Door: Leen
Datum: 08-01-2026 | Cijfer: 9.2 | Gelezen: 1365
Lengte: Zeer Lang | Leestijd: 36 minuten | Lezers Online: 1
Trefwoord(en): Ardennen, Vakantie, Verlangen,
Lengte: Zeer Lang | Leestijd: 36 minuten | Lezers Online: 1
Trefwoord(en): Ardennen, Vakantie, Verlangen,
Vervolg op: Weekend In De Ardennen - 7: Kristof
Annelies

De mist hangt laag en dicht tussen de naaldbomen, als een grijze, verstikkende deken die de wereld kleiner maakt. Het dempt de geluiden van de ochtend – het verre blaffen van een hond, het ruisen van de wind – tot een vaag geruis. Maar gek genoeg lijkt die stilte het onrustige gebonk in haar eigen borstkas alleen maar te versterken. Elke hartslag voelt als een doffe hamer die tegen haar ribben slaat, een ritme van angst dat ze niet tot bedaren kan brengen.
Ze schuift nog een stapje dichter naar David toe, totdat de zijkant van haar been tegen zijn schouder leunt. Het schurende geluid van hun jassen klinkt onnatuurlijk hard in haar oren. David zit gehurkt op het knisperende grind, volledig in beslag genomen door zijn taak. Met een bijna meditatieve concentratie is hij bezig zijn veters voor de tweede keer opnieuw te strikken, alsof de perfecte knoop de garantie is voor een perfecte dag.
Ze kijkt neer op zijn kruin, waar zijn haar in de war zit van zijn muts. Een golf van jaloezie, scherp en bitter, spoelt door haar heen. Ze benijdt hem. Ze benijdt hem om zijn onverstoorbaarheid, om zijn naïeve onschuld. Voor David is dit gewoon een weekendje weg met vrienden. Een frisse wandeling, straks warme choco, en vanavond lachen bij de barbecue. Hij heeft geen idee van de onderstromen, van de vuile blikken en de grijpgrage handen in de keuken. Hij leeft in een veilige, logische wereld, terwijl zij het gevoel heeft dat ze op een dunne ijslaag balanceert die elk moment kan breken. Ze legt haar hand op zijn schouder, haar vingers klauwen zich iets te stevig vast in de stof van zijn jas. Zijn fysieke stevigheid is op dit moment het enige anker dat haar rechtop houdt in de storm in haar hoofd.
Vanuit haar ooghoek, zonder haar hoofd te durven draaien, scant ze de rest van de groep die zich op het erf verzameld heeft. Het tafereel heeft iets absurds, als een toneelstuk waarin iedereen zijn rol net iets te fanatiek speelt om de ongemakkelijke stiltes te vullen. Een paar meter verderop staat Sandra. Ze draagt een strakke hardlooplegging en een felgekleurde haarband, en ze is bezig met een reeks rekoefeningen die er intimiderend professioneel uitzien. Ze buigt, strekt en veert met de efficiëntie van een geoliede machine, haar ademhaling ritmisch en gecontroleerd. Annelies voelt zich bij het zien van zoveel energie alleen maar meer bevroren en log. Iets meer naar links staat Dirk. Hij staat erbij als een verweerd standbeeld, zijn handen diep begraven in de zakken van zijn parka. Zijn hoofd is in zijn nek gelegd en hij staart naar de egale grijze lucht, alsof hij probeert te ontcijferen wat de wolken hem willen vertellen. Of misschien probeert hij gewoon, net als zij, te ontsnappen aan de sociale verplichtingen op de begane grond. En dan is er Els. Ze ijsbeert onrustig heen en weer over een afstand van twee meter. Haar bewegingen zijn schokkerig en nukkig. Ze schopt tegen een klein steentje, trekt agressief aan de rits van haar tas, en haar gezicht staat op onweer. Ze is een donderwolk die op barsten staat, geladen met frustratie over het vroege uur, de kou, en waarschijnlijk vooral over Kristof.
En dan... dan is er die andere aanwezigheid. De schaduw die ze niet wil zien, maar die ze in elke vezel van haar lichaam voelt. Annelies voelt haar maag samentrekken tot een harde knoop. Pieter. Hij staat bij de hoek van het huis, half in de schaduw van de overstekende dakrand. Hij doet alsof hij bezig is met de gespen van zijn rugzak, maar zijn houding is te geposeerd, te bewust. Ze voelt zijn blik op haar huid branden, als een vies insect dat langzaam over haar rug kruipt, dwars door de dikke stof van haar jas heen.
Ze dwingt zichzelf om naar David te blijven kijken, naar zijn veilige, strikkende vingers. Kijk niet, smeekt ze zichzelf. Geef hem geen aandacht. Maar haar ogen luisteren niet. Het is een reflex, een ziekelijke drang om het gevaar te lokaliseren. Ze kijkt op. Hun blikken kruisen elkaar onmiddellijk, alsof hij erop zat te wachten. Pieter kijkt niet weg. Integendeel. Hij leunt achterover tegen de muur, laks en zelfvoldaan. Er krult een langzaam, smerig glimlachje om zijn lippen dat zijn ogen niet bereikt. Hij tilt zijn hand even op in een kleine, nauwelijks waarneembare groet – een geheim signaal, alleen voor haar – en knipoogt.
Een golf van misselijkheid slaat tegen haar keel. De herinnering aan vanochtend flitst als een ongewenste reclame door haar hoofd. Niet de woorden, maar het gevoel. De plotselinge geur van zware aftershave en oud zweet in de stille keuken. Hoe hij haar de weg versperde bij het aanrecht, net iets te dichtbij, waardoor de lucht uit haar longen werd geperst. De manier waarop zijn ogen over haar lichaam gleden alsof hij haar taxeerde op de veemarkt. Ze voelt opnieuw die paniek, de drang om haar huid schoon te schrobben, de walging voor zijn klamme hand die even over haar arm streek. Ze was gevlucht, en dat gevoel van opgejaagd wild zit nog steeds in haar ledematen.
"Hé, Annelies? Ben je er nog wel?" Davids stem klinkt plotseling heel dichtbij, als een heldere radiozender die door de ruis breekt. Hij doorbreekt de bubbel van haar nare herinnering. Hij is klaar met zijn veters en staat weer rechtop, zijn gezicht is op gelijke hoogte met het hare. Hij kijkt haar onderzoekend aan, een lichte frons van bezorgdheid rimpelt zijn voorhoofd. "Je knijpt mijn schouder bijna fijn, schat," zegt hij met een scheve, sussende glimlach. Hij legt zijn eigen hand warm over de hare, die nog steeds krampachtig, bijna wanhopig, in de stof van zijn jas geklauwd zit. "Gaat het?"
Annelies schrikt op. Ze trekt haar hand onmiddellijk terug, haar vingers zijn stijf en wit weggetrokken van de kramp. Het bloed stroomt pijnlijk terug in haar knokkels. Ze voelt zich schuldig dat ze hem gebruikt als menselijk schild zonder dat hij het weet, zonder dat ze hem durft te vertellen waartegen. "Sorry," mompelt ze, en ze slaat haar ogen neer, niet in staat om zijn open, vragende blik te beantwoorden. "Ik... ik was even weg met mijn gedachten." Ze wrijft over haar koude bovenarmen, een fysieke poging om de rillingen te stoppen die niets met de temperatuur te maken hebben. "Ik heb het gewoon koud," liegt ze, haar stem dun en broos in de kille lucht. "Echt ijskoud."
Plotseling wordt de breekbare stilte op het erf aan scherven geslagen. De zware voordeur zwaait met geweld open en slaat met een doffe klap tegen de buitenmuur. Een golf van luid, ongegeneerd gelach rolt naar buiten, gevolgd door Kristof en Leen. Ze stappen de koude ochtend in alsof ze het podium betreden van een show die alleen om hen draait. De energie die ze meebrengen is bijna tastbaar; het vibreert in de lucht en verdringt de sombere mist. Ze zien er niet zomaar uit als mensen die gaan wandelen. Ze zien eruit alsof ze net de hoofdprijs in de loterij hebben gewonnen, of een smeuïg geheim delen dat de rest van de stervelingen niet waardig is. Leens wangen hebben een dieproze gloed die afsteekt tegen de bleke winterlucht en haar blonde haar piekt wat warrig onder haar muts uit, maar ze straalt een soort lome, serene rust uit die Annelies onmiddellijk opvalt. Het is de rust van iemand die net volledig is opgeladen.
En Kristof... Kristof loopt erbij als een koning die zijn landerijen inspecteert. Zijn borst vooruit, zijn jas open ondanks de kou, alsof zijn eigen lichaamswarmte genoeg is om de hele vallei te verwarmen. Hij eist de ruimte op, zuigt alle aandacht naar zich toe en geniet er zichtbaar van. "Zo!" brult hij, elk spoor van ochtendhumeur of vermoeidheid weglachend. "De troepen zijn compleet. Andiamo!" Annelies ziet hoe zijn blik, vol triomf en ondeugd, naar Els schiet. Het is geen vriendelijke blik, het is een claim. Hij geeft haar een vette, plagerige knipoog, zo overdreven dat het bijna een karikatuur is. Annelies snapt de details van hun strijd niet, de onderliggende lagen van jaloezie en afwijzing gaan aan haar voorbij, maar ze voelt de spanning knetteren als statische elektriciteit. Het is een spel van aantrekken en afstoten, van macht en provocatie, en Kristof staat duidelijk op winst. "Eindelijk," snauwt Els. Haar stem is scherp, als brekend glas. Ze draait zich met een abrupte ruk om, haar rug strak van irritatie, en begint driftig richting het bospad te stampen. Ze kijkt niet om, duidelijk niet van plan om op wie dan ook te wachten, en al helemaal niet op het gelukkige koppel.
De groep komt traag en rommelig in beweging. Het grind knerpt ritmisch onder hun zware wandelschoenen. Annelies doet een stap vooruit, maar haar benen voelen zwaar en onwillig. In een reflex grijpt ze Davids hand vast, niet liefdevol, maar wanhopig, alsof het een reddingslijn is in een woeste zee die haar dreigt te verzwelgen. "Kom," zegt ze. Ze zetten zich in beweging, maar haar angst, die koude knoop in haar maag, wordt direct en genadeloos bewaarheid. Ze heeft nog geen twee stappen gezet of ze voelt de verandering in de luchtstroom naast zich. Een schaduw valt over haar schouder. Pieter komt naast hen lopen, net iets te dicht bij haar vrije zijde, zijn aanwezigheid voelt als een koude, vochtige tocht in haar nek.
"Zo, Annelies," zegt hij. Zijn stem is luid, die joviale, net iets te harde toon die hij opzet als er publiek bij is, maar Annelies hoort de sissende ondertoon. "Klaar voor de klim? Het kan glad zijn in het bos, hè." Hij pauzeert even, een perfect getimede stilte. "Als je steun nodig hebt..." Hij laat de zin in de lucht hangen, suggestief en walgelijk, de dubbele bodem druipend van elk woord als vergif. Annelies krimpt fysiek ineen. Ze wil iets zeggen, hem afblaffen, schreeuwen dat hij moet opdonderen en uit haar aura moet blijven, maar de woorden blijven steken als graten in haar keel. Ze voelt zich klein, gereduceerd tot een prooi die wordt opgejaagd terwijl de rest van de wereld toekijkt en niets ziet.
David, die niets van de smerige ondertoon merkt en denkt dat het gewone, vriendelijke mannenpraat is, lacht ontspannen. "Dat komt wel goed, Piet. Ik heb haar vast." Hij trekt Annelies iets steviger tegen zich aan, zijn arm warm en stevig om haar middel. Het is een onbewust gebaar van bescherming dat Annelies bijna doet huilen van dankbaarheid, ook al weet hij niet eens waartegen hij haar beschermt. "Natuurlijk," zegt Pieter. Hij blijft glimlachen, breed en tandpasta-wit, een masker van vriendelijkheid. Maar zijn ogen, die over Davids schouder heen boren, staan koud en leeg als ze de hare vinden. Er zit geen warmte in, geen menselijkheid. Alleen de kille berekening van een jager die zijn kans afwacht.
Op dat moment klinkt Kristofs stem als een donderslag over het pad. Hij staat al vijftig meter verder, bovenaan de eerste lichte helling, en draait zich om met wijd gespreide armen. "Heren! Komaan! Is dat hier een wandelclub of een theekransje? Tempo!" Het effect is onmiddellijk en verbijsterend. Het is alsof er op een onzichtbare fluit wordt geblazen die alleen mannen kunnen horen. Het oerinstinct wordt wakker. Pieter draait zich abrupt weg van Annelies, alsof hij geroepen wordt door de roedelleider. Zijn hoofd draait, zijn schouders rechten zich, en zonder nog één blik op haar te gunnen, zet hij de achtervolging in om zijn plek in de mannelijke hiërarchie niet te verliezen. De jacht op de vrouw is voorbij; de jacht op de berg is begonnen.
Zelfs David laat zich meeslepen door de energie. Hij kijkt even verontschuldigend naar Annelies, een blik vol spijt maar ook vol onrust. De aantrekkingskracht van de mannelijke voorhoede, van de fysieke uitdaging die Kristof daarboven uitstraalt, is te groot. "Kom je zo, lieverd?" roept hij nog, terwijl hij achteruit jogt, weg van haar, richting de mannen. "Ga maar!" roept Annelies terug, en ze wijst theatraal naar haar voet. "Mijn veter zit los! Ik kom zo!" Het is een leugen, maar wel eentje die haar lucht geeft. Ze zakt door haar knieën, dankbaar voor het excuus om even niet te hoeven bewegen, even niet te hoeven glimlachen, even niet te hoeven meedoen aan het sociale circus. Ze friemelt wat doelloos aan de dubbele knoop van haar wandelschoen, haar vingers trillen tegen het stugge leer. Ze haalt diep adem, in en uit, en probeert het vieze, kleverige gevoel van Pieters nabijheid van zich af te schudden.
Wanneer ze na een minuut weer langzaam overeind komt, verwacht ze alleen te zijn. Maar dat is ze niet. Leen is blijven wachten. De vrouw van Kristof staat een paar meter verderop, leunend tegen de ruwe schors van een oude dennenboom. Ze heeft haar handen diep in de zakken van haar donzige jas begraven en kijkt strak naar het bospad waar de rug van Pieter net in de bocht verdwijnt. Haar gezicht staat ernstig, ontdaan van de giechelige waas die er zonet nog omheen hing.
"Ik zag hoe hij naar je keek," zegt Leen plotseling. Haar stem is zacht, bijna fluisterend, maar er zit een scherpe rand aan die als glas door de boslucht snijdt. Annelies verstijft. Ze weet niet of ze moet ontkennen of instorten. Leen draait haar hoofd en kijkt Annelies recht in de ogen. Er is geen oordeel, geen jaloezie. Alleen een harde, onverzettelijke feitelijkheid. "Als hij te opdringerig is, moet je dat zeggen. Meteen. Niet opkroppen, Annelies. Schreeuw het van de daken." Annelies knippert, verrast door de felheid in die anders zo zachte ogen. "Ik... ik weet niet of ik dat durf... Ik wil het niet verpesten."
"Mannen zijn roofdieren," onderbreekt Leen haar. Ze zegt het niet boos, maar als een nuchtere observatie, zoals iemand zegt dat water nat is. "Allemaal. Het zit in hun natuur. Jagen, veroveren, nemen. Als je geen grenzen stelt, walsen ze over je heen. We mogen ons niet laten doen. Nooit." Annelies fronst bij die hevige, cynische opmerking. Ze voelt een weerstand opborrelen vanuit haar tenen. "Nou, dat klinkt wel heel zwaar, Leen. David is echt niet zo. David is... David is lief. En Kristof..."
Bij het horen van de naam van haar man, verandert Leens gezicht op slag. De harde lijnen rond haar mond verzachten, de staalblauwe blik smelt tot iets vloeibaars. "Kristof..." zucht ze, en de klank is bijna een gebed. "Kristof is anders. Hij is een koning. Een krijger." Ze glimlacht dromerig naar de lege plek op het pad waar hij verdwenen is. "Hij is dominant, ja. Hij neemt wat hij wil. Maar hij beschermt me ook. Hij draagt me op handen." Annelies kijkt haar aan, gefascineerd en tegelijkertijd een beetje huiverig voor de totale, blinde toewijding in haar stem. Ze denkt aan de verhalen, aan de jaren dat ze dit koppel al kent als een soort monolithisch blok.
"Hoelang zijn jullie eigenlijk al samen?" vraagt ze, oprecht nieuwsgierig naar de wortels van deze symbiose. "Twaalf jaar," antwoordt Leen met een trotse, bijna triomfantelijke glimlach. "Twaalf jaar, en het voelt nog elke dag intens. Alsof we elkaar gisteren pas hebben ontmoet." Annelies schudt lichtjes haar hoofd van verwondering. "Twaalf jaar... en toch lijken jullie nog steeds zo... vurig. Zo sterk samen." Ze aarzelt even, onzeker of ze de vraag mag stellen die al de hele ochtend op haar lippen brandt. "Wat is het geheim? Wat is jullie recept voor een goede relatie?"
Leen maakt zich los van de boom en begint langzaam te lopen. Annelies sluit bij haar aan, de afstand tot de mannen vergroot met elke trage stap. "Het recept?" herhaalt Leen peinzend. Ze kijkt even naar de grond, waar de dennennaalden een zacht tapijt vormen, en dan indringend naar Annelies. "Voor mij? Overgave. En blind vertrouwen." Ze ziet de frons op Annelies' voorhoofd en glimlacht een beetje weemoedig, alsof ze een kind uitlegt hoe de grotemensenwereld werkt. "Ik weet hoe het klinkt," zegt ze zacht. "Mensen vinden me vaak onderdanig. Of zwak. Ze zien me als het vrouwtje dat volgt." Ze schudt langzaam haar hoofd. "Maar zo voelt het niet voor mij, Annelies. Het is geen offer. Het is mijn redding."
Ze stopt even en pakt Annelies' arm vast. Haar vingers knijpen zachtjes, dwingend, in de stof van de jas. "De wereld is soms... te hard," fluistert ze. Haar blik dwaalt af naar het donkere bos om hen heen. "Ik heb dingen gezien, gevoeld... dingen meegemaakt die me geleerd hebben dat je niet altijd alleen kunt vechten." Ze maakt een vaag, afwerend gebaar, alsof ze een nare vlieg of een slechte herinnering wegwuift.
Annelies denkt onwillekeurig terug aan de donkere flarden van geruchten die ze in de loop der jaren heeft opgevangen. Het ging nooit over haar jeugd, maar over de jaren daarna. Over Hem. Een man zonder naam in de verhalen, een schim uit een vorig leven. Er werd gefluisterd over een relatie die geen liefde was, maar een gevangenis. Over blauwe plekken die vakkundig werden weggeschminkt, over een vrouw die langzaam maar zeker werd uitgegumd tot er bijna niets meer van haar over was. De verhalen gingen dat ze op het randje had gebalanceerd. Dat ze bijna gebroken was, verpulverd onder het gewicht van iemands vuisten of woorden – niemand wist het precies. Ze was bijna ten onder gegaan, verdronken in een moeras van angst en vernedering. Tot Kristof kwam.
Kristof was niet zomaar een nieuwe liefde geweest; hij was een reddingsoperatie. Het verhaal ging dat hij haar letterlijk uit die hel had weggetrokken, haar had opgeraapt toen ze in scherven op de grond lag. Hij had haar niet alleen gered, hij had haar weer in elkaar gezet. Niemand kende de details van die redding, en niemand durfde er echt naar te vragen, beschermd als ze werd door de ondoordringbare muur die Kristof sindsdien om haar heen had opgetrokken. Maar nu, kijkend naar de paniek die even in Leens ogen flitst bij de gedachte aan onveiligheid, vallen de puzzelstukjes op hun plek. De geruchten zijn waarschijnlijk geen indianenverhalen; ze zijn de rauwe, pijnlijke waarheid die verklaart waarom deze vrouw zo wanhopig zoekt naar een vestingmuur en waarom ze haar redder aanbidt als een god.
"Ik ben niet gemaakt voor dat constante gevecht," vervolgt Leen, haar stem trilt nauwelijks merkbaar. "Ik wil niet op mijn tenen moeten lopen, bang voor de volgende klap. En Kristof..." Haar gezicht klaart weer op, als de zon die door de wolken breekt. "Kristof weet dat. Hij gaat voor me staan. Hij is de muur tussen mij en alles wat moeilijk is. Hij neemt de beslissingen, niet omdat ik het niet kan, maar zodat ik niet hoef. Hij draagt de last van de wereld, zodat ik veilig kan zijn in zijn schaduw." Annelies laat de woorden bezinken. Het klinkt verstikkend en bevrijdend tegelijkertijd. "Dus jij vindt het fijn dat hij de leiding neemt? Dat hij bepaalt wat er gebeurt?" "Ik vind het heerlijk," bekent Leen zonder schaamte. "Het geeft me rust. Een rust die ik daarvoor nooit gekend heb. Ik hoef niet na te denken, ik hoef alleen maar te zijn."
Annelies knikt langzaam, hoewel alles in haar systeem protesteert tegen dat idee van totale afhankelijkheid. Het voelt als opgeven, als jezelf kwijtraken. Maar als ze naar Leen kijkt, ziet ze geen slachtoffer. Ze ziet een vrouw die vrede heeft gevonden in haar keuze, die straalt in de schaduw van haar man. Wie is zij dan om te oordelen over andermans overlevingsmechanisme? Ze besluit te zwijgen, bang om de broze, intieme vertrouwensband die zojuist is ontstaan te breken met haar eigen twijfels.
De twee vrouwen wandelen een tijdje in stilte verder. Het pad wordt steiler en de ondergrond modderiger. Annelies voelt haar kuiten branden en haar ademhaling versnelt. Ze blaast een wolkje stoom uit en veegt met de mouw van haar jas wat zweet van haar voorhoofd. De realiteit van de tocht begint in te dalen. "Pfff," puft ze, terwijl ze even stilstaat om op adem te komen. "We hadden beter aan het zwembad gebleven." Leen slaakt een diepe zucht, eentje van puur verlangen. "Dat was mijn plan," zegt ze dromerig. "Niks zo leuk als niksen aan een zwembad met een boekje en de zon op je gezicht." "Waarom bleef je dan niet?" vraagt Annelies verbaasd, terwijl ze zich weer in beweging zetten. "Je had het gewoon kunnen doen. Kristof had het vast begrepen."
Leens gezicht betrekt onmiddellijk. De dromerige gloed verdwijnt en maakt plaats voor een ongemakkelijke, angstige trek om haar mond. Ze trekt haar jas strakker om zich heen, alsof ze het plotseling ijskoud heeft. "Omdat Dirk dan ook bleef," zegt ze zacht, bijna beschaamd. "En... ik wilde niet alleen zijn met Dirk." "Dirk?" vraagt Annelies, haar wenkbrauwen fronsend. "Maar die doet toch geen vlieg kwaad? Die is zo mak als een lammetje."
"Nee," beaamt Leen snel, maar haar stem trilt een beetje. "Hij is niet zoals Pieter. Hij is niet... vies. Ik ben niet bang dat hij me iets aan zou doen." Ze huivert. "Maar hij is te bruusk. Te onvoorspelbaar in zijn stiltes. Hij staart. Zonder te kijken. Hij zit daar dan zo stil, en je voelt zijn ogen op je branden, maar als je terugkijkt, kijkt hij dwars door je heen alsof je van glas bent. Ik word daar nerveus van. Ik wilde niet alleen met hem achterblijven in dat grote, stille huis, ver weg van iedereen."
Ze kijkt naar de rug van Kristof, ver voor hen uit, die luid lachend over een omgevallen boomstam springt. "Dan ben ik liever hier," zegt ze stellig. "In de buurt van Kristof. Ook al is het een zware tocht en heb ik een hekel aan wandelen en modder. Bij hem weet ik ten minste dat ik veilig ben. Hij laat niets of niemand bij me komen. Hij is mijn fort, Annelies." Annelies knikt zwijgend en haakt haar arm door die van Leen. Ze snapt het nu beter. Leens wereld is verdeeld in veilige zones en gevarenzones, en Kristof is de enige plek waar ze echt kan ademen. Het maakt Annelies verdrietig, maar het geeft haar ook een vreemd soort respect voor de keuze die Leen gemaakt heeft.
"En jij en David?" vraagt Leen, de zwaarte van het gesprek weer wat verlichtend. "Is hij ook jouw beschermer? Jouw fort?" Annelies moet lachen. De klank is licht en luchtig in het zware bos. Ze kijkt naar David, die in de verte struikelt over een wortel, zichzelf net op tijd opvangt met een onhandige zwaai, en dan vrolijk naar achteren zwaait naar haar alsof er niets gebeurd is. "David? Nee." Ze voelt een golf van warme genegenheid voor haar man. "David is mijn maatje. Mijn gelijke. Hij is geen krijger die me beschermt tegen de boze buitenwereld, en hij zal waarschijnlijk nooit een koning zijn. Maar hij houdt wel mijn hand vast als ik het koud heb. En hij laat me nooit vallen." Ze knijpt even in Leens arm. "En weet je... op dit moment vind ik dat eigenlijk meer dan genoeg." Samen lopen ze verder, de twee vrouwen achteraan de groep, verbonden door een gedeeld moment van eerlijkheid, elk met hun eigen waarheid over liefde en veiligheid, terwijl de mannen voor hen uit de berg bestormen.
Een halfuur later wijken de bomen eindelijk uiteen. Het pad maakt een laatste, scherpe bocht naar beneden en daar, oprijzend uit de diepte van de vallei als een zwarte tand, staat Kasteel Reinhardstein. De donkere leisteen van de torens steekt scherp af tegen de grijze lucht en de mistflarden die rond de kantelen hangen, geven het geheel iets onheilspellends. Het is geen sprookjeskasteel; het is een vesting, gebouwd om buiten te houden wat niet welkom is.
Annelies haalt diep adem, de koude lucht vult haar longen, maar de beklemming van het gesprek met Leen hangt nog om haar heen. De groep komt samen op het voorplein, waar het grind knispert onder de vele wandelschoenen. Nauwelijks hebben ze haltgehouden, of Annelies ziet Leen in actie komen. De vrouw die net nog naast haar liep en haar hart luchtte over haar angst voor de 'wolven', versnelt haar pas. Ze loopt recht op Kristof af, die al breed lachend op hen stond te wachten bij de oude waterput. Leen duikt letterlijk in zijn open armen, alsof ze een veilige haven binnenvaart voor de storm losbarst.
Kristof vangt haar op zonder te wankelen. Hij is groot, massief, een rotsblok in een felgekleurde winterjas. Annelies ziet hoe Leen op haar tenen gaat staan en iets in zijn oor fluistert. Het is kort, intiem, en voor niemand anders hoorbaar.
De reactie is onmiddellijk. De joviale lach verdwijnt van Kristofs gezicht alsof iemand het licht heeft uitgedaan. Zijn rug recht zich onmerkbaar. Zijn blik schiet over Leens schouder heen, zoekend, scannend als een radar, en landt dan met de precisie van een laser op Pieter. Pieter staat bij de zware houten kasteelpoort. Hij heeft zijn rugzak afgedaan en is druk bezig met een gespje dat vastzit. Hij fluit zachtjes, zich van geen kwaad bewust, totaal onwetend van het feit dat hij zojuist gewogen en te licht bevonden is.
Annelies houdt haar adem in. Ze ziet de verandering in Kristofs houding; zijn schouders spannen zich, zijn kaak verstrakt. Het is de blik van de 'koning' waar Leen over sprak. Ze zet zich schrap voor een scène. Ze verwacht dat Kristof erop afstormt, een donderspeech, een confrontatie. Haar hart bonkt in haar keel. Alsjeblieft niet hier, denkt ze. Niet nu. Maar er gebeurt niets. Kristof zegt geen woord. Hij blijft simpelweg kijken, zijn blik donker en ondoordringbaar gericht op de nietsvermoedende Pieter. Hij slaat zijn arm nog strakker om Leen heen, trekt haar bezitterig tegen zijn zij en blijft daar staan, als een massief standbeeld van waakzaamheid.
En in die stilte voelt Annelies iets verschuiven in zichzelf. Vanochtend vond ze hem nog intimiderend, een haantje dat te veel ruimte innam. Maar nu, met de angst voor Pieters grijpgrage handen en Leens verhaal over de boze buitenwereld in haar achterhoofd, ziet ze iets anders. Hij is geen tiran. Hij is een herder. Een grote, ietwat luidruchtige en dominante herder, ja, maar wel eentje die zijn kudde bij elkaar houdt. Hij heeft zojuist, zonder een woord te vuilmaken, een onzichtbare cirkel om hen heen getrokken. Een grenslijn waar de wolven niet overheen komen. Hij waakt over Leen, met een felheid die bijna beangstigend is, maar in het verlengde van die bescherming voelt Annelies zich plotseling ook opgenomen. Zolang Kristof op wacht staat, is er geen ruimte voor de sluipende schaduwen van mannen als Pieter. De opluchting die door haar heen spoelt is zo groot dat ze bijna duizelig wordt. Ze hoeft niet bang te zijn. De grote hond waakt.
"Alles goed, schat?" Davids stem doorbreekt haar gedachten. Hij komt naast haar staan, zijn wangen rood van de kou, zijn ogen helder en vriendelijk. Geen duistere onderstromen, geen complexe machtsspelletjes. Gewoon David. Annelies draait zich naar hem toe. De spanning zakt uit haar schouders. Ze kijkt naar Kristof en Leen, die verstrengeld staan als één wezen, het bolwerk van de groep, en dan naar haar eigen man. Het is misschien niet de alles verterende, dramatische passie die Leen beschreef, maar het is warm. En het is van haar.
"Ja," zegt ze, en ze meent het. Er verschijnt een glimlach op haar gezicht die vanuit haar tenen lijkt te komen. "Alles is prima. Echt." Ze reikt omhoog, pakt de revers van Davids jas vast en trekt hem plagerig naar zich toe voor een snelle, speelse zoen op zijn koude neus. "Kom," zegt ze, terwijl ze zijn hand pakt. "Laten we dat kasteel veroveren."
De rondleiding is nog geen vijf minuten bezig of het is al duidelijk wie hier de touwtjes in handen heeft. De gids, een kleine man met een ronde bril en een pak dat net een maatje te ruim zit, probeert dapper zijn ingestudeerde verhaal over de heren van Reinhardstein te vertellen, maar hij is geen partij voor het natuurgeweld dat Kristof heet. "Mooie tafel," onderbreekt Kristof luidkeels in de Ridderzaal. Hij negeert de uitleg over het jaartal 1354 en loopt op het massieve eikenhouten meubelstuk af. Hij tikt met zijn knokkels op het hout. "Hier hielden ze de echte feestjes, nietwaar? Veel wijn, een speenvarken aan het spit en gooien met botten naar de honden." De gids knippert verward. "Eh, nou, de banketten waren inderdaad..." "Zeg maar gewoon ja," lacht Kristof, en hij knipoogt vet naar de groep.
Annelies staat aan de zijkant en observeert. Normaal zou ze zich kapot schamen voor dit soort gedrag. Ze zou ineenkrimpen van plaatsvervangende schaamte. Maar nu kijkt ze anders. Ze ziet wat hij doet. Hij vult de ruimte. Hij vult de ruimte met zoveel lawaai en energie dat er simpelweg geen plek overblijft voor ongemak. Ze ziet hoe hij Dirk, die wat verloren naar een wandtapijt staat te staren, bij de groep betrekt door hem te vragen welk zwaard hij zou kiezen voor een duel. Ze ziet hoe hij Els, die nog steeds een beetje nukkig kijkt, aan het lachen krijgt door haar te vergelijken met een strijdlustige jonkvrouw op een schilderij. En ze ziet hoe hij Leen constant in de gaten houdt, haar hand vastpakt bij elk trapje, haar laat stralen als middelpunt van zijn grappen.
En Pieter? Pieter staat achteraan, gedegradeerd tot toeschouwer. De mannelijke dominantie van Kristof is zo overweldigend dat Pieter verbleekt tot een onschuldige figurant. De herder blaft zo hard dat de wolf zich koest houdt. "Kijk," zegt Kristof in de wapenkamer, terwijl hij een replica van een strijdvlegel vastpakt. Hij draait zich naar David. "Ideaal om lastige klanten mee weg te jagen op het werk, niet?" Annelies proest het uit. Het is een harde, onverwachte lach die door de ruimte galmt. Kristof draait zich naar haar om, zijn ogen twinkelen van plezier. Hij ziet haar. Hij ziet dat ze meedoet. "Ah, Annelies ziet de voordelen!" roept hij goedkeurend. "Zeg nu zelf, David zou er stoer uitzien met zo'n ding, toch?" "Zeker weten," grinnikt Annelies, en ze voelt zich lichter dan ze zich de hele dag gevoeld heeft. "Misschien moeten we er eentje meenemen voor thuis."
Wanneer ze de slaapvertrekken bereiken, gedomineerd door een gigantisch hemelbed met zware, fluwelen gordijnen, kan Kristof het niet laten. Hij test de vering met zijn hand en draait zich met een zwoele blik om naar Leen. "Schatje," zegt hij, luid genoeg voor iedereen. "Weet je waar ik nu ineens vreselijk veel zin in heb?" Leen wordt rood en geeft hem een por. "Kristof! Doe normaal. We hebben pas..." "Een goed paard moet je blijven berijden," lacht hij, haar protest wegwuivend.
"Jezus, Kristof, eeuwige puber," zucht Els vanuit de hoek. Kristof draait zich langzaam naar haar om. De speelsheid maakt plaats voor iets scherpers. "Och, Elsje," zegt hij met fluwelen stem. "Jaloers? Zullen wij anders? Aangezien Leen niet wil..." Annelies ziet Els blozen. Ze ziet de verwarring, de boosheid, maar ook... is dat verlangen? Voor heel even denkt Annelies: Ze zou het doen. Als hij het meende, zou ze het doen. Maar Kristof lacht alweer, draait zich om naar Leen en haalt zijn schouders op. "Dan maar niet."
De terugtocht naar het huis is zwaar, maar de sfeer is veranderd. Er heerst een soort verbroedering. Kristof loopt achteraan, de bezemwagen die zorgt dat er geen lammetje achterblijft. Hij helpt Els, die vloekend de helling op klautert, met een stevige hand in haar rug. "Rustig aan, tijger," hoort Annelies hem zeggen. En Els, die vanochtend nog vuurspuwde, leunt dankbaar tegen hem aan.
Wanneer ze het vakantiehuis weer binnenstappen, voelt de warmte als een omhelzing. Annelies kijkt de ruimte rond. Iedereen is moe, modderig, maar ontspannen. De spanning is weg. De wolven zijn verjaagd. Ze ploft op de bank naast David en kijkt naar Kristof, die luidruchtig bezig is met het organiseren van de drankjes. Hij is een hork, denkt ze glimlachend. Een macho, een aandachttrekker en een opschepper. Maar terwijl ze ziet hoe hij Leen een kus op haar voorhoofd geeft en controleert of iedereen iets te drinken heeft, voelt ze een onverwachte golf van genegenheid. Maar hij is wel onze hork. En bij hem zijn we veilig.
- - -
Benieuwd naar de vrouw achter dit verhaal? abonneer je dan op de nieuwsbrief door mij een mail te sturen (mijn emailadres vind je op mijn profielpagina)
Geef dit verhaal een cijfer:
5
6
7
8
9
10

Ontdek meer over mij op mijn profiel pagina, bekijk mijn verhalen, laat een berichtje achter of schrijf je in om een mail te ontvangen bij nieuwe verhalen!
