Lekker Anoniem Webcammen!
Donkere Modus
Door: Leen
Datum: 18-02-2026 | Cijfer: 9.5 | Gelezen: 145
Lengte: Lang | Leestijd: 19 minuten | Lezers Online: 3
Trefwoord(en): Fantasy, Middeleeuwen, Priester, Tijdreizen,
De Drie Honden
September 1066. De Grot achter de waterval.

De eerste schaduw scheurt zich los uit de inktzwarte keel van de tunnel. Een gestalte gewikkeld in zware, doorweekte grijze wol, de kap zo diep over het gezicht getrokken dat er slechts een gapend gat van duisternis zichtbaar is, stapt de ronde kamer binnen. Zijn voeten soppen zwaar in het dunne laagje water dat de vloer bedekt. In zijn hand omklemt hij een ruwe, met ijzeren punten beslagen knuppel, een wapen gemaakt om botten te verbrijzelen.

Hij wordt gevolgd door een tweede, en een derde. De Witte Paters stromen de ruimte in als ratten die een kelder binnendringen—geruisloos, snel en gedreven door een honger die niets met voedsel te maken heeft. Hun ogen glimmen van een koud fanatisme in de schaduw van hun kappen. De penetrante, misselijkmakende geur van goedkope wierook, die diep in de vezels van hun kleren is getrokken, walmt de ruimte in en gaat een giftig huwelijk aan met de scherpe geur van ozon die nog rond het altaar hangt.

Wulfbehrt voelt zijn maag samentrekken. Het is geen angst voor de strijd. Het is een diepere, instinctieve afkeer. Deze mannen ruiken naar een ziekelijke, verstikkende vroomheid die alles wil vernietigen wat vrij is. Hij kijkt naar hun wapens—botbrekers, zwaarden, messen —en beseft met een ijskoude zekerheid dat hij het niet zal halen tegen deze overmacht. De smidse, het vuur, de dromen van een toekomst... ze vervagen tot niets in het aangezicht van deze monsters. Hij weet dat hij hier zal vallen. Het enige waar hij nu nog op durft te hopen, is een snelle dood.

Ook Maryam voelt een koude rilling door haar heen gaan. Ze herkent de energie van deze mannen. Het is een leegte. Waar het Amulet pulseert met leven en mogelijkheden, zijn deze Paters zwarte gaten die licht en magie opslokken. Ze voelt hun blik op haar huid branden nog voordat ze haar zien; een blik die haar niet als mens ziet, maar als een vlek die weggepoetst moet worden. Ze klemt het Amulet steviger vast, haar enige schild tegen hun spirituele kille.

In het midden van de groep stapt de leider naar voren. Pater Mechyel. Met een langzame, theatrale beweging duwt hij zijn natte kap naar achteren. Het fakkellicht onthult een gezicht dat meer op een doodshoofd lijkt dan op dat van een levende man; de bleke huid staat strak gespannen over de jukbeenderen, zijn lippen zijn een dunne, bloedeloze streep. Hij negeert Wulfbehrt volledig. Zijn brandende blik kijkt dwars door de smid heen en fixeert zich op de vrouw in de schaduw. "De Heks," sist hij, met een stem die schuurt als steen op steen. "En het Oog van de Duivel." Hij strekt een benige hand uit, palm open. "Geef het aan God, vrouw. Onderwerp je, en we zullen je de genade schenken om gezuiverd te worden met vuur in plaats van je te villen."

Wulfbehrt verzet zijn gewicht. Ridders vechten voor eer, voor koning en vaderland. Een smid vecht om te beschermen wat van hem is. "Ik smeed staal, priester," gromt hij. "Ik breek ijzer met mijn blote handen. Doe één stap dichterbij en ik breek jou." Mechyel lacht, een droog, humorloos geluid. Hij heft zijn hand in een lui gebaar. De monniken achter hem heffen hun wapens, hun lichamen spannen zich aan, klaar om de eenzame smid te overspoelen als een vloedgolf. "Sla de hond neer," beveelt hij kalm. "Grijp de..." Hij maakt zijn zin niet af.

Een nieuw geluid vult de grot. Het overstemt de stem van de priester met een mechanische, dodelijke precisie. Het is het kille, ritmische klik-klak van zware, gepantserde laarzen op steen en het rinkelen van sporen. "Zo, zo," klinkt een melodieuze, arrogante stem vanuit de tunnelopening. "De kerk doet het vuile werk, zoals altijd. Jullie besparen me de moeite."

In de opening staat Graaf Robert. Hij heeft zijn helm afgezet. Zijn gitzwarte haren plakken in natte slierten tegen zijn voorhoofd, zijn bleke gezicht is bespat met modder. Hij draagt zijn zware wapenrusting en leunt nonchalant op een lang, tweehandig zwaard waarvan het gevest ingelegd is met robijnen die gloeien als gestold bloed. Achter hem vullen zijn soldaten de smalle gang, een ondoordringbare muur van staal, maliënkolders en getrokken wapens.

Robert heeft gezelschap. Naast hem, ruw vastgehouden door de brute soldaat Bastien, staat Mathilde. Ze ziet eruit als een gebroken pop. Haar gezicht is gezwollen en blauw, haar kleren zijn gescheurd en besmeurd met modder. Wanneer Mathilde opkijkt en Wulfbehrt ziet staan, breekt er iets in haar. Een jammerend geluid, laag en pijnlijk, ontsnapt aan haar keel. Meester. Ze ziet zijn sterke gestalte, zijn zwaard geheven ter verdediging van Maryam, en de schuld slaat in als een fysieke klap. Ik heb dit gedaan, denkt ze, terwijl de tranen over haar gekneusde wangen stromen. Ik heb de wolven naar zijn deur geleid. Ik heb mijn ziel verkocht voor een leven dat ik niet verdien. Ze wil wegkijken, ze wil sterven van schaamte, maar ze kan haar ogen niet van hem afhouden. Ze ziet in zijn blik geen herkenning, alleen de focus op de strijd, en dat doet nog meer pijn dan zijn haat zou doen. Ze is onzichtbaar geworden, gereduceerd tot een instrument van zijn ondergang. "Vergeef me," fluistert ze onhoorbaar, wetende dat sommige zonden onvergeeflijk zijn.

Aan de andere kant van de Graaf staat Marie. Ze draagt nog steeds haar vreemde, moderne kleding, nu onherkenbaar besmeurd met modder en groen. Ze is bleek als een lijk, haar ogen staan wijd van puur ongeloof terwijl ze de surrealistische scène in zich opneemt: de fanatieke monniken, het trillende altaar, en de smid die haar beschermer moet zijn.

"Mijn God!" De kreet ontsnapt aan Maryams lippen vanuit de schaduw bij het altaar. Marie kijkt op. Haar blik zoekt de stem en vindt de vrouw in de schaduw. Ze stokt. Haar adem blijft hangen in haar keel. Het is alsof de tijd zelf een spiegel voorhoudt, maar het glas is gebarsten en donker. Marie ziet een vrouw die op haar lijkt, maar dan ouder, harder, gesmeed door een leven dat Marie zich niet kan voorstellen. ‘Ben ik dit?’ schiet het door haar hoofd. ‘Is dit een vorig leven? Een voorouder? Of ben ik gek geworden en kijk ik naar mijn eigen geest?’ De gelijkenis is te treffend om toeval te zijn. De vorm van de ogen, de trotse houding... het is alsof ze naar een echo kijkt. Maryam staart terug, haar hart bonst. Ze ziet een meisje dat vreemd gekleed is, maar dat dezelfde ziel in haar ogen draagt. Ze voelt een onverklaarbare connectie, een draad die hen bindt dwars door de chaos heen. ‘Zij is degene voor wie we wachten,’ beseft Maryam. ‘De dochter van de toekomst.’

Pater Mechyel draait zich langzaam om naar de Graaf, zijn gezicht is vertrokken van pure haat. "Dit is een kerkelijke aangelegenheid, Robert. Ga terug naar je kasteel en laat ons Gods wil uitvoeren." Robert glimlacht. "Ik denk het niet, Mechyel. Ik heb zojuist je abdij tot de grond toe afgebrand. Ik heb je monniken geslacht als varkens in hun eigen kapel. Vanaf nu neem ik het hier over." Mechyel deinst terug, alsof Robert hem fysiek in het gezicht heeft geslagen. Zijn ogen puilen uit, aders zwellen op in zijn nek tot ze dreigen te barsten. "Afgebrand?" krijst hij, zijn ijzige kalmte is volledig verbrijzeld. "Het Huis van God? Heiligschennis! Vuile, goddeloze hond!" Spuug vliegt uit zijn mond. "Ik zag de rook, maar ik dacht... De bibliotheek! De relikwieën! Je hebt eeuwen aan heiligdom vernietigd voor je eigen hebzucht!"

Robert haalt zijn schouders op. Hij geniet van de pijn van de ander. "Het brandde prachtig, priester. Vooral het dak van het schip. Het stortte in met een geluid dat als muziek in mijn oren klonk. En je broeders... ze gilden zo mooi toen de vlammen hen vonden. Ik zal je ziel persoonlijk uit je lichaam scheuren en voeren aan de honden, net zoals ik met hen heb gedaan!"

Mechyel heft zijn handen, trillend van een onmenselijke woede, klaar om zich op de Graaf te storten, wapen of geen wapen. "Satan!" brult hij. Robert kijkt hem onbewogen aan, de minachting druipt van zijn gezicht als gif. Dan verlegt hij zijn aandacht. Hij negeert de razende priester en doet een stap in de richting van Wulfbehrt. Zijn zwaard hangt ontspannen aan zijn zijde, een gebaar van bedrieglijke vrede. "Smid," zegt hij, en zijn stem verandert van toon. Het arrogante randje maakt plaats voor een zalvende, redelijke klank. "Kijk naar deze waanzin. Kijk naar deze dwaze priester die alleen maar bloed en vuur wil." Hij spreidt zijn handen in een open gebaar. "Ik ben niet zoals de paters. Ik heb geen interesse in je ziel, je zonden of je verdoemenis. Ik ben een man van de wereld. Een man van zaken." Hij zet nog een stap dichterbij. "Wat mij betreft zijn jullie vrij om te gaan," vervolgt Robert zacht. "Jij en je vrouw. Je kunt deze grot verlaten, het bos in trekken en verdwijnen. Ik zal mijn mannen bevelen jullie niet te volgen. Geen brandstapel, geen marteling. Gewoon... vrijheid."

Wulfbehrt kijkt hem strak aan, zijn greep om zijn zwaard verslapt niet. "En de prijs?" Robert glimlacht. "Een kleinigheid. Op voorwaarde dat jullie me het amulet geven. Laat het kleinood achter, en jullie levens zijn van jullie." Wulfbehrt zwijgt even. Hij kijkt naar de Graaf, naar de glinsterende, hongerige ogen. Dan spuugt hij op de grond, vlak voor Roberts laarzen. "Ik ken jouw soort vrijheid, Graaf," gromt Wulfbehrt. "Die smaakt naar as en verraad. Je woord is minder waard dan de stront aan mijn hiel."

De glimlach verdwijnt van Roberts gezicht. De kilte keert terug, harder dan voorheen. "Jammer," zegt hij. "Ik had gehoopt dat je verstandiger was." Zegt Robert zacht. Hij maakt een achteloos, verveeld gebaar naar zijn soldaten. "Maak ze af. Allemaal. De paters, de smid... en de heks als ze het amulet niet vrijwillig geeft." "En de meisjes?" vraagt Bastien. Hij verstevigt zijn greep om Mathildes arm tot ze zachtjes jammert. Robert haalt zijn schouders op. "Die zijn voor later. Voor het plezier."

De hel breekt los. De soldaten stormen de kamer binnen. De Paters, ingesloten en wanhopig, draaien zich om en vallen de soldaten aan met de moed der waanzin. Knuppel klettert met een doffe klap tegen schild. Zwaard ontmoet zwaard met een schurend geluid. Het is een bloedbad in een flessenhals. In de chaos wordt Marie opzij geduwd. Ze struikelt en valt hard op de stenen vloer. Ze kruipt naar de zijkant van de grot, wanhopig zoekend naar dekking terwijl zwaarden boven haar hoofd zwaaien.

Wulfbehrt staat in het midden van de storm. Hij wordt bijna onder de voet gelopen door de vechtende mannen. Hij zwaait zijn zwaard in brede, dodelijke bogen, houdt de eerste aanvallers op afstand, maar de overmacht is te groot. Hij wordt teruggedrongen, stap voor stap, tot hij met zijn rug bijna tegen het altaar staat, naast Maryam.

De strijd tussen de facties is kort en bruut. De monniken zijn geen partij voor de getrainde, zwaarbewapende ridders van de Graaf. Eén voor één vallen ze in het natte gruis, hun witte pijen kleuren rood. Uiteindelijk staat alleen Pater Mechyel nog overeind. Hij zwaait met zijn zwaard en schreeuwt over verdoemenis. Bastien stapt naar voren en slaat met een harde, nonchalante klap van zijn schild het wapen uit de hand van de priester. Twee soldaten grijpen Mechyel vast, dwingen hem op zijn knieën en binden zijn handen ruw op zijn rug.

Robert de Duivel stapt over het lijk van een pas gedode monnik heen, zijn laarzen knarsen op het bot. De stilte keert langzaam terug in de grot, enkel verbroken door het zware hijgen van de mannen, het gekletter van wapens die worden geborgen en het zachte snikken van Mathilde. Robert loopt rustig door het strijdgewoel, onaangeraakt, alsof hij door zijn eigen tuin wandelt. Hij stopt voor Wulfbehrt en Maryam. Hij heft zijn zwaard, de punt wijst naar Wulfbehrts keel. "Het is voorbij, smid," zegt de Graaf. "Je hebt dapper gevochten, maar met dapperheid koop je geen leven."

Maryam negeert hem. Ze kijkt niet naar het zwaard, niet naar de soldaten. Ze kijkt naar de muur achter het altaar. Ze voelt de trilling. De resonantie die door de vloer omhoogkomt. "Nee," zegt ze, en haar stem is vreemd kalm. "Het begint pas." Ze draait zich om en drukt het Amulet met beide handen plat tegen de koude steen van de achterwand. De lucht wordt met een misselijkmakende kracht uit de grot gezogen, waardoor de oren van alle aanwezigen poppen. Een verblindend wit licht, feller dan de zon, feller dan bliksem, explodeert geruisloos vanuit de muur. Robert deinst terug, verblind. Hij slaat zijn arm in een reflex voor zijn ogen. Ook Marie, vanaf de grond, kijkt toe met toegeknepen ogen, haar hand voor haar gezicht.

De massieve rotswand lost op. Het begint in het midden, waar het amulet de steen raakte, en breidt zich uit als een inktvlek van puur licht. De harde, koude steen wordt vloeibaar, golft en vervormt tot een draaikolk van mist en energie die de wetten van de fysica tart. De geur van ozon wordt overweldigend, vermengd met iets anders, iets onbekends: de geur van een andere tijd. Het is alsof de werkelijkheid zelf wordt opengereten.

Uit die mist, struikelend, vallend, breekt een gestalte. Een man. Hij wordt letterlijk de kamer in geworpen door de kracht van de poort. Hij draagt vreemde kleren—een jas van een stof die niemand hier kent, broeken van blauw katoen, vreemde schoenen met dikke zolen. In zijn hand klemt hij een voorwerp dat identiek is aan het Amulet van Maryam. Het brandt met een wit, elektrisch, onmogelijk fel licht, en pulseert met een energie die de fakkelvlammen doet verbleken. Wolf valt de grot van 1066 binnen. De schok van de landing is genadeloos. Hij slaat tegen de natte stenen vloer, glijdt uit over een mengsel van modder en vers bloed en komt hard op zijn knieën terecht. Zijn longen protesteren, happen naar lucht. Hij hoest, rochelt, en wrijft met de rug van zijn hand over zijn ogen, die branden van het felle licht en de plotse duisternis van de grot.

De wereld om hem heen is chaos. Het geluid van de waterval is hier gedempt, maar wordt vervangen door een veel erger geluid: het zware gehijg van mannen. En dan is er de onmiskenbare stank van de dood. Wolf kijkt wild om zich heen, zijn hersenen proberen wanhopig de overgang te verwerken van de stille, eenzame grot uit 2015 naar dit middeleeuwse slachthuis. Hij ziet lijken in witte pijen. Ridders in zwart staal. Een man die vastgebonden op zijn knieën zit.

"Wolf!" De kreet komt van de zijkant, schor en vol ongeloof. Hij draait zijn hoofd met een ruk. Daar, op de koude, vuile grond, half verscholen in de schaduw van de rotswand, ligt Marie. Ze is besmeurd met modder en tranen, haar kleding is gescheurd, maar ze leeft. Ze kijkt hem aan met ogen die zo groot zijn als schoteltjes, alsof ze een geest ziet. Zijn hart slaat een slag over, en de opluchting spoelt over hem heen als een warme golf, zo intens dat hij bijna in elkaar zakt. Hij heeft haar gevonden. Ze is hier. Ze is echt.

Dan voelt hij het. Een aanwezigheid. Iets groots, iets zwaars dat boven hem torent. Een schaduw die over hem heen valt en het licht van de fakkels blokkeert. Langzaam, met een gevoel van naderend onheil, kijkt hij op. Hij staart recht in het gezicht van een reus. Een man die voor hem staat als een berg, leunend op een bebloed zwaard. Zijn borstkas gaat zwaar op en neer van de inspanning. Zijn gezicht is besmeurd met roet en bloedspatten, zijn haar is wild en in de war.

Wolf staart... en Wulfbehrt staart terug. De wereld lijkt te stoppen met draaien. Het geluid van de waterval, het hijgen van de soldaten, het gesnik van Mathilde... alles vervaagt tot een betekenisloze achtergrondruis. Er is alleen dit moment. Deze onmogelijke ontmoeting. Het is alsof ze in een spiegel kijken die niet het uiterlijk reflecteert, maar de ziel. Wolf ziet zijn eigen gezicht, maar dan harder, rauwer. Hij ziet dezelfde sterke, hoekige kaaklijn, dezelfde neus. Maar vooral ziet hij dezelfde donkere, intense ogen die branden van een vastberadenheid die de eeuwen overstijgt. Alleen zijn die ogen bij de smid ouder, dieper, getekend door littekens die Wolf nog niet heeft, door een leven van harde arbeid en brute strijd dat Wolf nooit heeft gekend. Hij kijkt naar de man die hij zou kunnen zijn. Of de man die hij is geweest. Een echo van zichzelf in een andere, hardere realiteit, gesmeed door een ander vuur.

Wolf krabbelt overeind, zijn benen trillen van de naweeën van de reis en de allesverlammende schok van de herkenning. Hij staat oog in oog met zijn eigen verleden, of zijn eigen toekomst. De vraag brandt in zijn ogen, maar zijn keel zit dichtgeschroefd. Wulfbehrt grijnst. Het is geen vrolijke lach, maar een grimas die meer lijkt op een teken van diepe, wederzijdse erkenning. Hij steekt zijn grote, eeltige hand uit en pakt de schouder van zijn jongere evenbeeld vast. De greep is stevig, zwaar, echt. Een fysieke verbinding over duizend jaar heen. "Je bent laat," gromt de smid, alsof hij dit al die tijd al wist. "Ik dacht dat ik het alleen moest doen."

- - -

Meer weten over dit verhaal? Abonneer je dan op de nieuwsbrief door mij een mail te sturen (mijn emailadres vind je op mijn profielpagina)
Geef dit verhaal een cijfer:  
5   6   7   8   9   10  
Durf jij met oma te flirten?
Durf jij met oma te flirten?