Door: Leen
Datum: 25-02-2026 | Cijfer: 9.8 | Gelezen: 86
Lengte: Lang | Leestijd: 26 minuten | Lezers Online: 1
Trefwoord(en): Fantasy, Frankrijk, Middeleeuwen, Tijdreizen, Verlangen,
Lengte: Lang | Leestijd: 26 minuten | Lezers Online: 1
Trefwoord(en): Fantasy, Frankrijk, Middeleeuwen, Tijdreizen, Verlangen,
Vervolg op: Het Satorvierkant - 41: De Drie Honden
De Gebroken Spiegel (1)
1066. De Grot achter de waterval.
De stilte na Wulfbehrts woorden valt als een loodzware deken over de chaos in de grot. De wereld pauzeert. Het oorverdovende gebrul van de waterval bij de ingang vervaagt plotseling tot een dof, onbetekenend geruis. De flakkerende vlammen van de fakkels lijken halverwege hun dans in de kille lucht te bevriezen. Er rest enkel dit ene, onmogelijke moment in het centrum van de ruimte. Twee mannen staren elkaar aan. Ze delen exact hetzelfde gezicht, maar een onoverbrugbare kloof van duizend jaar aan bloedige geschiedenis scheidt hen. Wolf kijkt in de ogen van de middeleeuwse smid en ziet zijn eigen donkere irissen. Hij herkent de hoekige kaaklijn onmiddellijk. Hij ziet de strakke, bekende trekken van zijn eigen spiegelbeeld. Toch is dit geen gewone spiegel. Hij kijkt naar een veel hardere, rauwere versie van zichzelf. Zwart roet, opgedroogd bloed en diepe, bleke littekens tekenen het ruwe gezicht van Wulfbehrt. Het meedogenloze vuur van de smidse en de brute strijd van de donkere middeleeuwen hebben deze man onherroepelijk gesmeed.
Wulfbehrts zware hand rust op Wolfs schouder. De smid knijpt zijn dikke vingers samen. Hij voelt de vreemde, onnatuurlijk gladde textuur van de moderne jas en zijn hersenen proberen de waarneming wanhopig te plaatsen. De fysieke aanraking slaat een directe brug over een afgrond van tien eeuwen. Een onzichtbare schokgolf van pure, rauwe herkenning schiet door hen beiden heen. Dit is geen simpele ontmoeting tussen twee vreemden. Dit is geen verre bloedverwantschap. Het voelt als de langverwachte, pijnlijke hereniging van een verscheurde ziel.
Wolf snakt naar adem. De lucht ruikt hier penetrant naar natte as, koper en oud zweet. Zijn verstand weigert de gruwelijke realiteit te accepteren en zoekt wanhopig naar een logische verklaring. Maar zijn hart herkent de absolute waarheid onmiddellijk. Dit is de mysterieuze man uit de schaduwen. Dit is de oorsprong van zijn eigen, levenslange rusteloosheid. Wulfbehrt kijkt strak terug en een grimas trekt rond zijn bebloede mond. Hij ziet een zekere zachtheid in de ogen van zijn jongere evenbeeld. Hij ziet een onschuld die hijzelf lang geleden in de hitte van de smidse achterliet. Maar hij herkent vooral het onderliggende vuur. Hetzelfde onbuigzame ijzer stroomt onmiskenbaar door hun beider aderen. Ze delen deze blik voor een fractie van een seconde, maar het moment voelt als een heel mensenleven. De grens tussen het bloedige verleden en de onzekere toekomst vervaagt en lost volledig op in hun stille verbinding.
Dan scheurt de realiteit letterlijk in stukken. De aanwezigheid van twee identieke zielen in exact dezelfde tijdlijn tart elke fundamentele natuurwet. De tijdstroom weigert deze paradox ten stelligste. Het universum beantwoordt de onmogelijkheid met puur, ongefilterd geweld. De luchtdruk in de grot daalt zo abrupt dat ademhalen fysiek pijn doet in de longen. Een diep, aards gekreun trilt door de massieve kalksteen. Het klinkt alsof de oeroude berg plotseling ontwaakt en het uitschreeuwt van een ondragelijke pijn. Scheuren schieten als zwarte bliksemschichten door de massieve rotswanden. Wolken grijs gruis en vlijmscherpe stenen regenen vanaf het onzichtbare plafond naar beneden. Ze kletteren ritmisch in de plassen stilstaand bloed op de vloer. De lucht in de afgesloten ruimte knettert intens en ruikt plotseling scherp naar ozon. De agressie van een op hol geslagen, bovennatuurlijke storm vult de grot. Blauwe vonken van statische elektriciteit springen onvoorspelbaar over de natte, stalen maliënkolders van de ridders. De gewapende mannen krimpen ineen van de onverwachte schokken en slaan in blinde paniek naar hun eigen brandende wapenrusting.
Achter Maryam kolkt het portaal wild en totaal onbeheersbaar. De doorgang gedraagt zich als een gapende, bloedende wond in het weefsel van de tijd. Het portaal wil wanhopig sluiten om het universum te genezen. Maar de onmogelijke kracht van de twee stenen verzet zich met man en macht daartegen. De artefacten stoten elkaar af met een brute, magnetische woede en vreten de opening keer op keer verder open. De randen van het portaal rafelen uit tot lichtgevende draden. De opening zuigt de mist met een meedogenloze zuigkracht de leegte in.
In Maryams hand brandt de oeroude steen met een vernietigende hitte. Het oppervlak straalt een diep, oceanisch kobaltblauw uit. De kleur is zo intens dat het de natuurlijke schaduwen in de grot volledig opslokt. Wolfs hand trilt hevig onder het plotselinge, immense gewicht van zijn eigen versie. Daarin straalt het identieke artefact met een fel, wit-elektrisch licht. Het licht snijdt als een fysiek mes door de duisternis en verblindt iedereen die ernaar durft te kijken. De twee stenen reageren heftig op elkaars aanwezigheid. Ze ontwaken volledig uit hun sluimer en beginnen luid te zingen. Het is geen menselijke melodie. Het is een ijzingwekkende, onnatuurlijk hoge toon die merg en been meedogenloos doorboort. De trilling resoneert direct in de schedels van alle aanwezigen. Het bouwt een ondraaglijke, bonzende druk op achter hun ogen en dreigt het resterende verstand van elke mens in de grot definitief te verbrijzelen.
Graaf Robert deinst in eerste instantie achteruit. Een bovennatuurlijke, ijskoude angst verbrijzelt zijn arrogante masker. Zijn ogen vliegen schichtig door de ruimte. Hij staart naar de met roet bedekte smid, kijkt dan vol ongeloof naar de moderne vreemdeling en fixeert zijn blik ten slotte op de twee gloeiende stenen in hun handen. Zijn verstand kan de beelden niet verwerken. Maar deze existentiële angst duurt echter slechts enkele seconden. De waanzin van pure, grenzeloze hebzucht neemt de controle over zijn geest genadeloos over. Zijn donkere ogen vernauwen zich tot spleetjes. Ze beginnen te glimmen met een ziekelijke, fanatieke honger. Een normaal mens ziet hier de onmiskenbare ondergang van de wereld en zoekt dekking. Robert de Duivel ziet slechts de belofte van pure, onbegrensde macht. Twee goddelijke artefacten. Twee ultieme sleutels tot absolute, aardse goddelijkheid. Het zweet breekt hem uit bij de gedachte aan de legers die hij hiermee kan commanderen.
"Dood de demonen!" brult Robert. Het speeksel vliegt in dikke druppels over zijn lippen. Zijn stem kraakt en slaat over door een alles verterende, hysterische hebzucht. "Snijd hun handen af! Hak ze in stukken! Breng me onmiddellijk de stenen!" Dit wrede, kille bevel verbreekt de tijdelijke, bovennatuurlijke betovering in de grot. De blinde moordzucht van hun meester spoort de soldaten aan. Ze onderdrukken hun natuurlijke angst, brullen een strijdkreet en stormen met getrokken, kletterende wapens direct naar voren.
Wolf en Wulfbehrt belanden onmiddellijk in een dodelijke, asynchrone dans. Ze wisselen geen enkel woord en communiceren louter op instinct. Ze draaien zich in één vloeiende, onbewuste beweging rug aan rug. Wolf voelt de harde spierspanning en de hitte van de smid door zijn eigen kleding heen. Ze zijn twee versies van exact dezelfde krijger. Totaal verschillende eeuwen hebben hun lichamen gesmeed en hun geesten getraind. Nu vormen ze samen een ondoordringbare, ademende cirkel van verdediging in het hart van de bloedige chaos.
Wulfbehrt vecht met de brute, ritmische vernietigingskracht van een man die zijn hele leven onbuigzaam staal heeft bewerkt. Elke zwaai van zijn arm is berekend en doordrenkt met pure oerkracht. Zijn zware, brede zwaard klieft meedogenloos door schilden, scheurt door maliënkolders en verbrijzelt menselijke botten alsof het droge twijgen zijn. Hij vormt een onwrikbare, massieve muur van spieren, heet roet en rauwe woede. De geur van vers bloed en geperforeerde ingewanden stijgt onmiddellijk op rondom hem.
Achter zijn brede rug vecht Wolf een compleet andere, veel wanhopigere strijd. Hij is absoluut geen getrainde zwaardvechter. Zijn hart hamert als een op hol geslagen drilboor in zijn keel. De adrenaline pompt pure, blinde overlevingsdrang door zijn aderen. De stank van de middeleeuwen beneemt hem bijna de adem. Een roestige, bloeddorstige strijdbijl zwaait met dodelijke precisie recht op zijn gezicht af. Wolf ontwijkt het zware wapen net op tijd met een snelle, berekende zijstap. Hij gebruikt instinctief de reflexen en het ritmische voetenwerk uit de veilige, felverlichte boksring van zijn sportclub. Zijn spieren herinneren zich de zachte matten en de dikke handschoenen. De keiharde, glibberige en bebloede grotvloer vormt echter een verschrikkelijk contrast. Hij glijdt bijna uit, stapt snel achteruit, zoekt wanhopig naar zijn balans en heft in een reflex zijn hand op ter verdediging tegen een volgende aanval.
Het witte Amulet in zijn open handpalm reageert direct op zijn acute doodsangst. De steen absorbeert zijn paniek en zet dit om in energie. Een stroboscopische flits van puur, verblindend licht ontploft met de kracht van een blikseminslag uit de buitenaardse steen. Het felle, onnatuurlijke licht verblindt de middeleeuwse aanvallers onmiddellijk. De voorste twee soldaten schreeuwen het uit van de intense pijn. Ze knijpen hun brandende ogen stijf dicht, grijpen wanhopig naar hun gezicht en laten hun zware wapens kletterend op de stenen vallen. Wolf maakt genadeloos gebruik van deze onverwachte, lichtgevende chaos. Hij stapt razendsnel naar voor, grijpt de handgreep van de gevallen bijl van een blinde soldaat en slaat de man met de botte kant snoeihard tegen de slaap. De man zakt direct bewusteloos in elkaar. De witte steen in Wolfs hand blijkt een krachtig, eigenzinnig wapen op zich. Het artefact pulseert exact op de wilde hartslag van zijn drager en creëert aanhoudend gaten in de aanvalslinie met felle, desoriënterende lichtflitsen. Wulfbehrts genadeloze, kletterende staal breekt daar vervolgens meedogenloos en dodelijk doorheen.
De verblindende lichtflitsen van Wolf en het moordende staal van Wulfbehrt dringen de soldaten langzaam maar zeker terug. Aan de rand van deze meedogenloze overlevingsstrijd, half verborgen in de schaduwen, voltrekt zich echter vrijwel onopgemerkt een ander, veel stiller drama. Bastien drukt Mathilde nog steeds ruw en pijnlijk tegen de koude, vochtige rotswand. De brute soldaat knelt zijn grote, eeltige hand als een ijzeren bankschroef om haar tengere bovenarm. Toch ontsnapt ook hij niet aan de totale waanzin in de grot. Het onmogelijke, magische lichtspektakel en de twee volstrekt identieke krijgers slokken zijn primitieve aandacht volledig op. Hij staart met open mond en vol ongeloof naar het gevecht in het midden van de kamer. Door de schok verslapt zijn ijzeren greep een fractie van een seconde.
Mathilde voelt de pijnlijke druk van zijn ruwe vingers in haar vlees amper nog. Haar geest blokkeert de fysieke pijn. Ze heeft enkel nog oog voor de indrukwekkende gestalte van Wulfbehrt. Daar vecht de man die haar een veilig, warm onderdak bood in de koudste winter van haar leven. Daar staat de geduldige leermeester die haar een eerlijk ambacht bijbracht. Daar vecht de man die haar blindelings en onvoorwaardelijk vertrouwde. Ze ziet het donkere bloed in zijn gezicht. Ze ziet de rauwe, slopende uitputting in de trekken van zijn brede schouders. Elke zwaai van zijn zwaard kost hem zichtbaar meer moeite. De onvergeeflijke realiteit slaat in als een fysieke mokerslag. Zij heeft de Graaf persoonlijk naar deze verborgen, heilige plek gebracht. Ze heeft de veilige haven van haar eigen, nobele meester verraden, puur om haar eigen, onbeduidende leven te redden. De pure, walgelijke lafheid van dat besluit weegt nu zwaarder dan loden stenen. Het verraad trekt haar genadeloos naar de donkerste afgrond van haar ziel. De schuldgevoelens scheuren een onherstelbaar gat in haar wezen. Ze kan deze immense fout onmogelijk vergeten.
Dan vangt ze een snelle beweging in haar ooghoek op. Een van Roberts soldaten glijdt laag en geruisloos over de natte stenen. De pezige, kleine man houdt een lange, scherp gekartelde dolk stevig vast. Hij omzeilt het chaotische, luidruchtige middelpunt van het gevecht en positioneert zich volkomen heimelijk aan de zijkant. Wulfbehrt vecht op dat exacte moment een alles vergend, zwaar duel uit met een massieve Normandische ridder. De smid focust zich noodgedwongen volledig op het kletterende staal recht voor hem. Hij merkt het dodelijke gevaar in zijn dode flank totaal niet op. De sluipmoordenaar spant zijn spieren en duikt bliksemsnel naar voren voor een allesbeslissende, fatale steek.
Een blinde, instinctieve paniek neemt Mathilde volledig over. Ze weigert de smid te laten sterven door haar lafheid. Ze komt direct en doortastend in actie. Met een plotselinge, wanhopige oerkracht rukt ze haar arm ruw los uit Bastiens verslapte greep. In dezelfde, verbazingwekkend soepele beweging trekt ze met haar vrije hand de zware jachtdolk uit de leren riem van haar bewaker.
Ze is absoluut geen getrainde vechter. Haar kleine handen trillen wild en haar knieën knikken onder het gewicht van haar besluit. Ze weet met een ijskoude, dodelijke zekerheid dat ze een professionele moordenaar nooit in een rechtstreeks gevecht kan verslaan. Haar mes zal zijn doel missen. Haar arm is te zwak. Ze kiest daarom razendsnel de enige weg die nog openligt. Ze gooit haar eigen leven resoluut in de weegschaal.
Ze zet zich met beide voeten stevig af tegen de natte, glibberige rotswand. Haar spieren protesteren hevig tegen de plotse inspanning, maar een onverwachte oerkracht stuwt haar kleine lichaam onverbiddelijk vooruit. Ze overbrugt de korte afstand tot Wulfbehrt in een fractie van een seconde. Ze werpt zichzelf met wijd uitgestrekte armen precies in de baan van de dodelijke aanval.
De sluipmoordenaar fixeert zich volledig op de onbeschermde zijkant van de smid. Hij proeft de overwinning al. Zijn gekartelde dolk zoekt meedogenloos naar de weke delen tussen de ribben van Wulfbehrt. De huurling merkt de vliegende schaduw van Mathilde pas op wanneer het tengere meisje letterlijk tussen hem en zijn doelwit springt. De onverwachte impact stopt haar vlucht onmiddellijk en abrupt. Het lemmet boort zich met een misselijkmakend, zompig geluid heel diep in de onbeschermde, zachte buik van het meisje. Mathilde voelt geen onmiddellijke, scherpe pijn. Een botte, ijskoude schok perst in één klap alle lucht ruw uit haar longen. Ze hapt geluidloos naar adem. Een hete, dikke stroom donker bloed welt direct op uit de wond en doorweekt de ruwe stof van haar eenvoudige jurk. Ze slaakt een korte, zachte zucht. Het intieme geluid klinkt als het langzaam scheuren van oud perkament. Het valt bijna volledig weg in het helse, aanhoudende kabaal van de echolocatie in de grot.
De sluipmoordenaar staart vol onbegrip en verbijstering naar de jonge vrouw die zichzelf op zijn lemmet heeft gespietst. Zijn hersenen haperen. Hij deinst in een pure reflex achteruit en trekt zijn moordwapen met een brute, natte ruk los uit haar weke lichaam. Mathilde wankelt hevig. Ze verliest haar evenwicht, de kracht stroomt uit haar benen, en ze zakt door haar knieën. De moordenaar herpakt zijn focus ongekend snel. Zijn ogen vernauwen zich weer. Hij heft zijn zwaar bebloede dolk direct voor een tweede, alsnog fatale slag richting Wulfbehrt.
Hij krijgt echter geen enkele kans meer om dat plan uit te voeren. De vreemde, zachte zucht van Mathilde en de plotselinge, rappe beweging aan zijn flank alarmeren Wulfbehrt onmiddellijk. De getrainde zintuigen van de smid pikken het gevaar feilloos op. Hij draait zich razendsnel om. Hij analyseert het hartverscheurende tafereel in één vluchtige flits en laat zijn zware zwaard direct voluit neerkomen. Het donkere, zware staal klieft de borstkas van de moordenaar met één machtige, verticale haal open van zijn nek tot diep in zijn maag. De huurling valt op slag dood neer nog voordat zijn lichaam de koude stenen vloer raakt.
Wulfbehrt laat zijn zwaard direct zakken. Hij stapt snel naar voor en vangt Mathilde zachtjes op met zijn stevige, eeltige vrije hand. Hij ondersteunt haar fragiele gewicht en begeleidt haar tergend langzaam naar de met bloed besmeurde, ijskoude grond. Het brute, dodelijke geweld en de flitsende lichten om hen heen lijken voor heel even te vervagen tot een verre, abstracte achtergrondruis. De wereld krimpt ineen tot de afstand tussen hun gezichten.
Mathilde kijkt moeizaam op naar het ruwe, vertrouwde gezicht van haar meester. Donker, schuimend bloed borrelt ongecontroleerd over haar lippen en stroomt in dikke druppels over haar kin. Haar ademhaling ratelt pijnlijk. Ze wacht vol vrees op de onvermijdelijke afschuw in zijn donkere ogen. Ze wacht op de definitieve, harde veroordeling voor haar onvergeeflijke, laffe verraad. Ze verdient zijn minachting.
Maar ze vindt er absoluut geen haat. Zijn ogen stralen enkel een diep, grenzeloos verdriet uit. Hij kijkt naar haar met een oneindig begrip voor de zwakheid, de angst en de onvermijdelijke fouten van de kwetsbare mens. Hij weet hoe hard de wereld daarbuiten is. Wulfbehrt knijpt zacht en uiterst bemoedigend in haar schouder. Geen woorden zijn nodig. Ze hebben de tijd niet voor een afscheid, maar de vergeving is absoluut. Ze heeft haar verschrikkelijke schuld zojuist met haar eigen, warme bloed en haar jonge leven volledig betaald. De balans is vereffend. Een uiterst zwakke, vredige glimlach breekt langzaam door op haar bleke, bebloede gezicht. Ze sluit haar ogen, ademt nog één keer haperend uit en bevrijdt zich daarmee eindelijk en voorgoed van het loodzware gewicht van haar verraad.
De meedogenloze chaos in de grot bereikt onmiddellijk weer een absoluut, dodelijk kookpunt. De strijd wacht op niemand. Een hysterisch, beestachtig gekrijs stijgt plotseling huiveringwekkend ver boven het helse wapengekletter uit. Het geluid verscheurt de korte, intieme stilte rondom de gevallen Mathilde en de treurende Wulfbehrt volledig. Iedereen is de fanatieke Pater Mechyel compleet vergeten in de donkere, natte schaduwen bij de wand. De priester heeft in een blinde, dierlijke razernij zijn dikke, knellende touwen onophoudelijk kapot geschuurd langs de rand van een vlijmscherpe rots. Zijn polsen zijn volledig tot op het bot rauw geschaafd en bloeden hevig. De pijn voelt hij niet meer. Het verwoestende verlies van zijn heilige abdij door het vuur van de Graaf, gecombineerd met de onverklaarbare aanblik van de demonische lichtflitsen, hebben zijn toch al labiele religieuze fanatisme doen doorslaan in een pure, schuimbekkende, onomkeerbare waanzin.
Hij zoekt helemaal niet naar een zwaard of een dolk. Hij wapent zich met pure haat. Hij stormt met blote, bloedende handen en wit schuim op zijn bevende lippen in een rechte lijn op Graaf Robert af. "Voor de poorten van de brandende hel!" schreeuwt de losgeslagen priester met een stem die gevaarlijk hoog overslaat. Hij werpt zijn uitgemergelde lichaam als een dolle, uitgehongerde hond met volle kracht op de zwaar bepantserde Graaf. Hij klauwt met zijn afgebroken, bebloede nagels direct en meedogenloos naar de donkere ogen van Robert. Zijn tanden klikken op elkaar en hij bijt als een bezetene in de kleine openingen van de stalen maliënkolder, zoekend naar vlees. De Graaf vloekt luid en hoog van pure pijn en volkomen verrassing. De adellijke man verliest zijn balans, struikelt ongecontroleerd achteruit over het rondslingerende puin en slaat wild en wanhopig om zich heen met zijn gepantserde vuisten. Hij probeert de krijsende, waanzinnige pater ten koste van alles van zich af te schudden en schreeuwt wanhopig om zijn bewakers. Het is precies de gigantische afleiding die de strijdende helden nodig hebben. De soldaten draaien hun hoofden naar hun gillende leider.
De fysieke grot trilt nu zo ontzettend hevig dat de onwrikbare stenen muren daadwerkelijk beginnen in te storten. Het geluid is apocalyptisch. Grote, dodelijke brokken kalksteen donderen met doffe klappen naar beneden en verpletteren alles wat eronder staat. Het portaal direct achter Maryam is inmiddels getransformeerd in een kolkend, oorverdovend zwart gat. Een perfecte, draaiende ring van intens, vloeibaar wit licht omringt de leegte. De zwaartekracht trekt naar het portaal toe. Het dreigt de hele overgebleven kamer, inclusief de schreeuwende, vechtende mannen, meedogenloos en definitief op te slokken in het niets.
Maryam staat fier rechtop met haar rug naar de dreigende, zuigende afgrond. Tegenover haar, aan de andere kant van de ruimte, staat Marie. De twee vrouwen kijken elkaar recht aan, dwars door het ondoordringbare gordijn van vallende, dodelijke stenen en het helse, kletterende wapengekletter heen. Marie kijkt diep in de donkere irissen van Maryam. De opmerkelijke fysieke gelijkenis slaat een muurvaste, onbreekbare brug over duizend donkere jaren van bloed en ellende. Maryam ziet in het jonge, ongeschonden gezicht van het moderne meisje haar eigen, ontembare en koppige wil. Ze ziet een geest die nog volkomen onaangetast is door de diepe, rauwe littekens van een meedogenloze, barbaarse eeuw. Ze ziet in Marie de belofte van een hoopvolle, verlichte toekomst. Een toekomst die ze zelf nooit, te nimmer zal meemaken. In die splitseconde van pure, stille en diepe herkenning valt de complexe werkelijkheid eindelijk perfect op zijn plek.
De indringende stem van de tijdloze Godin uit het vuur klinkt plotseling loeihard en kristalhelder in Maryams geteisterde geest. Het is geen herinnering, maar een direct bevel. ‘De Spiegel duldt geen dubbelgangers. Zijn jullie bereid te doven, zodat de vlam aan de andere kant kan blijven branden?’ De instortende, stervende grot, de scheurende, sissende lucht en de dodelijke, knetterende bliksems om hen heen vormen geen bizar toeval. Het is geen blinde natuurramp. De tijdstroom zelf weigert de onmogelijke paradox van hun dubbele, overlappende bestaan. De natuur scheurt de realiteit eigenhandig en met bruut geweld aan flarden om deze gigantische kosmische fout te herstellen. Iemand moet de ultieme, gruwelijke prijs betalen om de weegschaal te balanceren. Iemand moet de ruimte vrijmaken en vrijwillig, met open ogen, in de vergetelheid stappen.
Maryam accepteert haar gruwelijke lot onmiddellijk en zonder een enkel greintje menselijke aarzeling. Zij en Wulfbehrt behoren toe aan de as van de geschiedenis. Hun harde, onvergeeflijke levens, hun onmetelijke pijn en hun eindeloze, verwoestende strijd vormden allemaal slechts een noodzakelijk, bloedig voorwoord in deze eeuwenoude bloedlijn. Ze moeten de beschreven bladzijde nu definitief omslaan en het boek sluiten. Wolf en Marie moeten het daadwerkelijke, nieuwe verhaal schrijven in een compleet andere, betere tijd. Een tijd zonder brandstapels en meedogenloze graven. Maryam strekt haar smalle hand resoluut uit door de dichte regen van bijtend gruis. Ze grijpt Wulfbehrt onwrikbaar stevig bij zijn brede, bezweette en zwoegende schouder. De smid stopt abrupt en onnatuurlijk snel met vechten. De aanraking voelt als een bevel. Hij weert nog één laatste, wanhopige en zwakke zwaardklap van een uitgeputte soldaat af. Hij duwt de man ruw weg en draait zijn zware, bebloede hoofd langzaam naar haar toe.
De communicatie tussen hen beiden gaat lichtjaren sneller en reikt oneindig veel dieper dan gesproken, ontoereikende woorden ooit kunnen doen. Wulfbehrt kijkt diep in haar donkere, rustige ogen. Hij leest daar de onvoorwaardelijke, definitieve en onherroepelijke overgave. Hij ziet absoluut geen spoor van blinde paniek of angst, enkel een ijzersterke, nobele resolutie. Hij begrijpt de betekenis van haar blik onmiddellijk. Hij begrijpt het onvermijdelijke, fatale afscheid. Zijn hart breekt niet, het stolt tot steen.
Zijn brede borstkas gaat zwaar, ritmisch en pijnlijk op en neer. Hij ademt de stank van de naderende dood en het verstikkende stof van de brekende stenen nog één keer heel diep in. Hij proeft de as op zijn tong. Hij sluit zijn donkere ogen voor een kleine fractie van een seconde en zoekt de rust in zijn eigen kern. Hij is een smid in hart, nieren en ziel. Hij weet als geen enkel ander mens op aarde dat hij oude, gebarsten en onbruikbare mallen onherstelbaar en met grof geweld moet breken om de broodnodige plaats te maken voor vers, heet en onbuigzaam staal. Zijn eigen leven is de gebroken mal. Hun tijd is definitief voorbij. Hij opent zijn ogen weer, kijkt recht in de hare, en knikt naar haar met een trage, onvoorstelbaar waardige beweging van volmaakte, absolute acceptatie. Hij is klaar.
"Nu!" brult Wulfbehrt. De beestachtige kreet stijgt huiveringwekkend hoog uit boven het donderende, oorverdovende geraas van de instortende, stervende rotsen en het gekrijs van de stervende mannen. Het is een rauwe oerkreet van pure, onversneden en onverwoestbare wilskracht.
De smid opent zijn vingers en laat zijn zware, geliefde zwaard volkomen ongeïnteresseerd en definitief op de stenen kletteren. Het wapen heeft zijn doel gediend. Hij stapt razendsnel en onverwacht naar voren. Hij grijpt Wolf met beide eeltige, ijzersterke handen meedogenloos vast bij de kraag van zijn moderne, vreemde jas. Met een verbijsterend gemak tilt hij de volwassen man half van de bloederige grond. Wolf schrikt, stribbelt even tegen en verzet zich instinctief tegen de plotselinge, brute fysieke aanval, maar de onvoorstelbare, bonkige oerkracht van de middeleeuwer geeft hem absoluut geen schijn van kans.
( wordt vervolgd )
- - -
Meer weten over dit verhaal of de vrouw achter dit verhaal? Abonneer je dan op de nieuwsbrief door mij een email te sturen. Mijn emailadres vind je op mijn profielpagina.
De stilte na Wulfbehrts woorden valt als een loodzware deken over de chaos in de grot. De wereld pauzeert. Het oorverdovende gebrul van de waterval bij de ingang vervaagt plotseling tot een dof, onbetekenend geruis. De flakkerende vlammen van de fakkels lijken halverwege hun dans in de kille lucht te bevriezen. Er rest enkel dit ene, onmogelijke moment in het centrum van de ruimte. Twee mannen staren elkaar aan. Ze delen exact hetzelfde gezicht, maar een onoverbrugbare kloof van duizend jaar aan bloedige geschiedenis scheidt hen. Wolf kijkt in de ogen van de middeleeuwse smid en ziet zijn eigen donkere irissen. Hij herkent de hoekige kaaklijn onmiddellijk. Hij ziet de strakke, bekende trekken van zijn eigen spiegelbeeld. Toch is dit geen gewone spiegel. Hij kijkt naar een veel hardere, rauwere versie van zichzelf. Zwart roet, opgedroogd bloed en diepe, bleke littekens tekenen het ruwe gezicht van Wulfbehrt. Het meedogenloze vuur van de smidse en de brute strijd van de donkere middeleeuwen hebben deze man onherroepelijk gesmeed.
Wulfbehrts zware hand rust op Wolfs schouder. De smid knijpt zijn dikke vingers samen. Hij voelt de vreemde, onnatuurlijk gladde textuur van de moderne jas en zijn hersenen proberen de waarneming wanhopig te plaatsen. De fysieke aanraking slaat een directe brug over een afgrond van tien eeuwen. Een onzichtbare schokgolf van pure, rauwe herkenning schiet door hen beiden heen. Dit is geen simpele ontmoeting tussen twee vreemden. Dit is geen verre bloedverwantschap. Het voelt als de langverwachte, pijnlijke hereniging van een verscheurde ziel.
Wolf snakt naar adem. De lucht ruikt hier penetrant naar natte as, koper en oud zweet. Zijn verstand weigert de gruwelijke realiteit te accepteren en zoekt wanhopig naar een logische verklaring. Maar zijn hart herkent de absolute waarheid onmiddellijk. Dit is de mysterieuze man uit de schaduwen. Dit is de oorsprong van zijn eigen, levenslange rusteloosheid. Wulfbehrt kijkt strak terug en een grimas trekt rond zijn bebloede mond. Hij ziet een zekere zachtheid in de ogen van zijn jongere evenbeeld. Hij ziet een onschuld die hijzelf lang geleden in de hitte van de smidse achterliet. Maar hij herkent vooral het onderliggende vuur. Hetzelfde onbuigzame ijzer stroomt onmiskenbaar door hun beider aderen. Ze delen deze blik voor een fractie van een seconde, maar het moment voelt als een heel mensenleven. De grens tussen het bloedige verleden en de onzekere toekomst vervaagt en lost volledig op in hun stille verbinding.
Dan scheurt de realiteit letterlijk in stukken. De aanwezigheid van twee identieke zielen in exact dezelfde tijdlijn tart elke fundamentele natuurwet. De tijdstroom weigert deze paradox ten stelligste. Het universum beantwoordt de onmogelijkheid met puur, ongefilterd geweld. De luchtdruk in de grot daalt zo abrupt dat ademhalen fysiek pijn doet in de longen. Een diep, aards gekreun trilt door de massieve kalksteen. Het klinkt alsof de oeroude berg plotseling ontwaakt en het uitschreeuwt van een ondragelijke pijn. Scheuren schieten als zwarte bliksemschichten door de massieve rotswanden. Wolken grijs gruis en vlijmscherpe stenen regenen vanaf het onzichtbare plafond naar beneden. Ze kletteren ritmisch in de plassen stilstaand bloed op de vloer. De lucht in de afgesloten ruimte knettert intens en ruikt plotseling scherp naar ozon. De agressie van een op hol geslagen, bovennatuurlijke storm vult de grot. Blauwe vonken van statische elektriciteit springen onvoorspelbaar over de natte, stalen maliënkolders van de ridders. De gewapende mannen krimpen ineen van de onverwachte schokken en slaan in blinde paniek naar hun eigen brandende wapenrusting.
Achter Maryam kolkt het portaal wild en totaal onbeheersbaar. De doorgang gedraagt zich als een gapende, bloedende wond in het weefsel van de tijd. Het portaal wil wanhopig sluiten om het universum te genezen. Maar de onmogelijke kracht van de twee stenen verzet zich met man en macht daartegen. De artefacten stoten elkaar af met een brute, magnetische woede en vreten de opening keer op keer verder open. De randen van het portaal rafelen uit tot lichtgevende draden. De opening zuigt de mist met een meedogenloze zuigkracht de leegte in.
In Maryams hand brandt de oeroude steen met een vernietigende hitte. Het oppervlak straalt een diep, oceanisch kobaltblauw uit. De kleur is zo intens dat het de natuurlijke schaduwen in de grot volledig opslokt. Wolfs hand trilt hevig onder het plotselinge, immense gewicht van zijn eigen versie. Daarin straalt het identieke artefact met een fel, wit-elektrisch licht. Het licht snijdt als een fysiek mes door de duisternis en verblindt iedereen die ernaar durft te kijken. De twee stenen reageren heftig op elkaars aanwezigheid. Ze ontwaken volledig uit hun sluimer en beginnen luid te zingen. Het is geen menselijke melodie. Het is een ijzingwekkende, onnatuurlijk hoge toon die merg en been meedogenloos doorboort. De trilling resoneert direct in de schedels van alle aanwezigen. Het bouwt een ondraaglijke, bonzende druk op achter hun ogen en dreigt het resterende verstand van elke mens in de grot definitief te verbrijzelen.
Graaf Robert deinst in eerste instantie achteruit. Een bovennatuurlijke, ijskoude angst verbrijzelt zijn arrogante masker. Zijn ogen vliegen schichtig door de ruimte. Hij staart naar de met roet bedekte smid, kijkt dan vol ongeloof naar de moderne vreemdeling en fixeert zijn blik ten slotte op de twee gloeiende stenen in hun handen. Zijn verstand kan de beelden niet verwerken. Maar deze existentiële angst duurt echter slechts enkele seconden. De waanzin van pure, grenzeloze hebzucht neemt de controle over zijn geest genadeloos over. Zijn donkere ogen vernauwen zich tot spleetjes. Ze beginnen te glimmen met een ziekelijke, fanatieke honger. Een normaal mens ziet hier de onmiskenbare ondergang van de wereld en zoekt dekking. Robert de Duivel ziet slechts de belofte van pure, onbegrensde macht. Twee goddelijke artefacten. Twee ultieme sleutels tot absolute, aardse goddelijkheid. Het zweet breekt hem uit bij de gedachte aan de legers die hij hiermee kan commanderen.
"Dood de demonen!" brult Robert. Het speeksel vliegt in dikke druppels over zijn lippen. Zijn stem kraakt en slaat over door een alles verterende, hysterische hebzucht. "Snijd hun handen af! Hak ze in stukken! Breng me onmiddellijk de stenen!" Dit wrede, kille bevel verbreekt de tijdelijke, bovennatuurlijke betovering in de grot. De blinde moordzucht van hun meester spoort de soldaten aan. Ze onderdrukken hun natuurlijke angst, brullen een strijdkreet en stormen met getrokken, kletterende wapens direct naar voren.
Wolf en Wulfbehrt belanden onmiddellijk in een dodelijke, asynchrone dans. Ze wisselen geen enkel woord en communiceren louter op instinct. Ze draaien zich in één vloeiende, onbewuste beweging rug aan rug. Wolf voelt de harde spierspanning en de hitte van de smid door zijn eigen kleding heen. Ze zijn twee versies van exact dezelfde krijger. Totaal verschillende eeuwen hebben hun lichamen gesmeed en hun geesten getraind. Nu vormen ze samen een ondoordringbare, ademende cirkel van verdediging in het hart van de bloedige chaos.
Wulfbehrt vecht met de brute, ritmische vernietigingskracht van een man die zijn hele leven onbuigzaam staal heeft bewerkt. Elke zwaai van zijn arm is berekend en doordrenkt met pure oerkracht. Zijn zware, brede zwaard klieft meedogenloos door schilden, scheurt door maliënkolders en verbrijzelt menselijke botten alsof het droge twijgen zijn. Hij vormt een onwrikbare, massieve muur van spieren, heet roet en rauwe woede. De geur van vers bloed en geperforeerde ingewanden stijgt onmiddellijk op rondom hem.
Achter zijn brede rug vecht Wolf een compleet andere, veel wanhopigere strijd. Hij is absoluut geen getrainde zwaardvechter. Zijn hart hamert als een op hol geslagen drilboor in zijn keel. De adrenaline pompt pure, blinde overlevingsdrang door zijn aderen. De stank van de middeleeuwen beneemt hem bijna de adem. Een roestige, bloeddorstige strijdbijl zwaait met dodelijke precisie recht op zijn gezicht af. Wolf ontwijkt het zware wapen net op tijd met een snelle, berekende zijstap. Hij gebruikt instinctief de reflexen en het ritmische voetenwerk uit de veilige, felverlichte boksring van zijn sportclub. Zijn spieren herinneren zich de zachte matten en de dikke handschoenen. De keiharde, glibberige en bebloede grotvloer vormt echter een verschrikkelijk contrast. Hij glijdt bijna uit, stapt snel achteruit, zoekt wanhopig naar zijn balans en heft in een reflex zijn hand op ter verdediging tegen een volgende aanval.
Het witte Amulet in zijn open handpalm reageert direct op zijn acute doodsangst. De steen absorbeert zijn paniek en zet dit om in energie. Een stroboscopische flits van puur, verblindend licht ontploft met de kracht van een blikseminslag uit de buitenaardse steen. Het felle, onnatuurlijke licht verblindt de middeleeuwse aanvallers onmiddellijk. De voorste twee soldaten schreeuwen het uit van de intense pijn. Ze knijpen hun brandende ogen stijf dicht, grijpen wanhopig naar hun gezicht en laten hun zware wapens kletterend op de stenen vallen. Wolf maakt genadeloos gebruik van deze onverwachte, lichtgevende chaos. Hij stapt razendsnel naar voor, grijpt de handgreep van de gevallen bijl van een blinde soldaat en slaat de man met de botte kant snoeihard tegen de slaap. De man zakt direct bewusteloos in elkaar. De witte steen in Wolfs hand blijkt een krachtig, eigenzinnig wapen op zich. Het artefact pulseert exact op de wilde hartslag van zijn drager en creëert aanhoudend gaten in de aanvalslinie met felle, desoriënterende lichtflitsen. Wulfbehrts genadeloze, kletterende staal breekt daar vervolgens meedogenloos en dodelijk doorheen.
De verblindende lichtflitsen van Wolf en het moordende staal van Wulfbehrt dringen de soldaten langzaam maar zeker terug. Aan de rand van deze meedogenloze overlevingsstrijd, half verborgen in de schaduwen, voltrekt zich echter vrijwel onopgemerkt een ander, veel stiller drama. Bastien drukt Mathilde nog steeds ruw en pijnlijk tegen de koude, vochtige rotswand. De brute soldaat knelt zijn grote, eeltige hand als een ijzeren bankschroef om haar tengere bovenarm. Toch ontsnapt ook hij niet aan de totale waanzin in de grot. Het onmogelijke, magische lichtspektakel en de twee volstrekt identieke krijgers slokken zijn primitieve aandacht volledig op. Hij staart met open mond en vol ongeloof naar het gevecht in het midden van de kamer. Door de schok verslapt zijn ijzeren greep een fractie van een seconde.
Mathilde voelt de pijnlijke druk van zijn ruwe vingers in haar vlees amper nog. Haar geest blokkeert de fysieke pijn. Ze heeft enkel nog oog voor de indrukwekkende gestalte van Wulfbehrt. Daar vecht de man die haar een veilig, warm onderdak bood in de koudste winter van haar leven. Daar staat de geduldige leermeester die haar een eerlijk ambacht bijbracht. Daar vecht de man die haar blindelings en onvoorwaardelijk vertrouwde. Ze ziet het donkere bloed in zijn gezicht. Ze ziet de rauwe, slopende uitputting in de trekken van zijn brede schouders. Elke zwaai van zijn zwaard kost hem zichtbaar meer moeite. De onvergeeflijke realiteit slaat in als een fysieke mokerslag. Zij heeft de Graaf persoonlijk naar deze verborgen, heilige plek gebracht. Ze heeft de veilige haven van haar eigen, nobele meester verraden, puur om haar eigen, onbeduidende leven te redden. De pure, walgelijke lafheid van dat besluit weegt nu zwaarder dan loden stenen. Het verraad trekt haar genadeloos naar de donkerste afgrond van haar ziel. De schuldgevoelens scheuren een onherstelbaar gat in haar wezen. Ze kan deze immense fout onmogelijk vergeten.
Dan vangt ze een snelle beweging in haar ooghoek op. Een van Roberts soldaten glijdt laag en geruisloos over de natte stenen. De pezige, kleine man houdt een lange, scherp gekartelde dolk stevig vast. Hij omzeilt het chaotische, luidruchtige middelpunt van het gevecht en positioneert zich volkomen heimelijk aan de zijkant. Wulfbehrt vecht op dat exacte moment een alles vergend, zwaar duel uit met een massieve Normandische ridder. De smid focust zich noodgedwongen volledig op het kletterende staal recht voor hem. Hij merkt het dodelijke gevaar in zijn dode flank totaal niet op. De sluipmoordenaar spant zijn spieren en duikt bliksemsnel naar voren voor een allesbeslissende, fatale steek.
Een blinde, instinctieve paniek neemt Mathilde volledig over. Ze weigert de smid te laten sterven door haar lafheid. Ze komt direct en doortastend in actie. Met een plotselinge, wanhopige oerkracht rukt ze haar arm ruw los uit Bastiens verslapte greep. In dezelfde, verbazingwekkend soepele beweging trekt ze met haar vrije hand de zware jachtdolk uit de leren riem van haar bewaker.
Ze is absoluut geen getrainde vechter. Haar kleine handen trillen wild en haar knieën knikken onder het gewicht van haar besluit. Ze weet met een ijskoude, dodelijke zekerheid dat ze een professionele moordenaar nooit in een rechtstreeks gevecht kan verslaan. Haar mes zal zijn doel missen. Haar arm is te zwak. Ze kiest daarom razendsnel de enige weg die nog openligt. Ze gooit haar eigen leven resoluut in de weegschaal.
Ze zet zich met beide voeten stevig af tegen de natte, glibberige rotswand. Haar spieren protesteren hevig tegen de plotse inspanning, maar een onverwachte oerkracht stuwt haar kleine lichaam onverbiddelijk vooruit. Ze overbrugt de korte afstand tot Wulfbehrt in een fractie van een seconde. Ze werpt zichzelf met wijd uitgestrekte armen precies in de baan van de dodelijke aanval.
De sluipmoordenaar fixeert zich volledig op de onbeschermde zijkant van de smid. Hij proeft de overwinning al. Zijn gekartelde dolk zoekt meedogenloos naar de weke delen tussen de ribben van Wulfbehrt. De huurling merkt de vliegende schaduw van Mathilde pas op wanneer het tengere meisje letterlijk tussen hem en zijn doelwit springt. De onverwachte impact stopt haar vlucht onmiddellijk en abrupt. Het lemmet boort zich met een misselijkmakend, zompig geluid heel diep in de onbeschermde, zachte buik van het meisje. Mathilde voelt geen onmiddellijke, scherpe pijn. Een botte, ijskoude schok perst in één klap alle lucht ruw uit haar longen. Ze hapt geluidloos naar adem. Een hete, dikke stroom donker bloed welt direct op uit de wond en doorweekt de ruwe stof van haar eenvoudige jurk. Ze slaakt een korte, zachte zucht. Het intieme geluid klinkt als het langzaam scheuren van oud perkament. Het valt bijna volledig weg in het helse, aanhoudende kabaal van de echolocatie in de grot.
De sluipmoordenaar staart vol onbegrip en verbijstering naar de jonge vrouw die zichzelf op zijn lemmet heeft gespietst. Zijn hersenen haperen. Hij deinst in een pure reflex achteruit en trekt zijn moordwapen met een brute, natte ruk los uit haar weke lichaam. Mathilde wankelt hevig. Ze verliest haar evenwicht, de kracht stroomt uit haar benen, en ze zakt door haar knieën. De moordenaar herpakt zijn focus ongekend snel. Zijn ogen vernauwen zich weer. Hij heft zijn zwaar bebloede dolk direct voor een tweede, alsnog fatale slag richting Wulfbehrt.
Hij krijgt echter geen enkele kans meer om dat plan uit te voeren. De vreemde, zachte zucht van Mathilde en de plotselinge, rappe beweging aan zijn flank alarmeren Wulfbehrt onmiddellijk. De getrainde zintuigen van de smid pikken het gevaar feilloos op. Hij draait zich razendsnel om. Hij analyseert het hartverscheurende tafereel in één vluchtige flits en laat zijn zware zwaard direct voluit neerkomen. Het donkere, zware staal klieft de borstkas van de moordenaar met één machtige, verticale haal open van zijn nek tot diep in zijn maag. De huurling valt op slag dood neer nog voordat zijn lichaam de koude stenen vloer raakt.
Wulfbehrt laat zijn zwaard direct zakken. Hij stapt snel naar voor en vangt Mathilde zachtjes op met zijn stevige, eeltige vrije hand. Hij ondersteunt haar fragiele gewicht en begeleidt haar tergend langzaam naar de met bloed besmeurde, ijskoude grond. Het brute, dodelijke geweld en de flitsende lichten om hen heen lijken voor heel even te vervagen tot een verre, abstracte achtergrondruis. De wereld krimpt ineen tot de afstand tussen hun gezichten.
Mathilde kijkt moeizaam op naar het ruwe, vertrouwde gezicht van haar meester. Donker, schuimend bloed borrelt ongecontroleerd over haar lippen en stroomt in dikke druppels over haar kin. Haar ademhaling ratelt pijnlijk. Ze wacht vol vrees op de onvermijdelijke afschuw in zijn donkere ogen. Ze wacht op de definitieve, harde veroordeling voor haar onvergeeflijke, laffe verraad. Ze verdient zijn minachting.
Maar ze vindt er absoluut geen haat. Zijn ogen stralen enkel een diep, grenzeloos verdriet uit. Hij kijkt naar haar met een oneindig begrip voor de zwakheid, de angst en de onvermijdelijke fouten van de kwetsbare mens. Hij weet hoe hard de wereld daarbuiten is. Wulfbehrt knijpt zacht en uiterst bemoedigend in haar schouder. Geen woorden zijn nodig. Ze hebben de tijd niet voor een afscheid, maar de vergeving is absoluut. Ze heeft haar verschrikkelijke schuld zojuist met haar eigen, warme bloed en haar jonge leven volledig betaald. De balans is vereffend. Een uiterst zwakke, vredige glimlach breekt langzaam door op haar bleke, bebloede gezicht. Ze sluit haar ogen, ademt nog één keer haperend uit en bevrijdt zich daarmee eindelijk en voorgoed van het loodzware gewicht van haar verraad.
De meedogenloze chaos in de grot bereikt onmiddellijk weer een absoluut, dodelijk kookpunt. De strijd wacht op niemand. Een hysterisch, beestachtig gekrijs stijgt plotseling huiveringwekkend ver boven het helse wapengekletter uit. Het geluid verscheurt de korte, intieme stilte rondom de gevallen Mathilde en de treurende Wulfbehrt volledig. Iedereen is de fanatieke Pater Mechyel compleet vergeten in de donkere, natte schaduwen bij de wand. De priester heeft in een blinde, dierlijke razernij zijn dikke, knellende touwen onophoudelijk kapot geschuurd langs de rand van een vlijmscherpe rots. Zijn polsen zijn volledig tot op het bot rauw geschaafd en bloeden hevig. De pijn voelt hij niet meer. Het verwoestende verlies van zijn heilige abdij door het vuur van de Graaf, gecombineerd met de onverklaarbare aanblik van de demonische lichtflitsen, hebben zijn toch al labiele religieuze fanatisme doen doorslaan in een pure, schuimbekkende, onomkeerbare waanzin.
Hij zoekt helemaal niet naar een zwaard of een dolk. Hij wapent zich met pure haat. Hij stormt met blote, bloedende handen en wit schuim op zijn bevende lippen in een rechte lijn op Graaf Robert af. "Voor de poorten van de brandende hel!" schreeuwt de losgeslagen priester met een stem die gevaarlijk hoog overslaat. Hij werpt zijn uitgemergelde lichaam als een dolle, uitgehongerde hond met volle kracht op de zwaar bepantserde Graaf. Hij klauwt met zijn afgebroken, bebloede nagels direct en meedogenloos naar de donkere ogen van Robert. Zijn tanden klikken op elkaar en hij bijt als een bezetene in de kleine openingen van de stalen maliënkolder, zoekend naar vlees. De Graaf vloekt luid en hoog van pure pijn en volkomen verrassing. De adellijke man verliest zijn balans, struikelt ongecontroleerd achteruit over het rondslingerende puin en slaat wild en wanhopig om zich heen met zijn gepantserde vuisten. Hij probeert de krijsende, waanzinnige pater ten koste van alles van zich af te schudden en schreeuwt wanhopig om zijn bewakers. Het is precies de gigantische afleiding die de strijdende helden nodig hebben. De soldaten draaien hun hoofden naar hun gillende leider.
De fysieke grot trilt nu zo ontzettend hevig dat de onwrikbare stenen muren daadwerkelijk beginnen in te storten. Het geluid is apocalyptisch. Grote, dodelijke brokken kalksteen donderen met doffe klappen naar beneden en verpletteren alles wat eronder staat. Het portaal direct achter Maryam is inmiddels getransformeerd in een kolkend, oorverdovend zwart gat. Een perfecte, draaiende ring van intens, vloeibaar wit licht omringt de leegte. De zwaartekracht trekt naar het portaal toe. Het dreigt de hele overgebleven kamer, inclusief de schreeuwende, vechtende mannen, meedogenloos en definitief op te slokken in het niets.
Maryam staat fier rechtop met haar rug naar de dreigende, zuigende afgrond. Tegenover haar, aan de andere kant van de ruimte, staat Marie. De twee vrouwen kijken elkaar recht aan, dwars door het ondoordringbare gordijn van vallende, dodelijke stenen en het helse, kletterende wapengekletter heen. Marie kijkt diep in de donkere irissen van Maryam. De opmerkelijke fysieke gelijkenis slaat een muurvaste, onbreekbare brug over duizend donkere jaren van bloed en ellende. Maryam ziet in het jonge, ongeschonden gezicht van het moderne meisje haar eigen, ontembare en koppige wil. Ze ziet een geest die nog volkomen onaangetast is door de diepe, rauwe littekens van een meedogenloze, barbaarse eeuw. Ze ziet in Marie de belofte van een hoopvolle, verlichte toekomst. Een toekomst die ze zelf nooit, te nimmer zal meemaken. In die splitseconde van pure, stille en diepe herkenning valt de complexe werkelijkheid eindelijk perfect op zijn plek.
De indringende stem van de tijdloze Godin uit het vuur klinkt plotseling loeihard en kristalhelder in Maryams geteisterde geest. Het is geen herinnering, maar een direct bevel. ‘De Spiegel duldt geen dubbelgangers. Zijn jullie bereid te doven, zodat de vlam aan de andere kant kan blijven branden?’ De instortende, stervende grot, de scheurende, sissende lucht en de dodelijke, knetterende bliksems om hen heen vormen geen bizar toeval. Het is geen blinde natuurramp. De tijdstroom zelf weigert de onmogelijke paradox van hun dubbele, overlappende bestaan. De natuur scheurt de realiteit eigenhandig en met bruut geweld aan flarden om deze gigantische kosmische fout te herstellen. Iemand moet de ultieme, gruwelijke prijs betalen om de weegschaal te balanceren. Iemand moet de ruimte vrijmaken en vrijwillig, met open ogen, in de vergetelheid stappen.
Maryam accepteert haar gruwelijke lot onmiddellijk en zonder een enkel greintje menselijke aarzeling. Zij en Wulfbehrt behoren toe aan de as van de geschiedenis. Hun harde, onvergeeflijke levens, hun onmetelijke pijn en hun eindeloze, verwoestende strijd vormden allemaal slechts een noodzakelijk, bloedig voorwoord in deze eeuwenoude bloedlijn. Ze moeten de beschreven bladzijde nu definitief omslaan en het boek sluiten. Wolf en Marie moeten het daadwerkelijke, nieuwe verhaal schrijven in een compleet andere, betere tijd. Een tijd zonder brandstapels en meedogenloze graven. Maryam strekt haar smalle hand resoluut uit door de dichte regen van bijtend gruis. Ze grijpt Wulfbehrt onwrikbaar stevig bij zijn brede, bezweette en zwoegende schouder. De smid stopt abrupt en onnatuurlijk snel met vechten. De aanraking voelt als een bevel. Hij weert nog één laatste, wanhopige en zwakke zwaardklap van een uitgeputte soldaat af. Hij duwt de man ruw weg en draait zijn zware, bebloede hoofd langzaam naar haar toe.
De communicatie tussen hen beiden gaat lichtjaren sneller en reikt oneindig veel dieper dan gesproken, ontoereikende woorden ooit kunnen doen. Wulfbehrt kijkt diep in haar donkere, rustige ogen. Hij leest daar de onvoorwaardelijke, definitieve en onherroepelijke overgave. Hij ziet absoluut geen spoor van blinde paniek of angst, enkel een ijzersterke, nobele resolutie. Hij begrijpt de betekenis van haar blik onmiddellijk. Hij begrijpt het onvermijdelijke, fatale afscheid. Zijn hart breekt niet, het stolt tot steen.
Zijn brede borstkas gaat zwaar, ritmisch en pijnlijk op en neer. Hij ademt de stank van de naderende dood en het verstikkende stof van de brekende stenen nog één keer heel diep in. Hij proeft de as op zijn tong. Hij sluit zijn donkere ogen voor een kleine fractie van een seconde en zoekt de rust in zijn eigen kern. Hij is een smid in hart, nieren en ziel. Hij weet als geen enkel ander mens op aarde dat hij oude, gebarsten en onbruikbare mallen onherstelbaar en met grof geweld moet breken om de broodnodige plaats te maken voor vers, heet en onbuigzaam staal. Zijn eigen leven is de gebroken mal. Hun tijd is definitief voorbij. Hij opent zijn ogen weer, kijkt recht in de hare, en knikt naar haar met een trage, onvoorstelbaar waardige beweging van volmaakte, absolute acceptatie. Hij is klaar.
"Nu!" brult Wulfbehrt. De beestachtige kreet stijgt huiveringwekkend hoog uit boven het donderende, oorverdovende geraas van de instortende, stervende rotsen en het gekrijs van de stervende mannen. Het is een rauwe oerkreet van pure, onversneden en onverwoestbare wilskracht.
De smid opent zijn vingers en laat zijn zware, geliefde zwaard volkomen ongeïnteresseerd en definitief op de stenen kletteren. Het wapen heeft zijn doel gediend. Hij stapt razendsnel en onverwacht naar voren. Hij grijpt Wolf met beide eeltige, ijzersterke handen meedogenloos vast bij de kraag van zijn moderne, vreemde jas. Met een verbijsterend gemak tilt hij de volwassen man half van de bloederige grond. Wolf schrikt, stribbelt even tegen en verzet zich instinctief tegen de plotselinge, brute fysieke aanval, maar de onvoorstelbare, bonkige oerkracht van de middeleeuwer geeft hem absoluut geen schijn van kans.
( wordt vervolgd )
- - -
Meer weten over dit verhaal of de vrouw achter dit verhaal? Abonneer je dan op de nieuwsbrief door mij een email te sturen. Mijn emailadres vind je op mijn profielpagina.
Geef dit verhaal een cijfer:
5
6
7
8
9
10

Ontdek meer over mij op mijn profiel pagina, bekijk mijn verhalen, laat een berichtje achter of schrijf je in om een mail te ontvangen bij nieuwe verhalen!
