Dat verschil voelt ineens belangrijker dan ik had verwacht. Het gesprek lag nog vers in mijn lijf; niet als spijt, maar als gewicht.

Ik ging er tot nu toe vanuit dat de magie die ik ervaar met een aantal van die meiden, dezelfde magie was die de andere jongens voelden met een aantal van die meiden. Dat het uitwisselbaar was, of in elk geval vergelijkbaar. Een soort gedeelde grond, waarop we allemaal stonden zonder het uit te spreken.

Maar was dat wel terecht? Of projecteerde ik mijn eigen ervaring op hen, omdat dat het makkelijker maakte om alles te plaatsen? Nu ik Pawel daar zo alleen zie zitten, dringt zich een andere mogelijkheid op: dat wat voor mij vanzelfsprekend voelt, voor een ander misschien juist ingewikkeld is. En dat de stilte tussen ons meer zegt dan alle woorden die we eerder hebben gebruikt.

Het was stof tot nadenken. En veel ook. Dat wist ik zeker. Voor iedereen. Ook voor mij. De afgelopen uren bleven zich in mijn hoofd herhalen, niet als losse beelden, maar als een samenhangend geheel dat langzaam begon te landen. Er was iets verschoven. Iets onomkeerbaars, al kon ik het nog niet precies benoemen. Maar ik voelde het, diep genoeg om te weten dat dit geen bijzaak was.

Met gevoel voor ruimte loop ik even later terug naar onze kamer, wetende dat we zo wel bij de meiden verwacht worden, die van de gelegenheid gebruik hadden gemaakt om ergens in de stad te gaan koffie drinken. Ik neem bewust de tijd, vertraag mijn pas, alsof ik daarmee ook mijn gedachten kan ordenen. Eenmaal binnen maak ik me klaar, maar zit ik al snel tegenover een nerveuze Pawel. Net als vanochtend. Maar nu niet met een mooi meisje pijpend tussen onze benen. Gek genoeg was dát minder ongemakkelijk dan dit moment, waarin woorden zwaarder wegen dan lichamen.

Hij zit op het randje van het bed, zijn houding iets te recht, alsof hij elk moment wil opstaan en vluchten. Ik rommel wat in mijn tas, puur om iets te doen te hebben, en vermijd zijn blik. Niet uit onwil, maar omdat ik voel dat hij degene moet zijn die dit openbreekt.

‘Doe je dit door na vanochtend?’ vraagt hij uiteindelijk, nadat hij een minuut zwijgend heeft gekeken hoe ik wat spullen pakte en mijn best deed geen oogcontact te maken. Zijn stem is voorzichtig, aftastend. Als hij iets te zeggen had, moest hij dat maar doen. Dat was ten slotte mijn punt geweest.

‘Nee,’ zeg ik meteen, zonder aarzeling. Dit ging niet om Pawel. Dit ging juist om die andere gasten. Hun verleden, niet het onze. ‘Ik denk dat wij al aardig op één lijn zitten. Nu de meiden nog, misschien.’ Ik haal mijn schouders op en lach kort. ‘Maar dat zien we wel. Vanochtend voelde het goed. Hoop voor jullie ook.’

Pawel ademt zichtbaar uit. Zijn schouders zakken een fractie. Hij knikt eerst, langzaam, alsof hij zijn eigen gevoel nog even checkt, en zegt dan eerlijk: ‘Ja. Dat voelde beter dan ik dacht. Vertrouwd, op de een of andere manier. Alsof het klopte. Zo zag ik het vaak voor me. Maar zo was het nooit.’

Die zin blijft even hangen. Niet zwaar, maar wel betekenisvol. Het zegt me genoeg. Ik weet nu beter waar hij staat, en wij moeten daar ook iets mee. Niet meteen, niet alles tegelijk, maar wel serieus. Het hoeft niet stiekem. En dit kan morgen weer. Of overmorgen. Misschien kunnen de dames dan wel wat vaker wisselen. Als ze willen. Als wij dat willen. En echt niet alles hoeft voorgekauwd te worden. Liever niet zelfs. Juist die open ruimte maakt het spannend.

Ik hou van die spanning van het onbekende. Die lichte onrust, dat gevoel dat er iets kan gebeuren zonder dat het vastligt. Spanning die ik heb meegenomen uit mijn tijd met Elise. Dat ging soms te ver. Daar hebben we ook van geleerd. Ik wil me niet afvragen of Kamila vreemd zou gaan, en of ik daar dan geil van zou worden. Dat soort twijfel vreet. Ik wil het weten. Dat het kan en mag. Dat het uitgesproken is. Zodat ik zeker weet dat ik daar geil van wórd. En andersom: weten dat het kan. Omdat ik weet dat ze me vertrouwt. En ik haar.

Dat is voor mij het verschil tussen fantasie en werkelijkheid. Tussen toeschouwer zijn en deelnemer worden. Als de rest van de groep zo met elkaar zou kunnen leven, is er juist van alles mogelijk. Misschien wel meer dan ze ooit gedaan hebben. Meer dan ze durfden te verlangen. En dan wil ik geen toeschouwer meer zijn, geen man aan de zijlijn die alleen observeert en interpreteert.

Wij hadden de grootste stap al gezet. Dat voelde ik scherp. Nu de rest nog, elk op hun eigen tempo, met hun eigen aarzelingen. En ik voelde me zeker genoeg om daar een beetje de leiding in te nemen. Niet dwingend, niet als spelbederver, maar als iemand die de contouren ziet. Alsof ik wist wat iedereen nodig had. En wist hoe ik ze dat moest geven. Misschien is dat hoogmoedig. Misschien projecteer ik te veel. Maar we komen er maar op één manier achter.

Dus gaan we door. Zonder strak plan. Zonder garanties.

Het is zaterdag. En het begint weer. Een ongetwijfeld boeiende dag na een zeer boeiende, bomvolle vrijdagavond. Wat zeg ik—deze ochtend was al boeiend begonnen, nog voordat we goed en wel wakker waren. En dat had ik niet alleen aan mezelf te danken. Het was een samenspel geweest, van blikken, keuzes en vertrouwen.

Dat gaf me nog de meeste moed. Het besef dat dit niet iets is wat ik alleen draag, alleen wil of alleen duw. Ik ben niet de enige die meer wil. En dat verandert alles.

Maar zoals vaker, was ik te overmoedig. Blind voor wat ik niet kon zien, of begrijpen. Als ik mijn telefoon pak, zie ik de berichtjes van Kamila, allemaal lief en gewenst. En een kort, dringend berichtje van Maja. Om haar te ontmoeten in het trappenhuis. Kwartiertje terug. Moest gelijkkomen. Ik kies ervoor om het Pawel niet te zeggen. Dat bleek een goeie keuze te zijn.
Geef dit verhaal een cijfer:  
5   6   7   8   9   10  
Klik hier voor meer...
Klik hier voor meer...