Lekker Anoniem Webcammen!
Donkere Modus
Door: Leen
Datum: 09-01-2026 | Cijfer: 9.1 | Gelezen: 711
Lengte: Lang | Leestijd: 21 minuten | Lezers Online: 1
Trefwoord(en): School, Verlangen, Vreemdgaan,
De Breuk
De refter is een oorverdovende bak herrie, een kakofonie van schuivende stoelen, rammelende bestekbakken en honderden stemmen die tegen de betonnen muren opbotsen. De lucht is dik en bedompt, een misselijkmakende cocktail van lauwe tomatensoep, natte wollen jassen en de geur van hormonen die in het zweet van honderden tieners hangt.

Ik baan me een weg door de menigte, mijn ellebogen strak tegen mijn zij gedrukt om mijn geschiedeniswerkstuk te beschermen. Ik klem het tegen mijn borst als een wapenschild, mijn vingers wit om de randen van het papier. Mijn hart bonst in mijn keel, maar de misselijkmakende verliefdheid die ik vroeger voelde als ik naar Carl liep, is verdwenen. In de plaats daarvan voel ik een nerveus, scherp soort triomf die schuurt tegen een groeiende, onredelijke irritatie.

Mijn ogen scannen de zaal en vinden hem onmiddellijk. Carl zit op zijn vaste plek, midden in een groep klasgenoten, maar hij springt er niet uit; hij gaat erin op. Hij lacht beleefd om een grap van Mark, neemt een hap van zijn boterham en veegt keurig zijn mond af. Alles aan hem is zo pijnlijk correct. Zijn houding, zijn nette merk-trui, de manier waarop hij luistert zonder te onderbreken. Hij is de ideale schoonzoon, de jongen die nooit problemen maakt, en ik merk tot mijn schrik dat ik me er kapot aan erger.

Vroeger voelde die voorspelbaarheid veilig, als een warme deken. Nu voelt het verstikkend. Hij is een grijze muis die meeloopt met de massa, die nooit eens buiten de lijntjes kleurt of afwijkt van wat 'normaal' is. Hij mist dat rauwe, dat onvoorspelbare waar ik nu zo naar hunker. Hij mist de scherpe randjes die Gert wel heeft. Carl is vlak, een eindeloze horizon zonder reliëf, en ik snak naar bergen en dalen. Ik loop op hem af, dwars door zijn comfortzone heen. Hij ziet me niet aankomen; hij is te druk bezig met gewoon zijn.

Geen hallo. Van geen van beiden. Ik gun hem die beleefdheid niet eens. Ik laat mijn werkstuk op tafel vallen, recht voor zijn neus. Klets. Het geluid is bevredigend hard en snijdt dwars door hun luidruchtige gesprek heen. Mark stopt midden in zijn zin. "Kijk," zeg ik. Ik probeer nonchalant te klinken, cool, maar mijn stem verraadt me; hij trilt van een rauwe, pure trots. "Een tien. Een vette, rode tien. Meneer Verstraeten zei dat het 'van universitair niveau' was. Hij heeft het verdorie voorgelezen aan de hele klas."

Carl stopt met kauwen. De lach sterft langzaam weg op zijn gezicht. Hij veegt traag, bijna irritant langzaam, een kruimel van zijn mondhoek en pakt het papier op. Hij houdt het vast alsof het besmettelijk is. Hij bestudeert het grote, rode cijfer bovenaan de pagina, zijn ogen scannen de lovende commentaren in de kantlijn. Hij zoekt. Ik zie het aan hem. Hij zoekt naar een fout, een correctie, een 'maar', iets wat het minder maakt.

Dan kijkt hij me aan. En daar is hij. Die blik. Die vreselijke, neerbuigende, betweterige blik alsof ik een kleuter ben die trots een tekening laat zien waarin hij net binnen de lijntjes heeft gekleurd. "Wauw, Leen," zegt hij, en zijn stem druipt van valse verrassing. Hij legt een hand op mijn arm, een bezitterig gebaar. "Zie je wel? Ik zei toch dat je het kon als je maar even je best deed. Je moet gewoon niet zo onzeker doen. Beetje discipline, dat is alles wat je nodig had." Mijn bloed begint te koken, een hete golf die vanuit mijn tenen omhoogschiet. Discipline. Alsof ik een hond ben die getraind moet worden. Alsof mijn intelligentie, mijn werk, mijn passie niets betekenen zonder zijn goedkeuring. Hij eigent zich mijn succes toe. Ik zei toch dat je het kon.

"Ik heb het niet alleen gedaan," floep ik eruit. Ik wil hem raken. Ik wil die zelfvoldane grijns van zijn gezicht krassen. Carls glimlach bevriest, zijn hand blijft even stil op mijn arm liggen voordat hij hem langzaam terugtrekt. "Hoezo? Heeft je vader geholpen? Of heb je eindelijk eens naar mijn aantekeningen gekeken?"

"Nee," zeg ik, en ik dwing mezelf om hem recht in de ogen te kijken, zonder te knipperen. "Gert heeft mij geholpen." De naam landt als een steen in stilstaand water. De kringen van stilte verspreiden zich onmiddellijk rond onze tafel. De klasgenoot naast Carl stopt met kauwen en kijkt ongemakkelijk naar zijn bord. Carl laat mijn werkstuk langzaam zakken tot het weer op tafel ligt. Zijn ogen vernauwen zich tot spleetjes, zijn kaakspieren spannen zich aan.

"Gert?" Zijn stem druipt van minachting. "Die broer van Eva? Die... die gozer van de technische?" Hij snuift lachend, maar het geluid is koud. "Wat weet die nou van de Franse Revolutie? Kan die überhaupt lezen zonder plaatjes?" De pure arrogantie in zijn stem is als een klap in mijn gezicht. Ik denk aan Gert in de bibliotheek, hoe zijn ogen oplichtten toen hij sprak over de geschiedenis, zijn passie, zijn intelligentie die zoveel rauwer en echter is dan Carls ingestudeerde lesjes.

"Hij is slimmer dan jij denkt, Carl," bijt ik hem toe, feller dan ik bedoelde. Mijn stem slaat over van verontwaardiging. "Hij was toevallig in de bibliotheek toen ik vastzat. Vorige week dinsdag. Hij heeft me geholpen. Hij heeft me verbanden laten zien die jij niet eens zou begrijpen omdat ze niet in je handboek staan." Carls gezicht kleurt vlekkerig rood. Het is niet alleen jaloezie; het is gekrenkte trots. Dat zijn vriendin, zijn project, geholpen is door iemand die hij als minderwaardig beschouwt. Hij leunt over de tafel, zijn stem plotseling dreigend laag, fluisterend zodat de anderen het net niet kunnen horen. "Ik vind dat niet normaal, Leen. Jij hoort niet met dat soort types om te gaan. Hij is fout volk. Iedereen weet dat. En dat jij in de bieb met hem zit te smoezen terwijl ik..."

"Terwijl jij wat?" onderbreek ik hem fel. "Terwijl jij zogezegd bij de Chiro was? Hij wilde gewoon helpen, Carl. Doe niet zo paranoia." Ik voel me in het nauw gedreven, mijn verdediging brokkelt af onder zijn beschuldigende blik. Dus ik haal uit, een wanhopige poging om de aandacht te verleggen. "Bovendien," zeg ik, mijn stem trillend van frustratie, "jij doet toch ook niet alsof Els lucht is? Ik zag jullie laatst nog samen lachen bij het fietsenhok. Als jij met Els mag praten, mag ik toch zeker wel huiswerkhulp krijgen van Gert?"

Het effect van die naam is instant en verwoestend. Maar niet op de manier die ik verwachtte. Carl wordt niet boos. Hij wordt lijkbleek. De kleur trekt weg uit zijn wangen alsof iemand een stop uit hem heeft getrokken. Zijn ogen schieten paniekerig heen en weer, zoekend naar een ontsnapping.

"Ik zei je toch dat ze het te weten zou komen." De stem komt van vlak achter me. Koel. Droog. Dodelijk. Ik draai me met een ruk om. Eva staat daar. Ze leunt met één schouder tegen een betonnen pilaar, haar armen over elkaar, alsof ze al die tijd al stond te wachten op haar inzet. Ze kijkt niet naar mij. Ze kijkt naar Carl. En in haar ogen zie ik geen spot, maar pure, onversneden minachting.

Mijn mond valt open. Ik kijk van Eva naar Carl, die nu begint te zweten. Echte zweetdruppels parelen op zijn bovenlip. "Waar... waar heb je het over?" vraag ik, mijn stem plotseling heel klein in de grote ruimte. Eva duwt zich los van de pilaar en zet een stap dichterbij. Ze geniet hiervan. Ze geniet ervan om Carls zorgvuldig opgebouwde kaartenhuis omver te blazen. "Oeps," zegt ze, zonder enige emotie. "Ik dacht dat jullie het erover hadden. Omdat je over Els begon."

"Hou je mond, Eva," zegt Carl snel. Zijn stem slaat over, hoog en schril. "Ze kletst maar wat, Leen. Echt. Ze probeert te stoken. Ze is gewoon jaloers." Hij grijpt mijn hand vast over de tafel heen. Zijn handpalm is klam en vies. "Luister niet naar haar." Eva negeert hem volledig. Ze pakt met een trage beweging een frietje uit het bakje van Carls klasgenoot, dipt het in de mayonaise en eet het rustig op, haar ogen strak op Carl gericht.

Eva negeert hem volledig. Ze pakt met een trage beweging een frietje uit het bakje van Carls klasgenoot, dipt het in de mayonaise en eet het rustig op, haar ogen strak op Carl gericht. "Het feestje van vorige week, Carl," zegt ze met volle mond. "Dinsdagavond. In 't Parochiehuis."

De wereld stopt even met draaien. De kakofonie van de refter vervaagt tot een doffe, betekenisloze ruis. Mijn gedachten schieten terug naar vorige week dinsdag. De avond dat ik in de bibliotheek zat te zwoegen op dit verdomde werkstuk. De avond dat ik Gert ontmoette tussen de boekenrekken. Ik weet het nog precies. Ik had Carl gevraagd of hij meeging. Of hij me wilde helpen, of we er een gezellige avond van konden maken. Nee, had hij gezegd, met die spijtige blik van hem. Ik kan niet, Leentje. Chiro-avond. Een vergadering voor de leiding, en daarna een drankje. Strikt voor de leiding. Geen buitenstaanders toegelaten. Echt saai, alleen maar gezeur over de kampboekjes. Blijf jij maar lekker studeren, dan zie ik je morgen.

Ik kijk Carl aan, en de puzzelstukjes vallen met een misselijkmakende klap op hun plaats. De 'saaie vergadering'. Het 'besloten feestje'. "Jij zei dat het een werkvergadering was," fluister ik, mijn stem trilt van ongeloof. "Dat ik niet mee mocht omdat het alleen voor de leiding was. Dat ik een buitenstaander was."

Carl opent zijn mond, sluit hem weer. De kleur is volledig uit zijn gezicht verdwenen. Hij lijkt op een vis op het droge, happend naar lucht, wanhopig zoekend naar een leugen die hem kan redden uit het web dat hij zelf gesponnen heeft. "Ja... dat... dat was het ook," stamelt hij, zweetdruppels breken uit op zijn voorhoofd. "In het begin. We moesten echt vergaderen. Maar... maar toen..."

"En toen kwam Els," vult Eva genadeloos aan. Ze leunt voorover over de tafel, zodat haar gezicht vlak bij het zijne is. "Zij is geen leiding, toch Carl? Maar ze was er wel. En van praten met de leiding kwam bij jou weinig terecht. Ik stond bij de bar. Ik heb alles gezien. Hoe jij de hele avond met haar stond te dansen. En niet op snelle nummers." Ze pauzeert even voor effect. "Careless Whisper, twee keer achter elkaar. Je handen zaten wel erg laag voor een 'vriendschappelijk' praatje." Ik voel me misselijk worden. Een fysieke klap in mijn maag. Terwijl ik me in die bibliotheek eenzaam en in de steek gelaten voelde – tot Gert kwam – stond Carl zijn handen over het lichaam van Els te laten glijden. De leugen over de "besloten avond" voelt nog erger dan het dansen zelf.

"Dat lieg je!" roept Carl, maar zijn stem heeft geen kracht. Hij kijkt wanhopig naar zijn vrienden voor steun, maar die kijken allemaal gefascineerd naar hun tafelblad. "Oh ja?" Eva trekt één wenkbrauw op. "En waarom verdwenen enkel jij en Els richting de materiaalkoten achter het podium? Want daar zag ik jullie toch echt naar binnen glippen, hand in hand. Jullie waren zeker twintig minuten weg. Wat deden jullie daar, Carl? Nieuwe spelletjes bedenken tussen de tentzeilen?"

Doodse stilte aan onze tafel. De waarheid hangt zwaar en verstikkend in de lucht. Hij weet het. Iedereen wist het. Behalve ik. Ik sta langzaam op. Mijn stoel schuift met een scherp, pijnlijk geluid naar achteren. "Twintig minuten," fluister ik. "Leen, alsjeblieft, het is niet wat je denkt..." Carl staat ook op, hij reikt naar me over de tafel. Zijn vingers trillen.

Ik doe een stap achteruit. Mijn rug is recht, mijn handen tot vuisten gebald langs mijn lichaam. De woede die ik voel is niet heet en explosief, maar koud en scherp als glas. "Raak me niet aan," zeg ik. Het komt er ijzig kalm uit. Zo kalm dat Carl bevriest. "Je loog," zeg ik. "Je zei dat ik niet mee mocht omdat het saai was. Omdat ik een 'buitenstaander' was. Een 'Chiro-ding', zei je." Ik zet een stap dichterbij, zodat hij mijn minachting van dichtbij kan zien. "Maar je wilde me er gewoon niet bij hebben. Je hebt me thuisgelaten, je hebt me laten zwoegen op dat stomme werkstuk, zodat jij de handen vrij had."

"Nee, Leen, echt..." "En of er nu iets gebeurd is in dat materiaalkot of niet," ga ik genadeloos verder, "dat doet er eigenlijk niet eens toe. Het punt is dat je tegen me loog zodat je een hele avond met Els plezier kon maken. Terwijl ik dacht dat je mij miste, stond jij met haar te lachen. Te dansen."

Ik slik even, en dan komt het besef. Een gedachte die als een donkere olievlek door mijn woede sijpelt. Ik ben geen haar beter. Terwijl ik hier sta te schreeuwen van verontwaardiging, brandt mijn huid nog van Gerts aanrakingen. Gisteravond lag Gert in mijn bed. Gisteravond heeft hij mijn kleren uitgetrokken terwijl mijn ouders in de kamer ernaast sliepen. De bewuste avond in het café hebben we urenlang gezoend. Ik ben degene die verliefd is op een ander. Ik ben degene die een dubbelleven leidt.

Ik kijk naar Carl, naar zijn paniekerige, schuldige gezicht. Hij denkt dat hij de fout heeft gemaakt. Hij denkt dat hij de slechterik is. En dat is mijn redding. Het is gemeen. Het is hypocriet. Het is misschien wel het lafste wat ik ooit heb gedaan. Maar het is ook de perfecte uitweg. Ik hoef hem niet te vertellen over Gert. Ik hoef niet te bekennen dat mijn hart al dagenlang bij een ander is. Ik kan dit gebruiken. Ik kan de gekwetste, bedrogen vriendin spelen en met een schoon geweten weglopen, terwijl hij de schuld draagt.

"Hoe denk je dat ik me daarbij voel, Carl?" vraag ik, en ik leg al mijn valse verontwaardiging in mijn stem. "Om te weten dat ik te veel was? Je bent duidelijk liever bij haar dan bij mij." Carl opent zijn mond om te protesteren, maar ik ben hem voor. Ik grijp mijn kans. "Ik denk dat het beter is dat we het uitmaken." Carl deinst achteruit alsof ik hem geslagen heb. Zijn gezicht trekt wit weg. De arrogantie, de verdediging, het valt allemaal weg. Er blijft alleen een bange jongen over.

"Uitmaken?" stamelt hij. "Omdat ik met Els gedanst heb? Leen, doe normaal. We gooien toch niet alles weg om zoiets stoms? Ik hou van je!" Ik kijk hem aan en voel een vreemde, koude stilte in mijn hoofd neerdalen. Ik sluit mijn hart af. Ik moet dit doen. Voor Gert. Voor mezelf. "Het is niet zomaar 'zoiets stoms', Carl," zeg ik, en mijn stem klinkt verrassend vast, alsof ik een rol speel in een film. "Je hebt tegen me gelogen. Je hebt me aan de kant gezet voor haar. En als ik je nu aankijk..." Ik haal diep adem. "Dan voel ik niks meer. Het vertrouwen is weg."

"Leen, nee..." Hij grijpt naar mijn hand, maar ik trek hem terug. "Hou op," zeg ik. "Maak het niet erger." Ik pak mijn tas van de grond en slinger hem over mijn schouder. Ik kijk even naar Eva. Ze leunt nog steeds tegen de pilaar, een lichte frons tussen haar wenkbrauwen. Ze kijkt me onderzoekend aan. Ze weet dat ik overdrijf. Ze weet waarschijnlijk dat ik dit gebruik. Maar ze zegt niets. Ze knikt alleen nauwelijks merkbaar. Goed gespeeld. "Het is klaar," zeg ik tegen Carl, die eruitziet alsof zijn wereld instort. "Ga maar naar Els. Zij vindt je vast geweldig."

"Leen, wacht! Je kunt niet zomaar weglopen!" roept hij me na. "Wat moet ik tegen mijn ouders zeggen? Tegen iedereen?" Ik draai me niet meer om. Ik loop de refter uit, langs de tafels waar iedereen nu openlijk naar ons zit te staren. Ik voel hun blikken, maar ze deren me niet. Ik versnel mijn pas. Zodra ik de klapdeuren door ben en in de koele gang sta, slaak ik een diepe zucht. De schuld knaagt ergens diep vanbinnen, ja. Ik ben een bedrieger. Maar de opluchting is groter. Ik ben vrij.

Ik loop door de gangen, mijn hart bonst niet meer van paniek, maar van een vreemd soort verdoving. Het is gebeurd. Het is echt. Ik ben niet meer het vriendje van Carl. Ik hoor snelle voetstappen achter me. Geen zware, wanhopige jongenspassen, maar het lichte, tikkende geluid van laarzen. “Leen!” Ik stop en draai me om. Eva komt aangelopen. Haar gezicht staat anders dan daarnet in de refter. De spottende grijns is weg, vervangen door een blik die ik nog niet vaak bij haar heb gezien: oprecht en nieuwsgierig. Ze stopt vlak voor me. “Zo,” zegt ze, en ze blaast een lok haar uit haar gezicht. “Dat was… duidelijk. Je hebt hem niet gespaard.”

“Hij verdiende het,” zeg ik vlak. Eva knikt langzaam. “Absoluut. Maar hé, even serieus.” Ze doet een stap dichterbij en haar stem wordt zachter, vertrouwelijker. “Je gaat me toch niet vertellen dat dit alléén maar om dat gedoe met Els ging?” Ik verstijf. “Hoe bedoel je?”

“Kom op, Leen,” zegt ze, en ze kantelt haar hoofd. “Je hebt hem gedumpt alsof hij oud vuil was. Zonder tranen. Zonder drama. Dat doe je alleen als je al lang met je hoofd ergens anders zit.” Ze pauzeert even, haar ogen speuren mijn gezicht af. “Of bij iemand anders.” Mijn hart slaat een slag over. “Ik weet niet waar je het over hebt,” lieg ik, en ik probeer haar strak aan te kijken. “Ik was het gewoon beu.”

Eva lacht zachtjes. “Je bent een slechte leugenaar, Leen. Echt waar. Je wangen gloeien.” Ze kijkt me doordringend aan, maar haar blik is niet vijandig. Eerder medeplichtig. “Luister,” zegt ze, en ze legt even haar hand op mijn arm. “Een goede raad van iemand die weet hoe dit wereldje werkt: hou het nog even stil. Wat het ook is, of wie het ook is.”

Ik kijk haar vragend aan. “Op dit moment is Carl de klootzak,” legt ze uit. “Hij heeft gelogen, hij heeft gedanst met Els. Iedereen staat aan jouw kant. Maar als ze erachter komen dat jij al… laten we zeggen, ‘troost’ hebt gevonden bij iemand anders? Dan draait de wind. Dan ben jij plotseling de dader en is hij het slachtoffer. En dat gunnen we hem niet, toch?” Ik slik. Ze heeft gelijk. Ze is slim. Veel slimmer dan ik. “Dus,” gaat ze verder, en ze laat me los. “Speel het spelletje nog even mee. Wees de gekwetste ex.”

Ze draait zich half om om weg te lopen, terug naar de chaos van de refter, maar dan bedenkt ze zich. Ze kijkt me over haar schouder aan met die typische Eva-grijns. “En mocht je de onbedwingbare drang voelen om ergens te gaan ‘uithuilen’… je bent altijd welkom bij mij thuis. Mijn ouders zijn toch nooit aanwezig.” Ze knipoogt, een langzame, veelbetekenende knipoog. “En trouwens,” voegt ze er achteloos aan toe, “als je nog hulp nodig hebt met die wiskundetoets… Gert is ook heel goed in wiskunde.” Ze loopt weg, mij achterlatend in de stille gang met een bonzend hart en het besef dat ik zojuist de meest onverwachte bondgenoot heb gekregen die ik me kon wensen.
Geef dit verhaal een cijfer:  
5   6   7   8   9   10  
Klik hier voor meer...
Klik hier voor meer...