Lekker Anoniem Webcammen!
Donkere Modus
Door: Jefferson
Datum: 04-03-2026 | Cijfer: 8.2 | Gelezen: 301
Lengte: Zeer Lang | Leestijd: 47 minuten | Lezers Online: 4
De Nieuwe Orde
Dat weekend heb ik veel om over na te denken. Ik zit thuis na een zeer hete douche, waarin mijn gedachten opnieuw veel te ver zijn gegaan. Sind afgelopen donderdag spelen de gebeurtenissen van die middag als een soort loop door m'n hoofd. Een vloek en een zegen. Ik moet mezelf dan wel aanraken. Ik kom dan heerlijk klaar. Maar daarna altijd de realisatie. Dit pad wat ik nu nog steeds bewandelde, was eigenlijk een onmogelijke.

De stoom hing nog in de badkamer, alsof zelfs de lucht mijn geheimen kende. Maar niemand die het wist. Hoe ik mij weer had laten gaan. Terugdenkend aan de anale seks met Dylan besef ik dat dit maar een klein onderdeel was van iets groters dat in mij is losgekomen.

Na de douche ben ik iets helderder, maar mijn gedachten blijven razen. Ik had nogal wat vragen. Wellicht verlichten de antwoorden wat ik gedaan had. Maar ik wist dat dat tevergeefs was. Vragen als... Heeft Dylan gespiekt, en hoe dan? En is dat zo erg? Want ik vond het veel te lekker, als ik eerlijk ben… Die tegenstrijdigheid knaagt: schaamte en opwinding, schuld en verlangen, allemaal door elkaar. Het maakte niet uit of hij eerlijk dat cijfer gehaald had. Ik was vooral blij dat hij het gehaald had...

Ik merk dat mijn lichaam het zich nog herinnert, alsof elke aanraking een echo heeft achtergelaten. Zelfs nu, alleen op de bank, voel ik een tinteling die ik niet kan wegredeneren. Terwijl mijn gedachten afdwalen, ga ik net zo op de bank liggen; net zo als dat ik op mijn bureau gelegen had. Gewoon voor het idee. Ogen dicht. En ik beleef het weer. Dylan die me neemt. Niet alleen fysiek, maar ook menthaal. Daar waar ik nog nooit genomen was. Ik leg mijn hoofd over de rand van de bank. En het is alsof ik Luc zie toekijken. Trekkend aan zijn grote paal met de kromming erin. Mijn mond opent zich. Een zucht ontsnapt. Ik speel met mijn poesje, en daarbij laat ik nu ook een vinger iets lager gaan, voorzichtig, verkennend. Dat deed Dylan niet. Ik voel en proef het zaad. En als ik dan alweer klaarkom, ben ik heel even helder. En dan wil ik meer. En is meer. Er zijn nog twee jongens. Die hadden er ook bij kunnen zijn...

Weten de andere jongens dit, los van Luc? Dat ik anaal genomen ben, dat Dylan mogelijk heeft gespiekt en er ook nog mee weg is gekomen — en hoe verhoudt dit zich tot wat zij denken dat ze weten? Vast wel. Dat houdt hij niet voor zich. En wat let ze nog allemaal een dikke tien te halen de volgende keer? Ik zal ze niet stoppen, besef ik me maar al te goed. Iets wat me vooral bang maakt omdat zomaar alle grenzen vervaagd zijn. Voorgoed?

De blikken van de afgelopen week spelen opnieuw door mijn hoofd. Hoe ze toch veranderden. Voor en na die donderdagmiddag. Die vrijdag had ik ze niet in de les, maar natuurlijk zag ik ze op school. Dylan triomfantelijk, de rest eromheen... Altijd wat meisjes in de buurt, die nooit zouden doen wat ik gedaan had. En hoe Jayden en Mo toen keken... Was dat toeval, of zagen ze iets in mij wat ik zelf nog niet onder ogen wilde zien? Misschien projecteer ik het, misschien hoop ik het zelfs.

Wat als het geen geheim meer is? Zou dat bevrijdend zijn, of juist vernederend? Het idee alleen al laat mijn hart sneller kloppen. En dan blijkt pas hoever ik ben afgegleden.

Want moet ik hier meer gebruik van maken? Iedereen laten spieken? Zodat ze me allemaal mij… anaal mogen nemen? Om de beurt… Het is duizelingwekkend geil, juist omdat ik weet hoe fout het is. Of ben ík de foutste?

De gedachte aan controle maakt het nog intenser. Niet langer overgeleverd zijn, maar zelf bepalen. Wie kijkt. Wie wacht. Wie mag.

Een ander idee komt in me op; nog ergen: zelf cijfers verzinnen, zodat ik krijg wat ik verlang. Of Dylan dan spiekt of niet, maakt niet uit. Ik kan de beloning van begin tot eind regisseren, bepalen welke lul waar komt en wie waar klaarkomt… Ik heb dan alweer een hand tussen mijn benen, ook al sta ik in de keuken. Het laat me gewoon niet los.

Het is een gevaarlijk spel, dat weet ik. Maar juist dat randje maakt het zo verslavend. Macht en overgave in één adem. Eén zucht.

Ik probeer mezelf gerust te stellen met halve waarheden. Dat het mijn lichaam is. Mijn keuze. Mijn regels. Maar ergens weet ik dat verlangen zich zelden aan regels houdt. Hoe zou ik mijzelf hieruit kunnen praten, als het uitkomt? Daar denk ik dan maar niet aan, wat nog het domste is.

Misschien zoek ik geen controle, maar een excuus om los te laten. Om niet meer het braafste meisje van de klas te hoeven zijn, zelfs al sta ik er nu zelf voor. Om te voelen zonder direct te oordelen.

Toch blijft de vraag: wanneer wordt een fantasie een beslissing? En wat viel er nog te beslissen?

Mijn hele weekend stond dus in het teken van dit soort gedachten. Om gek van te worden — maar vooral om geil van te worden. Echt, ik moest moeite doen om die zondag in de sportschool niet mee te gaan met elke jongen die maar net iets te lang naar me keek… En het leek wel of er steeds meer jongens naar me keken. Of het viel me nu pas op. En zoals ze keken, wist ik dat ik wellicht aan een blik genoeg had. Dat iemand me zou volgen naar een kleedhokje... Waar sport me voorheen afleidde, was de sportschool een nieuwe bron van onrust en opwinding geworden. En ook hier vond ik dat nu vooral fijn. Waren het niet de jongens van school waar ik over fantaseerde, dan wel de hunks uit de sportschool.

En zo begon de nieuwe week. Ook in het dagelijks leven ging het een grotere rol spelen. Elke blik voelde als een uitnodiging, elke glimlach als een test. Op school, in de supermarkt, zelfs in de auto bij het stoplicht. Ik vroeg me af hoe dun de lijn is tussen verleiding en toestemming, tussen spel en ernst. Het voelde alsof ik iedereen toestemming gaf, iedereen verleidde. En dat met ernst.

Toen ik de woensdag uiteindelijk naar huis fietste, met koude lucht in mijn gezicht, voelde ik pas hoe moe ik was van mijn eigen hoofd. Maar diep vanbinnen wist ik ook: dit is nog lang niet voorbij. Morgen zou het weer donderdag zijn. Weer een SO. Weer cijfers. Weer belonen. En ik liep in mijn hoofd al behoorlijk op de zaken vooruit. Alweer...

Het is weer donderdagmiddag. Er hangt een gespannen sfeer in de klas. Ik draag opnieuw iets anders, wetend wat me te wachten staat. De outfit telt: net niet verleidelijk genoeg om voor de klas te staan, maar veelzijdig genoeg om met één of twee snelle handelingen wél verleidelijk te zijn als het straks moet. Het is een zorgvuldig gekozen balans, een dunne lijn tussen professionaliteit en suggestie, waarbij elke plooi en elke naad een rol speelt in hoe ik word gezien.

Een knoopje los, een jasje uit… De push-up laat mijn borsten hoog uitkomen onder een dichtgeknoopt wit overhemd, met een blauwe blazer die nonchalant openhangt en mijn borst verder benadrukt. De stof beweegt subtiel mee wanneer ik loop, alsof zelfs dat kleine detail de aandacht trekt. Maar geen bloot. Dus niemand die iets zegt. Alleen: iedereen kijkt. Blikken glijden langs me heen en schieten weer weg, alsof ze bang zijn betrapt te worden op wat niet hardop benoemd mag worden.

De lichte skinnyjeans maken mijn billen nog strakker, en ik besef dat ik op het randje zit. De pasvorm tekent zonder te onthullen, suggereert zonder prijs te geven. Maar nergens echt bloot. Dus kom ik ermee weg. Voorlopig althans, want ik voel dat elke keuze, hoe klein ook, wordt opgeslagen in de stille observaties van het lokaal. Het is zowel mijn wapen als schild.

Ik heb besloten niet zelf te handelen, het niet nóg erger te maken. Afwachten voelt veiliger dan ingrijpen, alsof stilzitten de gevolgen kan beperken. Ik weet dat ze misschien wel een voldoende gaan halen en dat ik dan aan de slag moet. Ik moet ze dan belonen. En mijn geduld wordt dan ook beloond, houd ik mezelf voor. Die gedachte herhaal ik vaker dan nodig, alsof overtuiging vanzelf waarheid wordt.

Toch speelt het idee dat ze óók geen voldoende halen door mijn hoofd. Wat dan? Verdwijnt de druk dan, of verschuift die alleen maar? Of is dat naïef van me — denken dat cijfers iets oplossen wat allang buiten het papier is getreden?

Ik betrap mezelf erop dat ik scenario’s blijf herhalen. Wat als dit. Wat als dat. Alsof ik met genoeg varianten uiteindelijk uitkom bij een uitkomst waarin niemand schuld draagt, en ik al helemaal niet.

Dylan grijnst alweer onheilspellend. Het is geen openlijke provocatie, eerder een stil vertrouwen dat hij de situatie naar zijn hand kan zetten. Ik weet dat hij op de een of andere manier spiekt. Ik heb alleen geen idee hoe. Zijn blik dwaalt te weinig, zijn antwoorden komen te snel. Het klopt niet — en toch laat ik het gebeuren.

Maar ik weet ook dat hij weer krijgt wat hij wil — waarschijnlijk hetzelfde als vorige week. En ik wil dat ook. Die erkenning komt als een fluistering in mijn hoofd, ongewenst maar hardnekkig. Het is gemakkelijker om hem de schuld te geven dan toe te geven dat ik zelf onderdeel ben van het spel.

Wat de rest dan haalt, is bonus. Of moeten ze ook komen kijken als ze geen voldoende halen? Als extra motivatie. Of spieken ze deze keer allemaal? De gedachte alleen al laat een onrustige rilling langs mijn rug lopen. Controle is overzichtelijk zolang niemand de regels openlijk breekt.

Ik ga er niet achter komen. Nog niet. Maar ik wil het wel meemaken. Nieuwsgierigheid vermomt zich moeiteloos als professionaliteit. Maar zo ver komt het deze keer echt niet…

We zijn net tien minuten bezig. Ik zit onrustig achter mijn bureau, tikkend met mijn hiel tegen het laminaat, waar niemand iets van durft te zeggen. Het ritme verraadt mijn spanning, al doet iedereen alsof ze het niet horen. Mijn blik glijdt naar de deur, dan weer naar de toetsen, dan weer naar Dylan.

Ik zie hem al aankomen lopen in de gang. Netjes. Zoals altijd. Zijn pas is gelijkmatig, beheerst, alsof hij nooit haast heeft en zelden twijfelt.

De rector. Van Weelden, heet hij.

‘Zeg maar Bart,’ zegt hij elke keer tegen mij, maar ik weet dat hij het fijn vindt dat ik hem ‘meneer Van Weelden’ blijf noemen. Die kleine afstand bevestigt zijn positie, en misschien ook de mijne. Hij ziet er nog jong uit, maar is al in de vijftig. Een aantrekkelijke man op een beheerste manier. Hij kijkt wel eens te lang naar me. Ik maak er maar gebruik van — of houd mezelf dat in ieder geval voor.

Maar hij is hier nu niet voor mij.

Hij loopt eerst naar mij toe terwijl de klas gespannen opkijkt. Stoelen kraken, iemand schraapt zijn keel. Een enkeling maakt gebruik van het moment om nu te spieken, maar niet de jongens die ertoe doen. Alsof zelfs zij aanvoelen dat dit geen gewoon oponthoud is.

Kort fluistert hij mij wat er speelt. Zijn adem fris en warm tegelijk. Net iets te dichtbij. Zijn stem is laag, zakelijk, zonder oordeel. Dan richt hij zich op.

‘Dylan,’ spreekt hij streng.

De naam snijdt door het lokaal.

Indrukwekkend is hij wel. Niet door volume, maar door zekerheid.

‘Meekomen.’

Dylan aarzelt niet. Zijn stoel schuift naar achteren, hij staat op, haalt zijn schouders op. Opeens is hij toch weer maar een jongen — kleiner dan zijn bravoure, jonger dan zijn blik.

Mijn hart gaat tekeer. Het voelt alsof de knoopjes van mijn iets te strakke blouse op springen staan. Alsof de spanning zich een uitweg zoekt via de stof, via mijn ademhaling, via elk klein gebaar dat ik probeer te beheersen.

Want ik moet mee. De rector heeft me verteld waarom. Maar blijft het daarbij? Of weet hij meer? Heeft hij gezien wat ik dacht dat verborgen bleef, gevoeld wat ik zelf nog ontken?

Terwijl ik opsta, voel ik de ogen van de klas in mijn rug branden. Niet vragend, niet begrijpend — alleen registrerend. Alsof dit moment later nog eens zal worden opgerakeld, in gefluisterde gesprekken en halve herinneringen.

En ergens besef ik: wat hier gebeurt, gaat niet alleen over Dylan.

We lopen de gang op. Mijn handen zijn onrustig; mijn vingers zoeken iets om vast te houden en vinden niets. Ik heb het warm, terwijl de lucht hier juist koeler is dan in het lokaal. Het voelt alsof ik er eindelijk bij ben — betrapt, ontmaskerd — alsof ik deel uitmaak van iets dat zich buiten het zicht van de klas afspeelt. Maar het gaat echt alleen om Dylan. Dat houd ik mezelf voor, keer op keer. En deze keer is dat ook zo. Voor zover ik weet.

Hij spiekte. En niet alleen bij mij. Ik weet nog altijd niet hoe, maar bij Frans had hij ook opeens een negen gehaald — en dat nog bij drie andere vakken waar hij het hele jaar geen voldoende had gescoord. Dus ja… zo slim was hij nu ook weer niet. Wel gretig. Al weet ik zeker dat ik de enige ben bij wie hij nog een andere afspraak had lopen. Nu niet meer.

Het besef dat die afspraak nu betekenisloos is, voelt vreemd dubbel: opluchting vermengd met een leegte die ik niet had verwacht.

Hij wordt geschorst.

Het woord valt zwaar, alsof het meer ruimte inneemt dan de gang toelaat.

Hij schrikt. Oprecht. Zijn bravoure zakt compleet weg, zijn schouders iets naar voren, zijn blik kort zoekend. En ik ook. Als hij wil, is dit het moment om mij erbij te lappen. Zo kijkt hij ook — alsof hij beseft wat hij in handen heeft. Macht in zijn puurste vorm: één zin, één beschuldiging, en alles verschuift.

Maar hij doet het niet.

En ergens raakt me dat. Meer dan ik wil toegeven.

Hij lapt mij er niet bij. En ik maak het niet erger voor hem. Ik neem het zelfs voor hem op, alsof we een stilzwijgende overeenkomst hebben gesloten die nooit is uitgesproken.

‘Weet u het zeker?’ vraag ik, met een bezorgdheid die deels echt is en deels gespeeld.

‘Zeg maar je,’ zegt hij dan, bijna lief tegen mij, zoals altijd. Daarna meteen weer streng naar Dylan: ‘Pak je spullen en meekomen.’

De omslag in zijn toon is scherp, bijna tastbaar. Autoriteit is blijkbaar slechts een kwestie van intonatie.

Samen staan we op de gang: de rector en ik. Terwijl Dylan z'n spullen pakt. Het voelt plots te stil.

‘Het lef,’ zegt hij.

Ik weet niet of hij bewondering of afkeuring bedoelt.

‘Maar ja, sommige mensen hebben nu eenmaal wat meer lef,’ voegt hij eraan toe.

Hij kijkt naar mij. Alsof hij het over mij heeft. Alsof hij meer weet. Maar zijn ogen dwalen zonder gêne, nog voordat ik daar echt van kan schrikken. Wellicht had hij het alleen over mijn kledingkeuze. Daar was vaker wat om te doen.

Hij bekijkt mij. Ik houd mijn armen voor mijn buik en trek mijn jasje iets dichter. Maar mijn borsten zitten zo strak achter de stof dat dit ze juist benadrukt in plaats van verbergt. De poging tot bescheidenheid werkt averechts.

Ik wist nooit goed wat ik van hem moest vinden. Al wist ik wel wat hij van mij vond. Hij stond bekend als niet zo moeilijk — een reputatie die zowel geruststellend als verontrustend is.

Toch ontspan ik dan juist maar. Alsof zijn blik me geruststelt. Een act, omdat ik bang ben voor erger. Laat hem dan maar kijken. Alsof dat zou helpen… alsof gezien worden hetzelfde is als begrepen worden.

Ben ik zo gek geworden?

Maar voor nu loopt het goed af. Voor mij. Niet voor Dylan.

Dan ga ik weer terug de klas in. Mijn hart raast als een malle, alsof het te luid klopt voor de stilte die me tegemoetkomt. Er is een vacuüm ontstaan. De andere drie kijken me angstig aan. Hun blikken zoeken houvast, een uitleg die ik niet ga geven.

Her en der roddelen anderen over Dylan. Fluisteringen bewegen sneller dan feiten.

Ik roep iedereen tot de orde. Het SO gaat verder.

Mijn stem klinkt stabiel, professioneler dan ik me voel. Alsof routine een schild kan vormen tegen wat er net is gebeurd.

Ook Luc, Jayden en Mo buigen zich weer over hun werk. Luc vraagt om een nieuw blaadje. Hij begint opnieuw, trager deze keer.

‘Mevrouw, mag ik een schone?’ vraagt hij, zonder op te kijken.

Ik knik en schuif het papier naar hem toe.

Ik slik. Hij wilde ook de boel belazeren, haal ik hieruit. Maar nu niet meer. Of misschien alleen niet vandaag. Soms is angst een betere correctie dan regels.

Mo en Jayden leken er niet bij betrokken te zijn. Hun blikken blijven op hun toetsen gericht, alsof concentratie hen onzichtbaar kan maken.

Luc komt dus net goed weg. Of net niet. Het is maar net hoe je het bekijkt. De grens tussen geluk en gemiste kans is dun.

De klas is stiller dan daarvoor. Pennen krassen over papier, maar de concentratie voelt broos, alsof die bij de minste verstoring kan breken. Iedereen weet dat er iets is gebeurd, ook al spreekt niemand het hardop uit.

Ik loop langs de tafels en voel hoe de ruimte gevuld is met onuitgesproken vragen. Wat is er gebeurd? Wie wist wat? En vooral: wat betekent dit voor ons?

Niemand vraagt het.

En ergens, onder de professionele rust die ik uitstraal, weet ik dat deze middag nog lang zal nadreunen, en ook nog niet voorbij is.

En dan is het voorbij.

Het laatste kwartier mag iedereen wat voor zichzelf doen terwijl ik nakijk, meer gespannen dan ooit. Ik voel de drie naar me kijken. Ze zijn doodstil. Ja, wat nu? Gaat dit door?

Ik voel dat als ik ze straks gewoon laat gaan, het zomaar voorbij zou kunnen zijn. Zonder Dylan zijn ze eigenlijk niks. Maar niks zeggen en doen is ook zo wat.

Ik heb hun cijfers voor me liggen. Ik weet het resultaat en wie er beloond zou moeten worden en wie niet. Ik weet het al. Zij niet. Maar moet ik dit nog doen?

Het is ongekend hoe opgewonden ik nu ben. Juist doordat Dylan er niet is. Omdat ik voel dat ik de regie over kan nemen. Zonder de angst voor chantage. Want daar neig ik nu naar. Niet stoppen, maar doorpakken…

Ik knik alleen naar ze als de bel gaat. Meer hoeft niet. Ze blijven zitten. Niemand vindt dat gek. Ik slik wel even. Wacht in stilte tot het alleen wij vieren zijn.

En dan? Een stilte als nooit tevoren. Spanning om te snijden. Mijn blouse zit nog strakker. Zo voelt het.

Ik wil wat zeggen. Maar ik weet niet wat. Ik open mijn mond. Er komt niks uit. Voor zover de regie…

“Het hoeft niet,” zegt Jayden dan. De enige die ik ook buiten school heb gehad. Juist hij. Alsof er een band was.

Ik lach om zijn woorden. “Was het maar zo simpel,” zeg ik, wat eigenlijk een gedachte was.

Ik wil het. Ik moet het hebben. Mijn lijf schreeuwt om al dit foute gedoe. Zelfs nu Jayden me daadwerkelijk een opening biedt. Een weg hieruit.

Ik slik. Ik zwijg even. En in die stilte beseffen ze het. Ik zie het. Ik voel het. Hier zeg ik ze zonder woorden dat ik niet wil stoppen.

“De deur is daar,” zeg ik dan alleen, berustend.

Wie er niet meer mee wil doen, kan nu weg.

Weer stilte. Tijd die langzaam tikt. Maar niemand staat op.

Ze willen beloond worden.

Ik wil belonen.

Ik wil beloond worden…

Dat Dylan hier geen onderdeel meer van is, lijkt dus niks uit te maken. Nogal veelzeggend, als je het mij vraagt.

“Ik stel voor dat we verder gaan. Zodat jullie goede cijfers halen,” geef ik als reden.

Volstrekt krankzinnig. Maar dat was ik nu ook.

Ik kijk ze aan. Ze knikken. Stil, zwijgend. Alsof ze bang zijn dat ik meteen weer van gedachten verander. En daar hoeven ze dus niet bang voor te zijn.

“En ik stel voor jullie alle drie tegelijk te belonen. Dan is het risico kleiner. Gewoon hier.”

Ik zeg het ze dus recht in hun gezicht: ze hebben alle drie een voldoende. Het land niet meteen. En dan zie ik hun ogen fonkelen wanneer het besef eindelijk doordringt.

Ik slik. Kijk even naar mijn handen en hun resultaten. Het zijn kleine handelingen. Dus het kan hier. Naar mijn kantoortje lopen met de drie is te opvallend. Ik ken het risico. Maar het zou niet de eerste keer hier zijn.

“Ik moet weg,” zegt Jayden dan. “Ik kan niet blijven.” Zijn stem vol spijt.

“Ik eigenlijk ook niet,” zegt Mo dan. Niet dat ze niet willen.

Ik slik en lach. Tegenslag. Maakt niet uit, denk ik nog.

“Morgen?” vraagt Mo, hongerig naar beloning, voordat ik iets kan zeggen.

Ik denk snel na. “Dat kan. Maar dan na vijven. Mijn kantoor.” Ik slik gespannen, wetende wat dat betekent.

De jongens knikken. En dan staan ze op.

“Mogen we ons cijfer weten?” vraagt Jayden.

“Morgen, vijf uur,” lach ik, vriendelijk, niet speels. Alsof alles normaal is. “Komt goed. Tot morgen,” zeg ik zo rustig als ik kan.

Ze kijken elkaar aan. En dan naar Luc. Want die is blijven zitten. Ze willen niet weg. Maar blijkbaar moesten ze. En moest ik me beledigd voelen dat ze iets boven mij kozen?

Ik was lichtelijk beledigd, eerlijk gezegd.

Maar misschien wel makkelijker en veiliger om alleen Luc nu te doen. Want die zat daar nog. En ik zat achter mijn eigen bureau. De lerares. Hij de leerling. Zo onwerkelijk. Zo fout.

Het zindert.

De andere twee zijn snel vergeten. Het is hij en ik. Zijn cijfer, zijn lul… Net als vorige week. Maar dan anders.

“Kom je?” vraag ik dan luchtig.

Hij blijft even zitten. Ogen vol ongeloof.

“Ik bijt niet,” zeg ik nog, iets speelser.

De opwinding neemt het langzaam over.

“Dan had je meer je best moeten doen…” lispel ik dan.

Ik recht mijn rug. Kijk hem recht aan. Mijn oren staan gespitst. Maar er is zelden hier iemand in deze vleugel op dit tijdstip.

Dan maak ik een knoopje los. En nog één. Zodat mijn borsten ruimte hebben. Zodat mijn decolleté niks meer aan de verbeelding overlaat.

Ik ga niet naakt. Natuurlijk niet. Ik moet snel kunnen handelen als het nodig is. Ik blijf nog net genoeg nadenken daarvoor.

Maar de blik van Luc op mijn rondingen is heerlijk.

“Nou, kom je?”

Hij slikt als hij dan toch opstaat.

“Eerder mag je niet gaan,” geef ik er dan maar de dubbele zinspeling aan.

En als hij opstaat, in z’n zwarte trainingsbroek, zie ik dat het niet lang zal duren. Hij kijkt nog even om zich heen. Nu geen Dylan die het voortouw neemt.

“Kom maar,” zeg ik nog, alsof ik een puppy lok.

En dan komt hij dichterbij. En met elke stap die stijve die heen en weer beweegt. Zijn broek is wijd, maar de tent is strak gespannen. Zelfs nu zie ik de lichte kromming die hij heeft.

Ik wenk hem dichterbij. Totdat hij naast me staat. Ik zit.

“Iets dichterbij,” fluister ik nu, zijn tent binnen handbereik.

Mijn blik erop gefixeerd terwijl ik doorpraat.

“Een 6,8,” zeg ik zacht. “Wat betekent dat?” vraag ik hem alsof ik nog overhoor.

Mijn ogen draaien langzaam omhoog. Zijn tent sputtert. Hij slikt. Hij… weet het niet.

“Ik zal je aftrekken,” zeg ik zachtjes. “Goed?” vraag ik toch nog die toestemming. Want stel je voor dat het ongepast zou zijn, of grensoverschrijdend…

Maar nog voordat hij antwoordt, leg ik mijn hand op het uiteinde van de tentstok, voel ik de hitte van zijn eikel door de stof heen, en kan hij enkel nog zijn ogen sluiten terwijl hij diep zucht…

Het moet maar…

Mijn hart bonkt zo hard dat ik bang ben dat hij het hoort.

Ik zit nog steeds achter mijn bureau, stoel een stukje naar achteren geschoven, benen licht uit elkaar onder de tafel omdat ik anders niet kan ademen. Luc staat pal naast me, zo dicht dat ik de warmte van zijn lichaam voel stralen. Zijn trainingsbroek hangt laag op zijn heupen, die tent nog steeds strak, pulserend bijna. Alsof het zijn broek hooghoudt.

Ik laat mijn hand daar rusten – plat op de stof, over het uiteinde heen. Niet knijpen, nog niet. Gewoon voelen. De hitte sijpelt door de dunne stof, dik en zwaar, en daaronder die lichte trilling als zijn hartslag daar beneden zit. Hij ademt scherp in door zijn neus, maar zegt niks. Kan ook niet, denk ik.

Langzaam glijdt mijn palm omlaag langs de hele lengte, over de zachte stof. Niet hard drukken, alleen volgen. Van de eikel helemaal naar beneden tot waar de stof strakker wordt rond zijn ballen. Ik voel de contouren: die lichte kromming die ik al eerder zag, eerder gevoeld heb, de dikte die tegen mijn vingers duwt alsof hij eruit wil. Mijn duim glijdt terug omhoog, cirkelt loom over de top, daar waar de stof al een klein nat plekje heeft. Voorvocht. Fuck, dat maakt me duizelig. Dat ik een pik zo geil krijg...

“Voelt goed?” fluister ik, blik nog steeds op die bult gericht, alsof ik het tegen de stof heb in plaats van tegen hem.

Hij maakt een geluid – half kreun, half zucht – en knikt alleen maar. Zijn handen hangen slap langs zijn zij, vingers licht trillend.

Ik haak mijn vingers in de tailleband. Trek heel langzaam omlaag. Niet alles ineens. Eerst alleen de bovenkant vrij, zodat de eikel net boven de rand uitkomt. Roze, glanzend, een druppel die traag over de gleuf glijdt. Ik bijt op mijn lip om niet te kreunen.

“Mooi,” zeg ik zacht, bijna tegen mezelf. Ik wil hem kussen, likken, in m'n mond nemen. Maar ik 'mag' alleen aftrekken.

Nog een stukje lager. De trainingsbroek zakt tot halverwege zijn dijen, zijn ondergoed ook. Nu hangt hij vrij – zwaar, recht vooruit wijzend, voor zover de zijne dat kan, licht trillend bij elke ademteug die hij neemt. De aderen lopen dik over de schacht, de huid strak en warm. Ik laat mijn vingertoppen erlangs gaan, vederlicht, van basis naar top. Hij schokt even, heupen bewegen een klein stukje naar voren zonder dat hij het wil. Instinct.

Ik vouw mijn hand eromheen. Niet strak. Nog niet. Gewoon omsluiten, voelen hoe hij precies in mijn palm past, hoe de hitte mijn huid brandt. Mijn duim veegt over de eikel, smeert dat vocht uit tot het glibberig wordt. Hij hijgt nu openlijk, hoofd een beetje achterover, ogen half dicht. En als hij kijkt, kijkt hij in volledig ongeloof. Heerlijk.

Dan begin ik te bewegen. Langzaam. Heel langzaam. Hand omlaag de bocht mee tot mijn vingers zijn ballen raken, dan weer omhoog, duim die over de top blijft cirkelen. Elke slag een beetje langer laten duren dan de vorige. Ik kijk omhoog naar zijn gezicht – wangen rood, lippen een stukje open, ademhaling onregelmatig.

“Zo?” vraag ik zacht, stem hees.

Hij knikt weer, sneller dit keer. “Ja… fuck…”

Ik versnel niet. Nog niet. Ik wil dat hij het voelt, elk stukje. De manier waarop mijn vingers zich aanspannen rond de schacht, hoe mijn handpalm over de eikel glijdt, hoe ik onderaan even knijp zodat hij een klein kreuntje laat ontsnappen. Het lokaal is stil op zijn ademhaling na, op het zachte, natte geluid van mijn hand die hem langzaam aftrekt.

Mijn andere hand leg ik op zijn dij, vingers in zijn huid gedrukt om hem stil te houden. Niet dat hij weg wil. Hij duwt juist een beetje mee, heupen die kleine schokjes maken.

Ik voel hem dikker worden in mijn hand. Harder. De eikel zwelt, glanst nu helemaal. Elke slag laat een nieuw druppeltje achter op mijn duim. Ik veeg het op, breng het naar mijn lippen – niet likken, alleen proeven met het puntje van mijn tong terwijl ik hem blijf strelen. Ach, wat geeft het.

Zijn adem stokt. “Mevrouw…”

Dat woordje alleen al stuurt een schok door mijn lijf.

Ik blijf het ritme vasthouden. Langzaam, diep, doelgericht. Mijn hand glijdt nu soepeler, glibberig van zijn eigen vocht. Ik voel de spanning in zijn dijen, in zijn buik. Hij komt dichterbij. Veel dichterbij.

Zijn handen grijpen eindelijk mijn schouders vast. Niet hard. Gewoon houvast. Alsof hij anders omvalt.

Ik kijk omhoog, recht in zijn ogen.

“Laat het komen,” fluister ik.

En dan…

En dan…

Voetstappen.

Hard, duidelijk, op de gang. Ze naderen snel.

Mijn hart slaat over. Luc is zo dichtbij – zijn ademhaling kort en scherp, zijn lul dik en trillend in mijn hand, de eikel glanzend en paars van spanning. Nog twee, drie slagen en hij zou breken. Maar die stappen… ze stoppen niet.

Ik laat los. Abrupt. Mijn hand glijdt weg, nat en warm van hem. Luc maakt een gesmoord geluidje – half kreun, half protest – maar ik sis al “ssst” terwijl ik mijn stoel iets naar voren schuif, blouse recht trek, en doe alsof ik een toetsblad voor me heb.

De deur gaat open.

Rector van Weelden.

Hij stapt weer binnen met die kalme, autoritaire tred van hem, ogen meteen op mij gericht. Dan op Luc, die in een fractie van een seconde zijn broek omhoog trekt – niet helemaal netjes, de rand van zijn boxershort steekt nog uit, maar hij laat zich snel op de stoel zakken achter een tafeltje twee rijen verderop. Zijn gezicht rood, ogen groot, handen in zijn schoot om de nog keiharde bobbel te verbergen.

Ik glimlach. Te breed misschien. “Meneer Van Weelden.” Mijn stem klinkt bijna normaal. Bijna.

Zijn blik glijdt omlaag. Naar mijn borst. De open knoopjes. De rand van mijn bh die net zichtbaar is, de lichte glans van zweet ertussen. Hij ziet het. Zegt niks. Maar zijn ogen blijven hangen, een seconde te lang.

“Anna,” zegt hij zacht, bijna vriendelijk. “Ik wilde het even over Dylan hebben. Zijn… situatie.”

Ik knik. Leun iets naar voren, kin op mijn handpalm, elleboog op het bureau. Alsof ik geïnteresseerd luister. Alsof er niks aan de hand is.

Maar mijn hand ruikt naar Luc.

Die zilte, muskusachtige geur van voorvocht en warme huid plakt aan mijn vingers. Elke keer als ik ademhaal, komt het binnen – scherp, intiem, verboden. Ik voel hoe mijn slipje nog natter wordt, hoe mijn dijen onwillekeurig tegen elkaar drukken.

Van Weelden praat door. Iets over disciplinaire maatregelen, een gesprek met de ouders, misschien een schorsing. Ik hoor de woorden, maar ze landen niet echt. Mijn ogen blijven op zijn gezicht, maar mijn gedachten zijn bij de jongen twee rijen achter hem. Die nu zit te hijgen, probeert stil te blijven, zijn lul waarschijnlijk nog steeds keihard en pijnlijk tegen de stof gedrukt.

De rector pauzeert. Kijkt nog eens naar mijn open blouse. Naar Luc, die niks voor zich heeft liggen – geen boek, geen schrift, alleen maar zichzelf en zijn probleem.

“Wat bespreken jullie eigenlijk?” vraagt hij, stem neutraal, maar met die ondertoon die zegt: ik weet dat er iets niet klopt.

“Een… herexamen,” zeg ik gladjes. “Luc had nog wat vragen over de laatste toets.”

Hij humt. Niet overtuigd. Maar hij dringt niet aan.

“Morgen maar even over Dylan dan,” zegt hij uiteindelijk. “Ik laat jullie verder.”

Hij draait zich om. Loopt weg. De deur klikt dicht. Voetstappen sterven weg in de gang.

Stilte.

Luc en ik kijken elkaar aan. Allebei geschrokken. Allebei nog steeds trillend van wat er net onderbroken werd. Mijn hart bonkt in mijn keel. Zijn borst gaat op en neer, te snel.

Ik slik. Mijn stem is schor. “Maak het maar snel af.”

Hij aarzelt geen seconde.

Staat op.

Trekt zijn broek weer omlaag – deze keer helemaal. Zijn lul springt vrij, nog harder dan daarnet, de eikel nat en glanzend, de schacht strak en rood van opgebouwde spanning. Hij loopt naar me toe, drie stappen, en blijft weer naast me staan. Dichterbij dan eerst.

Ik pak hem meteen. Geen getreuzel meer. Hand eromheen, stevig nu. Hij kreunt zacht, heupen schokken al vooruit.

Ik begin weer waar ik gebleven was. Sneller dit keer. Geen getreuzel. Hand op en neer, duim over de top, knijpen onderaan zodat hij een klein, wanhopig geluidje maakt. De geur van hem vult mijn neus weer – sterker nu, omdat hij zo dichtbij is, omdat hij lekt.

Zijn handen grijpen mijn schouders. Vingers boren in mijn huid.

“Mevrouw… ik…”

Ik kijk omhoog. Zie hoe zijn ogen glazig worden. Hoe zijn mond openvalt.

“Laat maar komen,” fluister ik nog een keer.

En hij…

Hij breekt.

Geen waarschuwing meer, geen “mevrouw” of “ik kom” – alleen dat plotselinge schokken van zijn heupen, dat diepe, gesmoorde kreunen dat uit zijn keel scheurt alsof het al te lang opgesloten zat.

Mijn hand beweegt nog door, strak en snel nu, want ik voel het aankomen: de schacht zwelt dikker in mijn palm, de eikel pulseert hard tegen mijn duim, en dan… de eerste straal.

Warm. Dik. Krachtig.

Hij spuit recht over mijn borst, over de open knoopjes heen, recht op de huid tussen mijn borsten. De hitte slaat tegen me aan als een golf, kleverig en zwaar, druipt meteen omlaag in het dal van mijn decolleté. Nog een straal, langer dit keer, landt hoger – op mijn sleutelbeen, langs mijn hals. Ik voel het traag naar beneden glijden, warm over mijn huid, een spoor dat tintelt.

Hij kreunt laag, lichaam schokkend, handen knijpen in mijn schouders tot het pijn doet, maar dat maakt me alleen maar natter. Derde straal, vierde – minder krachtig nu, maar nog steeds dik, plakt aan de rand van mijn bh, sijpelt naar binnen, maakt de stof nat en doorzichtig. De geur stijgt meteen op: zout, muskusachtig, puur jongen, puur lust. Het vult mijn neus, mijn mond, alsof ik het kan proeven zonder te likken.

Ik blijf hem vasthouden terwijl het laatste eruit komt – kleine schokjes, druppels die over mijn vingers rollen, warm en plakkerig. Zijn lul klopt nog na in mijn hand, langzaam kalmerend, maar nog steeds heet, nog steeds hard genoeg om te voelen hoe hij langzaam slinkt.

Hij ademt zwaar, hoofd voorovergebogen, voorhoofd bijna tegen mijn kruin. Ik voel zijn zweetdruppels op mijn haar vallen.

Even stilte. Alleen ons tweeën. Het lokaal ruikt naar hem – naar ons. Naar zaad en zweet en die scherpe, intieme geur van opwinding die blijft hangen. Mijn borst is nat, kleverig, het trekt strak als het opdroogt. Ik voel een druppel langs mijn ribben glijden, kietelend, naar mijn buik.

Ik kijk omhoog. Zijn ogen zijn half dicht, wimpers nat, mond open. Hij kijkt naar beneden, naar de troep die hij gemaakt heeft op mij.

“Fuck… sorry,” mompelt hij schor, maar er zit geen spijt in zijn stem. Alleen maar nawerking, alleen maar verwondering.

Ik lach zacht, hees. “Niet sorry zeggen.”

Mijn hand glijdt nog één keer over hem heen, zacht nu, veegt het laatste restje op, smeert het uit over de schacht tot hij rilt van overgevoeligheid. Dan laat ik los. Hij zakt een beetje door zijn knieën, leunt tegen het bureau.

Ik blijf zitten. Borst besmeurd. Zaad druipt traag omlaag, een warm spoor over mijn huid. Ik voel het tussen mijn borsten samenkomen, een klein plasje dat langzaam verder zakt. Mijn tepels zijn keihard, steken pijnlijk tegen de natte stof.

Hij kijkt ernaar. Niet weg. Niet beschaamd. Alleen maar… hongerig nog.

Ik veeg met twee vingers een druppel van mijn sleutelbeen, breng het naar mijn lippen – niet likken, alleen voelen hoe het smaakt op mijn tongpunt: zout, bitterzoet, warm.

Dan pas glijdt hij achteruit. Trekt zijn broek omhoog. Trillende handen.

“Ik… moet gaan,” zegt hij zacht.

Ik knik alleen.

Hij loopt naar de deur, kijkt nog één keer om. Naar mij. Naar de troep die hij achterlaat.

De deur klikt dicht.

En dan ben ik alleen.

Zittend achter mijn bureau. Blouse half open. Borst nat en glanzend. Zaad dat langzaam opdroogt, trekt strak op mijn huid. De geur hangt nog overal – in mijn haar, op mijn vingers, in de lucht. Mijn slipje is doorweekt, dijen kleven aan elkaar.

Ik adem diep in. Proef hem nog steeds.

En fuck… ik wil meer.

Ik weet dat er meer komt morgen, Jayden en Mo, iets soortgelijks, alleen ik weet het, tenminste… ik denk dat alleen ík het weet.

De gedachte alleen al legt een dunne spanning onder mijn huid, alsof mijn lichaam het eerder begrijpt dan mijn verstand; vandaag was geen toeval, geen vergissing, maar een grens die ik heb zien verschuiven terwijl ik erbij stond en deed alsof ik dat niet merkte. Ik hield controle. Ik had het stokje moeiteloos overgenomen. Althans, zo leek het. Ik voelde iets van trots. En terwijl het zaad nog tussen mijn borsten kroop, was schaamte dan ook ver te zoeken. Het was maar aftrekken, ten slotte.

Ik vraag me wel af of ik het daar morgen bij kan houden, of ik mezelf kan begrenzen als mijn lijf opnieuw zo reageert als vandaag en of ik strak kan blijven kijken en professioneel kan blijven spreken terwijl er onder mijn kleding iets anders gaande is. En met professioneel bedoel ik me houden aan de afspraken, de grenzen die gesteld zijn na de overschrijding. Doe ik mezelf niet tekort? Morgen alleen met Jayden en Mo... En kan meer.

Het idee alleen al maakt me onrustig: zij twee, hun aanwezigheid, hun grootte, hun zelfverzekerde manier van bewegen, de manier waarop ze een ruimte vullen zonder moeite en zonder twijfel, alsof ze precies weten hoeveel plek ze innemen.

Ik houd mezelf voor dat het nergens over gaat, dat het professioneel blijft, dat het moet en dat ik volwassen genoeg ben om mijn eigen reacties te beheersen, maar onder die redelijke gedachten zit iets anders, iets dat niet zo netjes is en dat vooruitkijkt naar morgen. Het idee van hun zwarte huid, hun zwarte pikken... Het laat me nog extra naar morgen uitkijken. Een extra laag. Fouter nog, wat ik amper durf toe te geven. Maar mezelf tussen hen in, juist hen... Dat maakt me zo ongeduldig.

Morgen is weer een dag.

Een gewone werkdag, zeg ik tegen mezelf, met lesgeven, gesprekken voeren, administratie, structuur en regels; dat is wat telt, niet wat er onder de oppervlakte borrelt en niet wat ik vanmiddag voelde toen hun blikken net iets te lang bleven hangen.

En toch weet ik dat ik morgen anders wakker word. En morgen anders naar bed zal gaan.

Ik loop gehaast door het lege schoolgebouw en mijn hakken tikken harder dan anders op de vloer; het geluid echoot tegen de muren en kaatst terug, alsof het gebouw me eraan wil herinneren dat ik hier alleen ben.

De gangen zijn verlaten en het licht is kil en wit, terwijl TL-buizen zacht boven mijn hoofd zoemen en lockers gesloten langs de wanden staan, anoniem en onschuldig; overdag is dit een plek vol stemmen, gelach en rumoer, maar nu is het slechts een skelet van beton en linoleum. Niemand die ziet hoe nat mijn kleding is, dat ik onder het opgedroogde zaad zit.

Mijn kantoor wacht aan het einde van de gang, de deur oogt kleiner dan normaal en verder weg ook, en elke stap ernaartoe voelt langer dan de vorige.

Ik wil me omkleden in een nieuw blouseje, iets drogers, iets dat niet meer herinnert aan hoe mijn huid daarnet onder de stof brandde, alsof dat dunne laagje katoen het bewijs draagt van wat ik liever zou ontkennen.

Mijn hand rust even op de klink voordat ik naar binnen ga en ik adem kort en beheerst uit.

Binnen trek ik de deur achter me dicht; het zachte klikje van het slot klinkt luider dan verwacht en ik leun er een seconde tegenaan, sluit mijn ogen en voel mijn hart nog steeds iets te snel slaan. Waar ben ik toch mee bezig? Waarin heb ik niet meer spijt?

Ik knoop mijn blouse los, de bovenste knoopjes staan al open en mijn vingers bewegen trager dan nodig is, alsof ik tijd rek; de stof plakt nog licht tegen mijn huid, warm en herinnerend.

Ik trek haar van mijn schouders en voel de koele lucht langs mijn hals en sleutelbeenderen strijken, mijn huid reageert direct en niet alleen op de kou.

Even blijf ik zo staan in mijn bh in het felle kantoorlicht, te bewust van mezelf en te bewust van wat er vandaag is verschoven. Even voor de spiegel. Even zien hoe het nog glinsterd. Tussen m'n borsten. Onder m'n bh bij m'n ribben. M'n vinger speelt bij m'n mond. Nog voordat ik het doorheb. Ik draai me om. Ik bekijk mezelf. Ik voel me zo sexy. Er is zoveel veranderd. Zoveel verschoven. Voorop mijn zelfbeeld. Knap was ik. Maar ik voelde me nu echt sexy. En dat voelde zo goed.

In het laadje van mijn bureau ligt het nieuwe blouseje netjes opgevouwen en onschuldig, alsof het me een frisse start kan geven. Maar het is het bewijs dat ik alles met voorbedachte raden doe. En het lijkt erop dat ik dit zo kan blijven doen. Juist zonder Dylan, besef ik me.

Dan hoor ik het: voetstappen, niet ver weg en niet vaag, maar duidelijk. Ik schrik meteen.

Diezelfde tred als eerder vandaag, rustig en zelfverzekerd, niet gehaast en niet aarzelend, steeds dichterbij. Dezelfde schrik als eerder.

Mijn adem stokt en mijn vingers klemmen zich om de stof van het nieuwe blouseje zonder dat ik het doorheb. Ik vergeet het aan te trekken, blijf luisteren, hopen dat het een passant is die niet hier is voor mij. Maar voor wie dan? En te horen aan de voetstappen, weet ik eigenlijk al dat ik het doel ben.

Mijn hartslag schiet omhoog, eerst één harde klap, dan nog één en daarna te snel om bij te houden.

Ze naderen mijn kantoor en elke stap klinkt helderder door de gang, alsof de stilte van het gebouw speciaal ruimte maakt voor dit geluid.

Ik probeer logisch te denken dat het iemand anders kan zijn, een collega, de conciërge of een leerling die iets vergeten is, maar mijn lichaam gelooft dat niet.

Ik sta stil, half uitgekleed, met de nieuwe blouse nog in mijn hand terwijl mijn oude losjes om mijn ellebogen hangt als een vergeten laag.

Even grijpt angst me vast als een scherpe, koude golf door mijn buik, of is het spanning en heb ik niet genoeg opwinding gehad voor één dag?

De voetstappen vertragen met één laatste stap en dan stoppen ze precies voor mijn deur. Ik zie zijn silhouet achter het melkglas van mijn kantoordeur.

De stilte daarna is zwaarder dan het geluid ervoor; ik hoor mijn eigen adem, mijn eigen hart en het zachte gezoem van de lampen boven me, en daarbuiten niets, alsof degene aan de andere kant net zo goed weet dat dit het moment is waarop alles kan kantelen.

Ik beweeg niet en durf niet, de klink blijft stil maar hij is dichtbij, en morgen is nog maar één nacht van me verwijderd. Maar ik ik kon niet weten dat morgen nog zo lang op zich ging laten wachten...

-
Geef dit verhaal een cijfer:  
5   6   7   8   9   10  
Klik hier voor meer...
Klik hier voor meer...