Lekker Anoniem Webcammen!
Donkere Modus
Door: Jefferson
Datum: 04-01-2026 | Cijfer: 9.2 | Gelezen: 2614
Lengte: Zeer Lang | Leestijd: 36 minuten | Lezers Online: 1
Trefwoord(en): Leerling, Lerares,
Donderdag na het zesde uur.

Het tijdstip bleef hangen als een vast punt, alsof alles zich daar al omheen had geschikt. Ik was gewaarschuwd door Jayden. Niet luid, niet uitvoerig, maar precies genoeg om het niet te kunnen negeren.

Dylan wilde meer.

Die maandag kwam Jayden meteen naar me toe. Nog vóór het eerste lesuur. Zo waar eens op tijd. Zijn jas hing half open, zijn tas nog op één schouder, alsof hij niet was blijven staan maar onderweg was naar iets anders. Ik dacht nog dat het door mij kwam, door ons onderonsje — dat hij meer wilde, of erover wilde praten. Ik was immers de reden dat hij vroeg was, vroeger dan zijn maten, en die gedachte alleen al maakte me alerter dan nodig.

Maar hij kwam om mij te waarschuwen.

Niet om iets te eisen, niet om een afspraak te maken. Alleen om iets te zeggen dat hij zelf nauwelijks kon afbakenen. Hij wist niet precies waarvoor. Geen details, geen tijdstip, geen plan dat hij kon navertellen. Alleen dát Dylan plannen had. En aan de toon van Jayden hoorde ik dat ik dit serieus moest nemen. Er zat geen bravoure in, geen spel. Eerder een ingehouden spanning, alsof hij zelf ook niet wist waar hij zich precies van wilde distantiëren.

Voorbereiden was echter geen optie. Waarop dan? Er was niets om me aan vast te houden, geen concrete dreiging, alleen een richtingloos gevoel dat zich onder mijn huid nestelde. Ik liep die week door de gangen met een scherpte die ik niet kon verklaren, luisterde anders naar stemmen, keek vaker om.

Zou Dylan het openbaar maken als ik niet zou meewerken? Zou hij wachten, of juist versnellen? Ik wist het niet. En juist dat niet-weten maakte het zwaar. Het bleef bij me, de rest van de week, als een vraag die geen antwoord zocht maar wel ruimte innam.

De dagen hiernaartoe fantaseerde ik al over wat dan ook. Niet doelgericht, niet bewust gepland, maar als een stroom die telkens terugkeerde zodra mijn hoofd even ruimte kreeg. Misschien wilde Dylan gewoon meer van mij. Mijn mond. Of meer dan dat. De gedachte kwam en ging, maar liet telkens een spoor achter. Ik zag ze af en toe op school lopen, losse momenten op de gang, een houding, een blik, en mijn gedachten keerden meteen terug naar de situaties die we al hadden meegemaakt. Hoe fout het was — en nog steeds is. Hoe ver het buiten alles viel wat ik van mezelf kende. En toch ook dat ik ergens, diep vanbinnen, zelf zat te wachten op meer, alsof het onuitgesprokene zwaarder woog dan wat al gebeurd was.

Ik probeerde mezelf toe te spreken met redelijkheid, met grenzen, met woorden als verantwoordelijkheid en verstand. Maar die bleken opvallend dun zodra mijn aandacht verslapte. Het was alsof mijn hoofd al verder was gelopen dan ik durfde toe te geven, terwijl mijn lichaam nog deed alsof niets aan de hand was.

Zeker wanneer ik alleen zat, in mijn lokaal of op mijn kantoortje, werd die spanning tastbaar. De stilte werkte niet kalmerend, maar juist versterkend. Dan spookten die jongens door mijn hoofd zonder aankondiging, zonder volgorde, en moest ik me actief inhouden om niet verder te denken dan goed voor me was. Mijn hele lijf reageerde dan, ongevraagd en te snel, alsof het iets herkende wat ik liever niet benoemde.

Ik bleef langer zitten dan nodig was, deed alsof ik nog werk had, herschikte papieren die al op orde waren. Alles om maar niet te hoeven toegeven dat de onrust van binnen kwam, en niet van buitenaf werd opgelegd.

De vraag die zich opdringt: waar ligt de grens als die onder druk staat?

Zou ik verder gaan dan alleen pijpen als ze dreigden het online te zetten? In de echte wereld misschien niet, hield ik mezelf voor. Daar zouden regels gelden, daar zou ik stoppen. Maar in mijn hoofd speelde het zich af zonder rem. Ik lag met mijn benen wijd op het bureau en zij namen me een voor een, niet uit verlangen, maar als een vorm van afkoop, alsof dat alles zou voorkomen.

Die gedachte bleef hangen. Niet omdat ik haar wilde koesteren, maar omdat ze zich niet liet wegduwen. Scherp en verontrustend, als iets wat ik niet wilde denken — en toch niet kon stoppen. Alsof mijn verbeelding me testte, keer op keer, om te zien waar ik werkelijk zou breken.

Dan is het weer donderdag, en ik heb ernaar uitgekeken. Niet omdat de dag bijzonder is, maar omdat hij een vast punt is geworden, een markering in de week waar alles omheen lijkt te draaien. Ik draag mijn haar gedeeltelijk los, gedeeltelijk naar achteren, zorgvuldig genoeg om verzorgd te ogen zonder dat het overdreven voelt. Mijn top laat mijn silhouet duidelijk uitkomen: gekropt, met een push-up eronder; mijn buik plat en zichtbaar. Ik draag bruine shorts, gekozen op routine, maar niet zonder bewustzijn.

Voor de meesten hier op school oog ik eerder onschuldig dan uitgesproken opvallend. Dat is hoe het meestal wordt gelezen: als vanzelfsprekend, als passend binnen het alledaagse beeld. Maar deze jongens weten beter, of denken dat ze beter weten. Hun blikken zijn anders, hun aandacht scherper, alsof ze details oppikken die voor anderen onzichtbaar blijven.

Ik beweeg door de les met een gecontroleerde rust. Mijn stem blijft gelijkmatig, mijn uitleg helder en zakelijk. Niets in mijn houding verraadt wat er onder die oppervlakte speelt. Ik schrijf op het bord, beantwoord een vraag, rond af zoals altijd. De bel klinkt en stoelen schuiven. Geluiden die elke donderdag hetzelfde zijn, maar vandaag zwaarder lijken te wegen.

Met een redelijk zeker zelfvertrouwen, en met aandacht voor hoe ik gekleed ben, houd ik de vier jongens na de les bij me. Het gebeurt zonder nadruk, zonder aankondiging. Een korte zin, een handgebaar, niets dat de aandacht trekt. Niemand die iets vermoedt. De rest van de klas loopt weg, gesprekken vervagen op de gang, en het lokaal wordt stiller.

Die stilte voelt niet leeg. Ze hangt in de ruimte, afwachtend, alsof er iets besloten wordt zonder woorden. Ik blijf staan bij mijn bureau, rechtop, mijn handen rustig, mijn ademhaling beheerst. Aan de buitenkant is alles kalm. Binnenin weet ik dat dit moment niet zomaar voorbij zal gaan.

De omgeving reageert positief op mijn inzet. Meerdere collega’s hebben mij complimenten gegeven omdat ik zichtbaar tijd investeer in deze vier. Ze zeggen dat ze het verschil merken: meer rust, minder frictie, een andere houding in de les. Het zijn opmerkingen die blijven hangen, niet omdat ik erom vraag, maar omdat ze mijn handelen lijken te legitimeren. Dat is niet de reden dat ik het doe, houd ik mezelf voor, maar het is wel een reden om ermee door te gaan.

In vergaderingen valt mijn naam vaker dan voorheen, meestal terloops, soms met een instemmend knikje erbij. Alsof er een stille consensus is ontstaan: dit is betrokkenheid, dit is professionaliteit. Ik luister, noteer, zeg weinig. Vanbinnen registreer ik hoe gemakkelijk erkenning zich hecht aan zichtbare inzet, en hoe weinig vragen er worden gesteld zolang de buitenkant klopt.

Er loopt zelfs nog een collega voorbij die niets vermoedt; hij knikt slechts, alsof alles precies is zoals het hoort. Alsof ik goed bezig ben. Dat ene gebaar, achteloos en vriendelijk, voelt als een stempel. En dat beeld wordt bevestigd, telkens opnieuw, door kleine signalen: een opmerking bij de koffieautomaat, een kort mailtje, een blik die zegt dat het gezien wordt.

Tegelijkertijd blijft er een stilte onder die bevestiging liggen. Een ruimte waar geen vragen klinken en geen verklaringen nodig lijken. Ik beweeg daarin zonder tegenwind, en juist dat maakt het ongemakkelijk. Want zolang niemand vraagt naar de inhoud van die inzet, blijft alles onaangeroerd.

De jongens willen dat ook. Ze reageren positief op mijn inzet — al gebeurt dat op heel andere manieren dan zichtbaar zijn voor de buitenwereld. Het is geen applaus, geen woorden die herhaald worden. Het zit in kleine verschuivingen: aandacht die blijft, gedrag dat zich aanpast, een vanzelfsprekendheid die groeit. Voor wie kijkt, lijkt het eenvoudig. Voor wie erin staat, is het gelaagder.

Ik neem het waar en ga door. Niet omdat het moet, maar omdat alles eromheen bevestigt dat dit de juiste richting is. En zolang die bevestiging blijft, blijft ook de stilte intact.

Ik sta midden in het lokaal, de jongens weer om me heen als aasgieren — op afstand, maar voelbaar aanwezig. Hun posities zijn niet toevallig; elke stap, elke blik lijkt gekozen. Dylan neemt het woord. Hij dreigt in eerste instantie dat hij de video alsnog online zet als ik niets doe aan zijn cijfers. De woorden zijn scherp, maar zijn stem blijft beheerst. Ik schrik, dat voel ik direct, maar ik dwing mezelf kalm te blijven. Mijn houding verandert niet. Ik zie de rest ook schrikken, een korte aarzeling die door de ruimte trekt. Dat moment, hoe klein ook, geeft me moed. Dit is zijn plan, en niet van hen allemaal.

Ik adem in, tel langzaam, en laat de stilte haar werk doen. De dreiging hangt nog in de lucht, maar verliest iets van haar scherpte doordat ik niet reageer zoals verwacht. Het lokaal voelt kleiner, de afstand tussen ons tegelijk groter en preciezer afgebakend. Ik sta rechtop, mijn handen zichtbaar, mijn stem wanneer ik spreek rustig en gelijkmatig.

Ik twijfel, niet omdat ik geen antwoord heb, maar omdat ik het juiste moment zoek. Dan doe ik een tegenvoorstel. ‘Dat ga ik niet doen,’ zeg ik, zonder verhoging van stem. ‘Maar misschien kan het anders.’ Ik laat een korte pauze vallen. ‘Wat als ik doorga met dit, in ruil voor betere cijfers?’ stel ik vervolgens voor. Niet als concessie, maar als afspraak. Als zij presteren, doe ik dat ook.

De formulering is bewust. Ik kies woorden die voorwaarden scheppen in plaats van toegeven. Ik verplaats het gesprek van dreiging naar afspraken, van macht naar ruil. Daarmee verras ik Dylan volledig. Heel even is hij zijn macht kwijt; het is zichtbaar in zijn houding, in de manier waarop hij zijn schouders ontspant zonder het te willen.

‘Wat bedoelt u dan?’ vraagt hij zelfs — zowaar netjes. Het is geen uitdaging, maar een vraag. En in die vraag zit ruimte. Ruimte om de regie te verleggen, om vast te leggen wat er van ieder verwacht wordt. Ik merk dat de anderen luisteren, dat de cirkel niet sluit maar openblijft. De spanning is er nog, maar ze heeft een andere vorm gekregen. Dit is het breekpunt: niet van escalatie, maar van herdefinitie.

Ik loop terug naar mijn bureau en haal een blaadje uit het laatje. Het karton is dun, licht gekreukt aan de rand, alsof ik het al eens eerder heb vastgehad en weer heb teruggelegd. Ik heb zelfs een opzetje. Niet omdat het moet, maar omdat ik mezelf wijsmaak dat voorbereiding hetzelfde is als beheersing.

‘Als jullie goede cijfers halen, doe ik iets terug,’ zeg ik. Mijn stem klinkt rustiger dan ik me voel, bijna professioneel. Ik probeer de regie terug te pakken over alles wat we hier doen en over alles wat eigenlijk niet zou mogen gebeuren. Alsof woorden, eenmaal uitgesproken, zich netjes laten rangschikken.

Er valt een korte stilte. Ik voel hoe mijn schouders zich aanspannen en hoe mijn hand iets te strak om het papier sluit. Het is een bod, verpakt als motivatie, en ik weet dat ik het formuleer om mezelf gerust te stellen. Dit is geen impuls, houd ik mezelf voor. Dit is een afspraak. Een kader.

‘Als jullie hoger dan een acht halen, zal ik pijpen,’ zeg ik bijna zakelijk. De zin rolt eruit met een nuchterheid die me verrast. Alsof er echt geen andere oplossing is, alsof ik een randvoorwaarde benoem in plaats van een grens die ik verleg.

Ik doe net alsof ik het niet wil, alsof dit me wordt afgedwongen door omstandigheden, door verwachtingen, door hun blikken. Maar het idee zit al de hele week in mijn hoofd, hardnekkig en steeds duidelijker. En ik zie bij alle vier de lichtjes in hun ogen fonkelen, kort maar onmiskenbaar, alsof ze exact begrijpen wat hier gebeurt.

In dat moment besef ik wat ik zeg. Wie ik ben. Hoe ik eruitzie wanneer ik dit uitspreek. Ik voel het gewicht van mijn positie, van de ruimte waarin we staan, van de woorden die nu niet meer van mij alleen zijn. Ik besef ook wat dit kan betekenen, niet alleen straks, maar vanaf nu. Voor hen. En voor mij.

Het is even stil. Zo’n stilte die niet leeg is, maar vol verwachting hangt. Dan roept Dylan de andere drie bij zich. De jongens gaan in conclaaf, dicht bij elkaar, hoofden naar binnen gebogen. Ik neem bewust afstand. Ik zit op mijn bureau, benen licht gekruist, en zie hoe ze overleggen alsof het om een groepsopdracht gaat waarbij iedereen een stem heeft. Zo heb ik ze nog nooit gezien: serieus, berekenend, bijna methodisch. Maar ik kan ze niet horen, al doe ik nog m'n best.

Ik dwing mezelf om niet te staren, maar mijn blik glijdt toch steeds terug. De tijd rekt zich op, elke seconde voelt langer dan nodig. Dit is het moment waarop ik had moeten ingrijpen, waarop ik iets had moeten zeggen om de toon te breken. Dat doe ik niet. Ik wacht.

Mo kijkt even om naar mij. Zijn blik blijft hangen bij mijn lippen, net iets langer dan onschuldig is. Dat ene moment is genoeg. Ik voel hoe mijn lichaam reageert; ik word heter, alerter, onrustiger. Mijn ademhaling verandert, oppervlakkiger, en ik ben me plots pijnlijk bewust van mezelf. Dan volgt het verdict.

‘Niet akkoord,’ zegt Dylan stellig, zonder aarzeling. Alsof hier een volwassen deal gesloten wordt met alleen maar volwassenen.

De woorden landen harder dan ik had verwacht. Ze gaan niet akkoord. Ze halen nooit een acht. Zelfs niet voor mij. De gedachte schuurt, niet zozeer tegen mijn ego, maar tegen het beeld dat ik van dit moment had opgebouwd.

‘Onmogelijk,’ voegt hij eraan toe, bijna verontschuldigend, alsof hij een feit constateert in plaats van een keuze maakt.

Ik overweeg me speels op te stellen — zelfs niet voor mij? — maar ik doe het niet. Ik slik de opmerking in en voel hoe de machtsverhouding verschuift. In plaats daarvan begint de onderhandeling over het cijfer, alsof we alsnog naar een middenweg kunnen zoeken.

‘Een zeven,’ zeggen ze. ‘Of gewoon een voldoende. Dat is al winst, toch?’ De toon is voorzichtig, bijna diplomatiek, alsof ze bang zijn te ver te gaan.

Ik lach. Niet omdat ik het grappig vind, maar om mijn gevoelens te verbergen en tijd te winnen. Want ik weet één ding zeker: ik wil het wel. De gedachte alleen al laat mijn maag samentrekken. Maar ik wil me niet zo makkelijk weggeven. Ik wil niet dat dit voelt als toegeven zonder weerstand. Dus schud ik mijn hoofd.

Ik ga niet akkoord.

Daarna verschuift het gesprek, bijna onvermijdelijk, naar de handeling zelf. Alsof het cijfer slechts een opstapje was naar waar het werkelijk om draait.

‘Aftrekken dan?’ wordt me gevraagd. Het is Luc die het voortouw neemt, ongevraagd, bijna wanhopig, zijn stem iets te snel, iets te gretig.

Ik hoor mezelf ademen. Ik voel hoe mijn gedachten zich razendsnel herschikken. Dit is absurd, besef ik. Volstrekt onredelijk, onhoudbaar zelfs. En juist daarom ook gevaarlijk opwindend. Omdat niemand hier nog precies weet wie de leiding heeft, en omdat ik die onzekerheid niet meteen wil doorbreken.

Dan neem ik de regie weer over en pak een nieuw blaadje. Het papier is schoon, te schoon, en juist dat maakt het verdacht. Ik krabbel, sneller dan verstandig is, terwijl ik mezelf voorhoud dat dit structuur is en geen vlucht naar voren. Dat cijfers helderheid brengen. Dat afspraken veiligheid bieden. Ik schrijf alsof tempo hetzelfde is als zekerheid.

Eerste opzet: 5,5 tot 7 is aftrekken op mij. 7,1 tot 8,5 is dat ik hen zelf aftrek. 8,6 tot 10 is dat ik hen pijp. De cijfers staan er strak en onverbiddelijk, alsof ze altijd al zo bedoeld waren. Ik lees ze nog eens terug en voel een korte, scherpe aarzeling, maar die druk ik weg. Dit is overzicht, zeg ik tegen mezelf. Dit is afbakening.

Ze gaan er snel mee akkoord. Te snel. Geen vragen, geen tegenvoorstellen, geen twijfel die hardop wordt uitgesproken. Het moment waarop ik dat besef, is het moment waarop mijn maag samenknijpt. Instemming hoort gewicht te hebben; dit voelt licht, bijna achteloos. Alsof ze precies wisten dat dit zou komen.

Wat heb ik gedaan? De vraag blijft hangen terwijl ik hun gezichten lees. Dylan lijkt te denken dat ik dan vroeg of laat toch wel mijn mond gebruik. Zijn blik verraadt geen haast, maar verwachting. Alsof het onvermijdelijk is, slechts een kwestie van tijd en cijfers, en niet van keuzes.

Ik herhaal de rekensom in mijn hoofd, langzaam nu, zonder de bescherming van snelheid. Maar dit betekent dus dat, als ze een voldoende halen, ik hun zaad opvang. Ja, dat lijkt het te betekenen. De helderheid van die conclusie verrast me; er is geen ruimte meer voor interpretatie of nuance. Het staat er. Ik heb het zelf opgeschreven.

En zelfs daarop reageert mijn lichaam extreem, sneller dan mijn hoofd kan bijsturen. Warmte, spanning, een onmiskenbare alertheid die zich niet laat wegredeneren. Alsof mijn lijf de afspraak al heeft geaccepteerd, nog voordat ik dat bewust doe.

Ik kijk naar het blaadje op mijn bureau en besef dat dit geen concept meer is. Dit is geen vrijblijvende gedachte. Ik voel hoe de consequenties zich vastzetten, niet meer als woorden op papier, maar als iets dat al besloten is. Iets dat straks uitgevoerd moet worden. Niet omdat iemand me dwingt, maar omdat ik het zelf heb vastgelegd.

De regie die ik dacht terug te pakken, voelt ineens als een last. Alsof elke lijn in inkt me dichter bij een uitkomst brengt die ik niet meer kan herschrijven.

Toch wil Dylan nog iets toevoegen. Het komt niet aarzelend, maar doelgericht, alsof hij dit punt al had voorbereid. En ik moet het noteren. Niet later, niet in mijn hoofd, maar nu, op papier. Alsof we samen een wettig document aan het opstellen zijn, met regels die pas bestaan zodra ze zijn vastgelegd. Zijn tweede eis is helder: dat ik de vier dan wel tegelijk beloon.

De formulering laat weinig ruimte voor misverstand. Tegelijk. Geen volgorde, geen uitzonderingen, geen ruimte om te temporiseren. Ik knik terwijl ik schrijf, en merk dat mijn hand iets trilt. De inkt droogt snel, onverbiddelijk, alsof zelfs het papier geen bedenktijd gunt.

Een geile rilling trekt onmiddellijk door mijn lijf. Niet plotseling, maar in een golf die zich niet laat tegenhouden. Ik besef dat de fantasieën die ik over hen heb, niet langer abstract zijn; ze komen gevaarlijk dichtbij, krijgen vorm en voorwaarden. Het is geen losse gedachte meer, maar een scenario met regels en timing.

Ik dwing mezelf om rationeel te blijven. Ik doe alsof het vooral praktisch is, alsof deze toevoeging de boel vereenvoudigt en misverstanden voorkomt. Alsof dit een technische correctie is en geen inhoudelijke escalatie. Ik noteer het zonder verdere discussie, maar de stilte die daarop volgt, is veelzeggend.

Wie hier nu nog de macht heeft, is intussen volstrekt onduidelijk geworden. Wat begon als mijn initiatief, voelt steeds minder als leiding nemen en steeds meer als samen iets uitvinden. De hiërarchie is niet verdwenen, maar wel vervaagd, opgerekt door overleg en wederzijdse instemming.

Paradoxaal genoeg geeft juist dat mij het gevoel van meer grip. Niet omdat ik beslis, niet omdat ik grenzen opleg, maar omdat ik meedoe en bevestig. Omdat elke stap gezamenlijk wordt gezet, en daarmee moeilijker terug te draaien is.

Ik kijk naar het papier en zie geen losse afspraken meer, maar een geheel. Wat we vastleggen, is geen eenzijdige afspraak. Het is een gezamenlijk verzinsel, zorgvuldig verwoord en vastgelegd, waarin elke regel tegelijk begrenst en uitnodigt. Een constructie waarin verantwoordelijkheid wordt gedeeld, maar ook verspreid.

En misschien is dat precies wat het zo gevaarlijk maakt: dat niemand hier nog volledig kan zeggen dat dit niet zijn of haar keuze was.

Iets in mij vindt dit een goede deal. Het voelt rationeel, bijna logisch, en juist daarom verdacht. Alsof redelijkheid hier dient als camouflage, een dunne laag over iets wat veel minder beheersbaar is. Ik herken het mechanisme: wanneer iets te netjes klopt, klopt het vaak niet.

‘Dus, deal?’ vraag ik, mijn stem strenger dan ik me voel. Ik wil afronden, vastleggen, het moment sluiten voordat het verder uitwaaiert en zich onttrekt aan mijn invloed. Afronden betekent controle, en controle voelt veilig, zelfs wanneer ik weet dat het schijn is.

Maar precies wanneer ik wil besluiten, houdt Dylan het tegen. Niet abrupt, niet brutaal, maar met een kalmte die me meer raakt dan tegenspraak ooit zou doen.

‘Wat als we toch meer willen?’ vraagt hij. De vraag hangt even in de lucht, open en zonder haast. Het gaat niet alleen over de afspraak; het gaat indirect ook over mij, over wat ik toelaat en wat ik uitstraal. Natuurlijk willen zij meer. En hij lijkt dondersgoed te weten dat ik dat zelf ook wil. Misschien nog wel meer dan zij, al zou ik dat nooit hardop zeggen.

Ik slik en voel hoe de spanning zich vastzet in mijn schouders, langzaam maar onverbiddelijk. Zijn ogen nemen me nu echt in zich op, zonder haast, zonder terughoudendheid, alsof hij me weegt en taxeert op iets wat verder gaat dan woorden. De anderen sluiten zich daarbij aan, niet opzichtig, maar synchroon. Ik voel hun aandacht als een compacte druk, onafwendbaar en precies gericht.

Ik zie vier paar hongerige blikken, intens en onverbloemd. Het is geen brutale gretigheid, maar een geconcentreerd verlangen dat me dwingt mezelf serieuzer te nemen dan me lief is. Ik kan doen alsof dit me niets doet, alsof ik hier boven sta, rationeel en onaantastbaar. Maar zij hebben me al eerder gezien, op momenten waarop mijn interesse onmogelijk te verbergen was. Ze weten hoe graag ik dit wil, hoe dun de laag is die ik probeer op te houden.

Mijn houding blijft strak, mijn gezicht neutraal, maar vanbinnen schuift alles. Elk gebaar, elke ademhaling wordt betekenisvol. Ik ben me pijnlijk bewust van hoe ik hier sta, en van wat mijn stilte kan betekenen.

Ik houd mijn gezicht in de plooi en laat niets los. Geen knik, geen glimlach, geen woord dat als opening kan dienen. Maar vanbinnen weet ik dat dit punt onomkeerbaar is. Wat hier gebeurt, speelt zich niet alleen af in woorden, maar in wat er niet meer ontkend kan worden, zelfs niet door mijzelf.

Er is een grens, dat weet ik. Ik voel hem scherp en duidelijk. En tegelijk voel ik hoe dicht ik ertegenaan sta, hoe verleidelijk het is om te doen alsof die grens flexibel is, onderhandelbaar, tijdelijk.

De vraag is niet langer of ik dit wil. Die fase ligt achter me. De vraag is hoeveel ik bereid ben toe te geven, hoe ver ik me laat meenemen door wat hier ontstaat — en tegen welke prijs, nu en later.

Dylan komt het briefje halen, met een duidelijk zichtbare erectie in zijn broek die hij geen moment probeert te verbergen. Hij leunt tegen mijn bureau, pakt een pen en begint te krabbelen, alsof dit een alledaagse handeling is. Mijn blik blijft hangen op de bobbel in zijn broek; ik kan het niet laten. Hij ziet het meteen. Zijn mondhoek trekt omhoog in een grijns die alles zegt.

Alsof alleen hij dit weet. Alsof alleen hij doorheeft wie ik werkelijk ben, wat er achter mijn nette houding en gecontroleerde woorden schuilgaat.

Hij schuift het briefje langzaam naar mij toe en wacht. Dan pas laat hij me lezen.

Zijn opzet is helder en schaamteloos, zonder omwegen of verzachtende woorden: zelf aftrekken, laten aftrekken, tussen de borsten, pijpen, seks en anale seks. Alles staat er, in een simpele opsomming, van laag cijfer tot hoog cijfer. Hij noemt geen cijfers. Dat laat hij bewust open, als een lege ruimte die ik moet vullen.

Ik schrik dan echt even. Niet alleen van de woorden, maar vooral omdat hij zo dichtbij staat, omdat hij mij dit eerst laat lezen voordat iemand anders het kan zien. Mijn hart slaat een slag over. Tegelijk sta ik in vuur en vlam wanneer ik voel hoe ze alle vier naar mij kijken, hoe de spanning in de ruimte tastbaar wordt.

Mijn adem stokt kort voordat ik mezelf herpak.

‘Goed,’ zeg ik uiteindelijk met een schorre stem, mijn keel droog van opwinding die ik met moeite onder controle houd.

Daarna dwing ik mezelf terug in mijn rol.

‘Gemiddelde aan het einde van het jaar?’ stel ik, zakelijk, alsof dit een normale onderhandeling is en geen spel met grenzen en verlangens.

Dylan grijnst opnieuw en schudt langzaam zijn hoofd. Hij hoeft niets te zeggen. Hij weet het al. Hij weet dat ik akkoord ga, dat mijn verzet vooral vorm is en geen inhoud.

Nee, elk cijfer telt. Elk moment. Hoe klein de toets ook is, hoe onbeduidend het lijkt.

‘Bepaal de cijfers maar,’ zegt hij dan toch, en hij legt de pen nadrukkelijk voor me neer.

Hij weet dat alles al winst is. Dat hij, wat ik ook kies, verder komt dan hij nu staat. Dus waarom zou hij zich verzetten?

Ik moet echt mijn best doen om niet te laten zien hoe geil ik hiervan word. Mijn gezicht blijft strak, mijn houding gecontroleerd, maar vanbinnen raast het. Ik zeg dan ook niet expliciet dat ik akkoord ga. In plaats daarvan begin ik alles in te delen, alsof ik simpelweg regels formuleer.

Anaal pas vanaf een 9,5. Dat spreek ik niet hardop uit, maar het staat vast in mijn hoofd.

Maar diep vanbinnen weet ik al dat het ze een worst zal zijn. Dat ze hier niet voor cijfers komen, maar voor iets heel anders.

Dylan staat mij toe om aanpassingen door te voeren, in plaats van te dreigen of te pushen. Dat alleen al voelt als een overwinning, hoe klein ook. Ik pak zijn briefje aan en ga achter mijn bureau zitten, rechtop, alsof dit een gewone administratieve handeling is. Alsof ik cijfers invul voor een rapport en geen voorwaarden voor iets dat veel verder reikt. In werkelijkheid trillen mijn gedachten alle kanten op en kost het me moeite mijn handen stil te houden.

Ik lees nog eens wat er staat. De woorden zijn eenvoudig, bijna kaal, maar de lading is allesbehalve dat. Eigenlijk wil ik alles wat hier staat. Ook al heb ik sommige dingen nooit gedaan, of weet ik niet precies hoe of wat het in de praktijk zou betekenen. Het onbekende schrikt me af en trekt me tegelijk aan, als een rand waar je beter niet te dicht bij kunt komen, maar waar je blik toch steeds naartoe wordt gezogen.

Ik houd mezelf voor dat dit rationeel is. Als ze alle vier een voldoende halen, is het alleen maar win-win. Dat is de redenering waar ik me aan vastklamp, de gedachte die het mogelijk maakt om door te gaan zonder nu al spijt te voelen. Ik adem diep in, zet mijn schouders recht en dwing mezelf te doen alsof ik volledig de regie heb.

Ik pas de cijfers aan. Niet impulsief, maar bedachtzaam, alsof elk getal een zorgvuldig afgewogen beslissing is. Ik laat anale seks staan, maar pas vanaf een 9,5. Dat voelt als een duidelijke grens, een laatste drempel die mij het idee geeft dat ik nog iets te zeggen heb, dat niet alles meteen openligt.

Toch weet ik ergens dat cijfers niets zeggen over verlangen, en nog minder over remmen. Ik schuif het briefje terug naar Dylan en leun achterover in mijn stoel, in afwachting van wat hij zal doen.

Hij pakt het op en leest voor. Hier schrik ik van. Ik loop rood aan. Hij zegt het alsof iedereen het mag horen.

‘Jongens. Nu echt je best doen,’ begint hij, met een toon die tegelijk luchtig en dwingend is.

‘5,5 tot 6,5 en je mag je op haar aftrekken. 6,6 tot 7,5 en ze trekt je af. 7,6 tot 8,2 en je mag haar borsten nemen. 8,3 tot 8,9 is pijpen. 9 tot 9,5 is seks, en daarboven een gaatje hoger.’

Hij leest het voor als een manifest, langzaam en nadrukkelijk, alsof hij elk onderdeel in de ruimte wil laten landen. Elk woord maakt mij wakkerder en alerter, alsof mijn lichaam sneller begrijpt wat hier gebeurt dan mijn hoofd kan bijbenen. Ik voel de spanning toenemen, niet alleen bij hen, maar ook bij mezelf.

‘Ik weet dat jullie dat allemaal willen,’ zegt hij bijna triomfantelijk, en aan zijn blik zie ik dat hij geen ongelijk heeft. Ze raken enthousiast. En ik besef me dat ik het nog het meest wil, hun hongerige blikken en blijkhaar hun harde pikken.

Ze gaan akkoord. Zonder discussie, zonder aarzeling. Alsof dit besluit al lang geleden is genomen en dit slechts de formele afronding is. Symbolisch zetten we er een krabbeltje achter. Ik ook, met een handtekening die er beheerst uitziet, maar die meer verraadt dan ik zou willen.

Wanneer het briefje weer op tafel ligt, besef ik dat er geen weg terug is. Wat begon als spel en onderhandeling, voelt ineens vastgelegd en definitief. Dylan maakt er natuurlijk een foto van.

Het voelt alsof ik een deal met de duivel sluit.

Of was ik hier de duivel, en heb ik dat alleen te laat door?

Verder gebeurt er die middag niets. Wat misschien voor iedereen een teleurstelling is, maar tegelijk volkomen logisch na alles wat er is afgesproken. De energie is eruit gelopen, de woorden zijn gezegd, de regels vastgelegd. Het moment is voorbij; nu rest alleen de nasleep, die stille ruimte waarin niemand precies weet wat hij moet doen.

Ik blijf nog even zitten, langer dan nodig is, en luister naar het gedempte geluid van beweging elders in het gebouw. Het voelt vreemd kalm, bijna alledaags, alsof er niets is veranderd. Eens zien of ze werkelijk hun best gaan doen voor mij. Want zo voelt het, hoe fout het ook klinkt: alsof dit ineens om mij draait, alsof ik onbewust het middelpunt ben geworden van iets dat groter is dan deze middag.

Ik merk dat ik daar niet eens schuldgevoel bij heb. Geen schaamte, geen directe spijt. Ik ben vooral gecharmeerd door alles wat er zojuist is besproken, door de helderheid van de afspraken en de impliciete spanning die erin besloten ligt. Het was duidelijk, bijna zakelijk, en juist daardoor zo geladen. Nu is het wachten op de eerste cijfers.

Hoe, wat, waar en wie, dat is allemaal nog onduidelijk. Er zijn geen details afgesproken over timing of omstandigheden, en precies dat gebrek aan houvast maakt het alleen maar intenser. De leegte vult zich vanzelf met verwachting.

Mijn hoofd en mijn lichaam draaien overuren van opwinding. Gedachten lopen vooruit op situaties die nog niet eens bestaan; fragmenten, blikken, mogelijke momenten. Beelden stapelen zich op zonder dat ik ze kan tegenhouden, en elke poging om mezelf tot rust te manen mislukt halfslachtig.

Ik stop het briefje zorgvuldig in mijn tas en neem het mee naar huis, alsof het iets kostbaars is dat ik niet kwijt mag raken. Niet omdat het papier zelf zo belangrijk is, maar omdat het staat voor alles wat nu vastligt. Thuis leg ik mijn tas neer, trek mijn jas uit en haal het briefje er opnieuw uit, bijna ritueel.

Ik lees het nog eens. Langzamer dit keer. De voorwaarden. De handelingen. De volgorde. Elk woord lijkt zwaarder te wegen nu ik alleen ben, zonder hun aanwezigheid, zonder hun blikken.

Ik fantaseer er ongekend op los. Niet vluchtig, maar uitvoerig, alsof ik mezelf de tijd gun om elk scenario te verkennen. Vooral het idee dat ik hen dan wel alle vier tegelijk moet belonen, ongeacht hun cijfer, blijft in mijn hoofd rondzingen. Het voelt als een belofte die nog waargemaakt moet worden, een afspraak met de toekomst.

Ik vouw het briefje weer dicht en leg het op een plek waar ik het gemakkelijk terug kan vinden. Niet om het te verbergen, maar om te weten dat het er is. Het vooruitzicht nestelt zich steeds dieper in mijn gedachten en laat me niet meer los. Wachten is ineens geen leegte meer, maar een fase op zichzelf.

Die nacht lig ik naakt op de dekens van mijn bed. Het is heter dan ooit. Ik bijt op m'n onderlip, kneed een borst tegen me aan, en vinger mezelf naar een ongekend climax als ik me voorstel hoe ik de vier beloon. Ongeacht het cijfer. Het idee dat ze zich alle vier op mij aftrekken, vind ik net zo geil al het idee dat ze me om de beurt zouden nemen. Zelfs anaal. Ook besef ik me heel goed dat ze elk een cijfer kunnen halen waardoor al mijn gaatjes tegelijk gevuld worden... Moet ik de overhoringen extra makkelijk maken?
Trefwoord(en): Leerling, Lerares, Suggestie?
Geef dit verhaal een cijfer:  
5   6   7   8   9   10  
Klik hier voor meer...
Klik hier voor meer...