Klik hier voor meer...
Donkere Modus
Door: Dannyboy
Datum: 27-01-2026 | Cijfer: 9 | Gelezen: 584
Lengte: Zeer Lang | Leestijd: 63 minuten | Lezers Online: 6
Vervolg op: Proefpersoon - 1
Een klein verrassinkje voor auteur Zazie.

Met een hand op het stuur reed ik op mijn gemak over de rustige snelweg naar het volgende bedrijf. Na mijn ontslag bij mijn vorige baan had ik vrij snel nieuw werk gevonden. Ik was vertegenwoordiger van het fietsmerk Cortina. Ik was nog wel in mijn proeftijd maar ik had het naar mijn zin. Het werk was duizend keer leuker dan mijn vorige baan; ik was vaak op pad, in plaats van met mijn luie reet op een bureaustoel, en ik had regelmatig contact met klanten.

Mijn leven was compleet veranderd na mijn avontuur in het Romeinse Rijk als Spartacus. Mijn vriend Kurt, die zich nog steeds als een nerd gedroeg, had een tijdmachine uitgevonden en ik was proefpersoon geweest. Hij had mij naar de Romeinse tijd gestuurd, 73 voor Christus. Het was een hele, en vooral leerzame, belevenis voor mij. Na mijn terugkeer in de huidige tijd was ik een ander persoon geworden. Ik had zonder pardon mijn oersaaie baan opgezegd. De eerste drie weken had ik de tijd genomen om na te denken. In mijn huis had ik de nodige veranderingen aangebracht: de ouderwetse, lelijke meubels werden vervangen door nieuwe, moderne spullen. In mijn schaarse garderobe hingen nu nieuwe, nette kleren.
De kapster had mijn kapsel een metamorfose gegeven waardoor ik een stuk volwassener leek. Tijdens het gesprek met de kapster kreeg ik te horen dat haar vader op zoek was naar een nieuwe vertegenwoordiger voor zijn bedrijf. Een dag later werd ik al aangenomen, ook al had ik nauwelijks verstand van de wielerbranche. Gelukkig was het niet zo moeilijk om te leren en ik vond het leuk!

Ik dacht regelmatig terug aan mijn wilde avontuur als Spartacus. Het was de mooiste tijd van mijn leven. Ik overwoog vaak om eens terug te gaan naar de Romeinse tijd. Maar het bleef wel gevaarlijk. Eerlijk gezegd kon dat mij niet zo veel schelen. Ik vroeg me ook af hoe het ging met Zara. Wat zou Spartacus met haar doen zonder mij in zijn geest? Ik dacht aan haar mooie, donkere ogen en haar lange, zwarte haren. Ze was heel dapper toen ze de machtige man Marcus Crassus met het zwaard doodde.
De vrouw die op het station tegen mij botste, Zazie, was ik daarna nooit meer tegengekomen, wat ik spijtig vond.

Iets na zes uur parkeerde ik de mooie Volvo, die ik van de zaak had gekregen, voor het appartementencomplex. In de lift naar boven bestelde ik snel Thais eten, want het was ten slotte vakantie. Eigenlijk had ik liever door willen werken, maar het bedrijf was voor drie weken dicht. Nadat ik me had omgekleed, installeerde ik me op de nieuwe, comfortabele bank met een biertje. Nu moest ik gaan bedenken wat ik zou doen in de vakantie. Ik had helemaal geen plannen. De hele dag thuis zitten was geen optie. Een paar dagen weg, ergens in Nederland? Dat was een optie. Straks maar eens op internet zoeken. Ik zette de televisie aan en de serie Spartacus verscheen in beeld.

Na mijn avontuur in de Romeinse tijd had ik besloten om de serie Spartacus opnieuw te bekijken. Ik staarde naar het beeldscherm en het kriebelde in mijn buik. Ik wilde graag terug. Waarom zou ik dat niet doen? Ik had toch vakantie? Ik keek naar mijn telefoon die op de tafel lag. Zou ik het doen? Wat kon mij dat schelen? Ik had toch niets te verliezen.

Ik pakte mijn telefoon en belde Kurt. Zoals ik had verwacht, duurde het eeuwig voordat hij opnam.
“Danny!” brulde hij enthousiast. “Dat is lang geleden dat je me belt. Hoe is het? En trouwens, je moet nog steeds je verslag doen over jouw avontuur. Ik wil alles horen! Wanneer kun je dat doen?”
Ik zuchtte diep. Kurt was nog altijd dezelfde. Zoveel vragen in zo’n korte tijd. Hij kon vreselijk goed ratelen, maar hij was wel een genie waar bijna niemand van wist. Hij kon eigenlijk miljonair worden, maar geld interesseerde hem geen moer. Hij hield zijn uitvindingen graag voor zichzelf.
“Goedenavond, Kurt,” reageerde ik droog. “Maar ik heb een vraagje. Is het mogelijk dat ik weer terug kan reizen naar de Romeinse tijd?”

Het was een ogenblik stil. Ik zette me alvast schrap.

“Ik wist het!” schreeuwde hij enthousiast. “Ik wist dat je dit zou vragen. Natuurlijk, vriend, kun je teruggaan. Ik heb ook iets uitgevonden en dat wil ik je laten zien. Maar er is wel een voorwaarde als je naar de Romeinse tijd wilt reizen.”
“En dat is?” antwoordde ik kortaf.
“Dat je eerst je verslag doet,” zei hij, en ik kon bijna voelen dat hij breed zat te grijnzen.
Ik rolde met mijn ogen. “Prima. Wanneer?”
“Wat mij betreft morgen al!” zei hij, zijn stem opnieuw vol enthousiasme.
“Is goed. Dan zal ik rond tien uur bij je zijn,” zei ik rustig.
“Fantastisch! Tot morgen, Danny!”

Ik hing op en staarde naar mijn telefoon. Een kleine glimlach verscheen op mijn gezicht. Ik ging weer terug naar de Romeinse tijd!

De volgende dag stond ik stipt om tien uur voor de deur van Kurt. Ik belde aan en nog geen twee tellen later vloog de deur open.
“Danny!” schreeuwde hij ter begroeting. “Wel…” Zijn stem stierf weg. Achter de dikke glazen van zijn bril puilden zijn ogen uit van verbazing. “Je ziet er… volwassen uit,” zei hij aarzelend.
Ik grijnsde voldaan. “Hoi Kurt.”
Hij herpakte zich en lachte weer breeduit. “Kom binnen! Kom binnen!”

Zijn huis was nog altijd precies hetzelfde: een grote puinhoop. Ik ontweek de rommel, veegde het stof van een stoel en ging erop zitten. Naast Kurts vaste plek op de bank lag een laptop. Hij zou ongetwijfeld alles opschrijven zodra ik mijn verslag deed.
Hij was duidelijk opgewonden, want hij zette de koffie in recordtijd en rende, verbazingwekkend probleemloos, om de rommel heen.

Eerst kletsten we over de normale zaken, maar Kurt kon niet langer wachten en pakte zijn laptop. “Nou, doe je verslag, en praat alsjeblieft langzaam want ik wil alles typen.”
Ik voldeed aan zijn wens en het kostte me ruim anderhalf uur om het hele verhaal te vertellen. Kurt was helemaal in de wolken toen ik het bedankje van Crixus moest doorgeven, een van de generaals van Spartacus die op het slagveld was gestorven.
“Wauw, wauw, wauw,” jubelde hij. “Dat is nou een avontuur. Geen wonder dat je nog een keer terug wilt gaan. Maar ik heb weer iets uitgevonden. Is je koffie op?”

Goede vraag — “grijze blok” voelt inderdaad net niet lekker. In het Nederlands klinkt “een grijs blok” of “een grijze kubus” natuurlijker. Blok is onzijdig (het blok), dus grijs past grammaticaal én stilistisch beter.

We daalden af naar Kurt zijn ‘echte’ huis: de kelder. Ik probeerde de treden van de trap te tellen, maar ergens halverwege raakte ik de tel kwijt. Kurt knipte het licht aan, waarna de gigantische ruimte volledig werd verlicht. Het was net een grijs blok, want alles was van metaal gemaakt, vooral aluminium. Midden in de zaal torende een glazen cilinderbuis boven alles uit: een tijdmachine. Ik volgde Kurt en ontweek ondertussen de kabels die slingerend overal over de vloer lagen. Hier en daar knipperden de lichtjes van de grote machines. Kurt plofte op zijn versleten bureaustoel en dook achter de computer. Ik ging voor de bekende tijdmachine staan en kreeg een kriebel in mijn buik. Het ging weer gebeuren.

“Danny, kom eens hier,” riep Kurt zonder zijn blik van het scherm af te wenden. Er was geen stoel naast hem, dus ging ik naast hem staan.
“Zo,” zei Kurt met een grote grijns. “Het is gereed.”
Ik keek nieuwsgierig naar het scherm maar zag enkel een zwart beeld.
“Als jij in de Romeinse tijd bent, kan ik je volgen op dit beeldscherm,” legde hij vol trots uit.
Ik knipperde verrast met mijn ogen. “Weet je zeker dat het werkt?”
Hij haalde zijn schouders op. “Dat weet ik nog niet. Ik heb het nog niet getest, maar dat gaan we zo meteen doen. Wil je terugkeren naar precies hetzelfde tijdstip waarop je hier terugkwam?”
Ik knikte. “Ja, dat wilde ik je eigenlijk al vragen.”
Hij gaf me een klap op mijn schouder. “Dat gaan we regelen, vriend. Ben je zover?”

Ik stapte met lichte spanning in de cilinderbuis. Ik kon me nog goed herinneren hoe afschuwelijk het was om te tijdreizen.
Ik keek Kurt aan, die met beide duimen opstak en op de knop drukte. De machines rondom de glazen cilinderbuis begonnen te grommen en te trillen. De lichtknoppen knipperden snel. Witte rook vulde de buis waarin ik stond en ik zette me meteen schrap. Heel even gebeurde er niets en plotseling voelde ik me verschrikkelijk slecht, alsof ik een zware buikgriep had. Ik stond op het punt om te kotsen, maar toen werd het zwart voor mijn ogen.

Mijn ogen vlogen open en ik herkende het plafond van de barak onmiddellijk. Ik lag op het comfortabele bed en voelde me vertrouwd krachtig. Ik was weer Spartacus. Zijn geest gromde, alsof hij boos was dat ik zijn lichaam opnieuw bezat. Mijn grote hand tastte het bed naast mij af en het bleek leeg te zijn. Ik kwam overeind; hier en daar voelde ik wat spierpijn van de veldslag van gisteren. Ik trok mijn tunica en sandalen aan en pakte mijn zwaard. Het voelde goed om weer Spartacus te zijn, dacht ik glimlachend. Ik keek omhoog; zou Kurt mij echt kunnen volgen via zijn beeldscherm? Ik besloot het te negeren en liep naar buiten, waar een heleboel tenten om mij heen stonden. Hier en daar hielden wachters de wacht. De zon was net opgekomen en de lucht was koel. Ik zag de wachters naar mij kijken en wilde zwaaien, maar besloot net op tijd dat toch maar niet te doen. Ik was de leider van de slavenrebellengroep.

Ik zigzagde langs de tentjes en keek om me heen, met mijn hand op het lemmet van mijn zwaard. Je wist maar nooit. Bovendien hielden we hier nog soldaten van Marcus vast die zich hadden overgegeven en gevangen waren genomen. De soldaten van Marcus Crassus waren nog altijd geschokt door wat er gisteren op het slagveld was gebeurd, met al die ontploffingen. Ik glimlachte bij de herinnering. Het was een groot succes. Ik had de geschiedenis veranderd. Normaal gesproken zou Spartacus hier verslagen worden. Daarom was ik benieuwd hoe het nu verder zou lopen. Eén ding was zeker: we gingen naar Rome.

Ik liep verder en sprak hier en daar met mijn volgelingen. Ik sprak vloeiend Latijn. In de verte zag ik een bekende trekkar met een paar urnen. Ik controleerde de inhoud: er zat nog een kleine hoeveelheid buskruit in. Die kon ik misschien gebruiken wanneer we in Rome aankwamen. Een soldaat die naast de trekkar stond, had een grote grijns op zijn gezicht. Ik begreep zijn gevoel en grijnsde naar hem terug. Ik vroeg hem of hij wist waar Zara was. Hij schudde ontkennend zijn hoofd. Ik zocht mijn generaals Oenemaus en Castus, maar kon hen ook niet vinden. Ik wandelde verder rond en stelde hier en daar de vraag waar mijn generaals en Zara waren. Niemand kon me antwoord geven.

“Spartacus!”

Ik draaide me om en zag Oenemaus en Castus met veel kabaal naar me toe rennen. Aan hun blikken te zien wist ik meteen dat er iets ernstigs was gebeurd.
“De vijf gevangenen zijn ontsnapt,” zei Castus, die nauwelijks buiten adem was.

Ik fronste en voelde de woede in me opborrelen. “Hoe is dat gebeurd? Waarom is er geen alarm geslagen?”
“Dat weten we nog niet. We hebben vijf lichamen gevonden, maar we wilden je eerst waarschuwen voordat we verder gingen onderzoeken.”
“Laat het me zien,” gromde ik en volgde mijn generaals.

De tent was opengesneden. Binnen lagen vijf lijken, gekleed als soldaten van Marcus. Maar twee van de gezichten herkende ik meteen. Het waren mijn eigen volgelingen. Zonder te weten hoe, wist ik zeker dat zij vannacht de wacht bij mijn barak hadden gehad. Ik keek mijn generaals aan.
“Dat zijn de wachters van afgelopen nacht,” zei Castus.
Ik knikte langzaam. “Ja. Ze hebben de wachters waarschijnlijk stil uitgeschakeld en zich omgekleed, zodat niemand het doorhad. Ze zullen helmen hebben gedragen om onherkenbaar te blijven.”
“Wat moeten we doen?” vroeg Oenemaus.

Ik keek in de richting waar Rome ongeveer lag. “Laat ze maar gaan. Ze keren terug naar Rome. En dat is precies waar wij ook naartoe gaan.”

Een gedachte schoot plots door mijn hoofd en ik kreeg het meteen ijskoud. Zonder iets te zeggen stormde ik weg, gevolgd door mijn generaals, die geen vragen stelden. Zigzaggend door de tenten rende ik naar mijn barak. Eenmaal binnen doorzocht ik de hele ruimte, maar ik vond niets van wat ik zocht.
Toen ik weer naar buiten kwam, stonden Oenemaus en Castus op me te wachten.
“Hebben jullie Zara gezien?” vroeg ik, licht hijgend van de paniek.
De generaals keken elkaar aan en schudden hun hoofd. “We gaan zoeken.” Zonder verder iets te zeggen verdwenen ze meteen.

Ik gromde zacht terwijl ik over het hele kamp tuurde. Zou ze meegenomen zijn? Dat leek bijna onmogelijk. Ik zou het meteen merken als iemand stiekem binnenkwam, zelfs als ik sliep.
Toen viel mijn oog ergens op, naast de barak, vlak bij het kleine privé-toilethokje. Ik knielde en pakte het voorwerp op. Het was een eenvoudige armband met houten kraaltjes. Een elektrische schok trok door mijn gespierde lichaam. Het was Zara’s armband, die ze van haar moeder had gekregen. Dat had ze me afgelopen nacht nog verteld. Ze had gezworen dat ze die nooit zou afdoen, zolang ze leefde.
Ik kwam langzaam overeind. De woede borrelde heftig in me op terwijl ik de armband in mijn vuist klemde. Zara had dit hier voor mij achtergelaten. Ze was ontvoerd. En diep vanbinnen wist ik al door wie: de vijf ontsnapte soldaten.

“Oenemaus! Castus!” brulde ik zo hard als ik kon.
Het duurde even, maar toen zag ik ze aan komen rennen. Ze kwamen vlak voor me tot stilstand.
“Ja?” zei Castus, licht hijgend.

“Ze hebben Zara meegenomen,” gromde ik, terwijl ik Zara’s armband aan hen liet zien. “Dit is van haar. Ik wil dat je drie van onze beste verkenners alvast vooruit stuurt. Geef ze de snelste paarden die we hebben. Ik wil weten welke ontwikkelingen er zijn in Rome.”
Oenemaus knikte. “Wat als ze de ontsnapte soldaten inhalen?”
Ik schudde mijn hoofd. “Laat ze gaan. Anders vermoorden ze Zara.”
“Ik regel het,” zei Oenemaus, waarna hij meteen tussen de tenten verdween.
Castus bleef staan en keek me aan. “Wij halen haar wel terug,” fluisterde hij zacht maar vastberaden.
Ik wilde hem toesnauwen dat hij moest opschieten, maar ik knikte alleen. Even later was hij uit mijn zicht verdwenen.

Ik liet Zara’s armband om mijn vingers rollen en schoof hem daarna om mijn pols. Ik balde mijn vuisten en keek naar de trekkar waar de urnen met buskruit in stonden. Ik moest een plan verzinnen om iedereen totaal te verrassen. Maar eerst wachtte ons een lange reis naar Rome. Als ik me goed herinnerde, was de afstand tussen de vulkaan Vesuvius en Rome bijna driehonderd kilometer. We hadden al een week gereisd om hier bij het slagveld te komen, dus ik schatte dat we nog zo’n tweehonderdvijftig kilometer moesten afleggen. Met zo’n leger en al die bagage zouden we Rome binnen een maand kunnen bereiken, maar ik had geen haast. Ik wilde niemand onnodig uitputten.
Ik riep de dichtstbijzijnde soldaat bij me en gaf hem opdracht iedereen klaar te laten maken voor vertrek. Niet veel later klonk er overal geroezemoes en brak er chaos uit in het kamp. De tenten werden haastig ingepakt en de trekkarren volgeladen met spullen.

Twee weken later hadden we ruim honderd kilometer afgelegd, toen een van de drie verkenners terugkeerde met nieuws. Ik zat in mijn tent met Oenemaus, Castus en de verkenner, Sergius genaamd, op de krukken.
“Vertel op,” zei ik grommend.
“Ze hebben een nieuwe leider,” begon Sergius. “Gnaeus Pompeius Magnus, oftewel Pompey. Maar iedereen noemt hem Magnus. Hij was een van de generaals van Marcus Crassus. Het nieuws over zijn dood heeft Rome al bereikt.”
Ik fronste. “Hoe dan? Jullie liepen maar een halve dag achter op de ontsnapte gevangenen.”
“Ik weet het niet,” verontschuldigde Sergius zich. “Maar hij heeft de macht gegrepen nadat hij hoorde van de dood van Marcus. Hij regeert nu in Rome.”
Ik knikte langzaam. “Hebben jullie onderweg nog de ontsnapte soldaten gezien?”
Sergius keek me nerveus aan. “Ja, dat hebben we. En… ze hebben Zara inderdaad bij zich.”
Ik sloot mijn ogen om mezelf te beheersen.
“Het gaat goed met haar,” vervolgde Sergius snel, om te voorkomen dat ik zou uitbarsten van woede. “Ze is niet gewond.”
Ik blies langzaam adem uit. “Dank je wel, Sergius. Je hebt goed werk verricht. Ga terug naar je maten. Als er iets nieuws is, kom je meteen weer terug. En zoek ook een klein dorp, liefst met zo weinig mogelijk mensen, in de buurt van Rome. Daar wil ik een kamp opslaan wanneer we aankomen, zodat we ons kunnen voorbereiden.”
Sergius stond meteen op. “Dat zal ik doen, Spartacus!”
Hij wilde de tent uit rennen, maar ik hield hem tegen. “Sergius, neem nieuwe proviand mee voor jou en je maten.”
“Dank je wel,” zei hij, waarna hij de tentflap achter zich sloot.

Ik stond op. ‘’Ik moet nadenken,’’ zei ik tegen mijn generaals. Ik wandelde rustig tussen de tenten door terwijl ik diep in mijn gedachten verzonken was.

Pompey? Die naam kwam me bekend voor. Hij was een van de machtigste generaals van Marcus. Hoe kwam het dat hij zo’n machtige man was geweest? Ik broedde in mijn gedachten en toen wist ik het. Pompey was in Spanje toen de slavenopstand van Spartacus begon. Op het slagveld had Marcus met zijn grote legioen Spartacus verslagen. Pompey keerde later terug naar Rome en nam de vluchtende slaven voor zijn rekening. Hij had ze opgespoord en gedood. Zo claimde hij de laatste eer.

Als persoon had hij uitzonderlijk militair talent. Hij stond bekend als trots en eerzuchtig. Hij was beroemd geworden door het winnen van de oorlogen in Spanje.
Marcus was de machtigste man door zijn enorme rijkdom, maar Pompey was een echte veldheer, wat hem tot een zeer gevaarlijke vijand maakte. Hij zag slaven en rebellen altijd als een bedreiging en zou ze zonder aarzeling doden.

Ik had een groot voordeel: ik kende de geschiedenis van het Romeinse Rijk. Het probleem was alleen dat ik die geschiedenis veranderd had. Marcus was dood en ik was op weg naar Rome, waar Spartacus oorspronkelijk nooit was teruggekeerd na zijn ontsnapping.
Ik moest een geniaal plan bedenken om Rome te veroveren en Zara te bevrijden. Maar Pompey was niet achterlijk en zou op ons zitten te wachten.
Ik stond ineens naast de kar met urnen vol buskruit. Ik vroeg me af wat ik ermee kon doen om Rome te veroveren. Ik kon moeilijk de hele stad opblazen. Pompey was ongetwijfeld op de hoogte van het bestaan van buskruit, maar had het waarschijnlijk nooit van dichtbij gezien. Het buskruit was mijn grootste wapen, maar hoe kon ik het gebruiken om Pompey te verslaan?
Ik gromde en staarde naar boven. De zon begon te dalen en ik keerde terug naar mijn tent.

Met een hoog tempo bereikten we het kleine dorp dat Sergius voor ons had gevonden. De dorpelingen waren allemaal gevlucht toen ze ons zagen naderen. Ik wilde ze geen pijn doen, maar ik had het dorp nodig, ook al was het heel klein. We sloegen hier ons kamp op. We bevonden ons enkele kilometers van Rome. Ik was niet bang dat ze ons zouden aanvallen. Ze hadden ten slotte een behoorlijke legermacht verloren na de veldslag met ons. Diep vanbinnen wist ik dat Pompey iets anders van plan was, of hij misschien bang was voor ons geheime wapen.
Onderweg hiernaartoe had ik lang nagedacht over een plan, maar het was me niet gelukt. Soms vroeg ik me af waar ik aan begonnen was.

Later op die dag stormde Oenemaus op me af. ‘’Spartacus! Er is een boodschapper uit Rome, hij wil jou spreken.’’
Ik rechtte mijn rug. ‘’Breng mij daarheen.’’
Oenemaus ging voorop en ik controleerde of mijn zwaard goed aan mijn gevest zat. Buiten het dorp stond inderdaad een man te paard te wachten.
Ik keek Sergius aan, die naast ons liep. ‘’Hij is alleen,’’ beantwoordde hij mijn vragende blik.
Ik knikte dankbaar en we stopten vijf meter voor de man.
‘’Ik heb een bericht voor jou, Spartacus, van Magnus,’’ zei de man te paard. Hij haalde een papyrus tevoorschijn en gooide die op de grond, waarna hij zich omdraaide en meteen in volle vaart vertrok.
‘’Ik pak hem wel op,’’ gromde Oenemaus.
Ik wilde hem waarschuwen dat er misschien iets explosiefs in zat, maar hield op tijd mijn mond. Dat kon natuurlijk niet in deze tijd. Of eigenlijk wel, dankzij mij, dacht ik grijnzend.

Bij mijn tent las ik het bericht en gaf het daarna aan Castus door. Nadat Oenemaus het ook had gelezen, keken we elkaar aan.
“Ga je het doen?” vroeg hij, duidelijk niet blij.
“Ik heb weinig keus,” antwoordde ik.
“Hij gaat Zara nooit vrijlaten, ook niet als je wint,” wierp Castus tegen.
“Ik weet het,” reageerde ik kalm. “Daarom moeten we een plan verzinnen.”
“Iets met boem?” vroeg Oenemaus, die zijn grijns niet kon onderdrukken.
Ik schudde mijn hoofd. “Dat is te gevaarlijk. Er zullen te veel onschuldigen sterven.” Ik stond op. “Ik ga even nadenken. Als jullie een goed idee hebben, hoor ik het graag.”

Ik liep rustig door het dorp. Pompey, of Magnus, zoals hij zichzelf wilde noemen, had mij uitgedaagd voor een duel met hem in de arena. Het Colosseum bestond nog niet, dus zou het een andere arena moeten zijn, waarschijnlijk een speciaal gebouwde houten arena. Ik moest het aanbod accepteren, want als ik dat niet deed, zou Zara sterven.
Als ik het duel won, zou Zara worden vrijgelaten. En als ik verloor, was ik dood en zou Zara voor altijd bij Magnus blijven. Het gladiatoren-gevecht zou over een maand plaatsvinden, zodat ik me kon voorbereiden en trainen.

Ik had het kunnen weten, dat was typisch Pompey. Als hij mij versloeg, onder het toeziend oog van duizenden mensen, zou hij enorm veel eer en macht vergaren. Maar ik was niet achterlijk. Zara zou hoe dan ook gevaar lopen. Ik durfde te wedden dat Zara zelf aanwezig zou zijn in de arena, bewaakt door de mannen van Pompey. Als ik het gevecht won, zouden zij haar doden. Mijn volgelingen moesten die bewakers uitschakelen, maar hoe?

Op dat moment liep ik langs de kleine smederij en bleef staan. Ik bekeek het huisje. Het was verlaten en de deur stond open, waardoor ik naar binnen kon kijken. De ovens stonden uit en de gereedschappen lagen op de werkbank. Ik kreeg een idee.

“Oenemaus, Castus!” schreeuwde ik toen ik terugkwam bij mijn tent.
Mijn generaals arriveerden in een oogwenk.
“Ik heb een smid nodig, zoek iemand die ijzer kan smeden,” gaf ik bevel.
Tien minuten later kwamen ze terug met twee mannen. Aan hun grote, eeltige handen kon ik zien dat ze inderdaad smeden waren. Ik nam ze mee naar de smederij en legde uit dat ik twee korte, dikke buizen wilde laten maken. Aan het ene uiteinde moesten ze gesloten zijn en aan de andere kant open. Bij het gesloten uiteinde moest een klein gaatje komen. Daarnaast moesten ze ook de bolletjes smeden die in de buis pasten. De mannen zeiden dat het geen probleem was en gingen meteen aan de slag.

Buiten vroegen mijn generaals wat ik van plan was. Ik grijnsde breed en zei dat ik weer iets had bedacht en dat ik het hen later wel zou laten zien. Als laatste gaf ik mijn generaals opdracht om de kleermaker te zoeken, zodat hij nieuwe, vooral stevige sandalen en een nieuwe tunica voor mij kon maken.

Ik was niet van plan om in een harnas te vechten. Dat zou mijn bewegingen en snelheid alleen maar belemmeren. Met goede sandalen was ik meer dan tevreden. Ik wist ook welk zwaard ik wilde gebruiken: het zwaard waarmee Zara Marcus had gedood. Dat zou een leuke verrassing zijn voor Pompey, dacht ik grommend. Dat zwaard ging ik zelf slijpen.

De volgende dagen trainde ik hard. Ik merkte dat ik behoorlijk fit en sterk was. Het verraste me een beetje dat het zwaard van Marcus zo goed in balans was, want hiermee kon ik uitstekend vechten. Terwijl ik aan het trainen was, riep Castus me en vertelde dat de smeden klaar waren.
Ik liep naar de smederij en de mannen toonden mij de twee korte buizen. Ik woog ze in mijn handen en was tevreden; ze hadden ze perfect gemaakt. Een van de mannen gaf mij een bakje met daarin de bolletjes. Ik liet er één over mijn handpalm rollen en schoof het daarna in de buis. Het paste perfect.
“Goed werk,” complimenteerde ik de mannen. Ze bogen, zichtbaar blij dat hun leider tevreden was.
“Wat gaat u hiermee doen?” vroeg een van de smeden voorzichtig.
“Dat ga ik jullie vanavond laten zien,” beloofde ik.

In de avond stonden mijn volgelingen om mij heen. Voor de zekerheid droeg ik een harnas en een helm met een klepje naar beneden. Ik had de smeden gevraagd of ze een handvat aan de buis konden maken. Dat hadden ze snel gefikst met een houten handvat. Het zag er goed uit. Het buskruit en het bolletje zaten al in de buis. Ik was een beetje nerveus; ik wist niet of het zou werken. Ik ging voor het huis staan.

Ik keek de menigte aan. “De boem, jullie weten wel, zit hierin,” legde ik uit terwijl ik op de buis tikte. “En dit bolletje zit er ook in.” Ik hield het bolletje omhoog zodat iedereen het kon zien. “En nu moeten jullie goed opletten naar de deur van dat huis daar.”

Ik klemde met beide handen stevig om het handvat en richtte op de deur. Ik knikte naar Castus, die een kleine fakkel vasthield. Hij bracht de fakkel naar het gaatje van de buis en ik draaide mijn hoofd zo ver mogelijk weg. Onmiddellijk volgde een oorverdovende knal en de buis schokte naar achteren, waardoor ik wankelend een stap terug deed, maar niet viel. Er kwam rook uit de buis. Ik keek verwachtingsvol naar de deur en zag een gat in het hout!

Het werkte! Ik had er expres maar een heel klein beetje buskruit in gedaan, bang dat het zou exploderen. Maar het werkte goed en de terugslag viel gelukkig mee. Met training was dat te verdragen. Trots keek ik grijnzend omhoog, in de hoop dat Kurt meekeek.

Ik keek om me heen. De stilte was oorverdovend. Iedereen stond als aan de grond genageld naar de deur te staren, met verbijsterde gezichten.
Ik trok mijn helm af. “Door de boem wordt het bolletje naar buiten geduwd. Het gaat ontzettend hard. Kijk maar naar de deur, zien jullie het gat? Stel je voor dat je deze buis op een mens richt, dan is hij dood.”
Heel even bleef het stil, en toen barstte het gejuich los in het kamp.

Castus en Oenemaus kwamen naar mij toe.
“De bewakers,” zei Oenemaus meteen.
Ik glimlachte en knikte. “Precies. Ik heb vier betrouwbare mensen nodig, waarvan er twee fysiek sterk moeten zijn. Zij moeten trainen met deze buis. Ze moeten leren richten en wennen aan de terugslag van de boem. De andere twee moeten leren hoe je de buis laadt en snel handelt met de fakkel. Eigenlijk wil ik jullie als schutters hebben, maar jullie vallen te veel op.”
De generaals knikten begrijpend en Castus gaf me een klap op mijn schouder. “Jij blijft me verbazen. Waar haal je het vandaan?”
“Logisch nadenken,” antwoordde ik ontwijkend. Gelukkig vroegen ze niet door en gingen ze meteen op zoek naar geschikte mannen.

De weken daarop stonden in het teken van trainen en voorbereiden op een plan. Een groep van honderd slavenrebellen ging met mij mee naar Rome. De generaals Oenemaus en Castus waren uiteraard van de partij. Ik wilde geen risico lopen om het hele leger mee te nemen. Stel je voor dat het een val was, dan waren we allemaal verloren geweest.
Tijdens de zware trainingen dacht ik vaak aan Zara, aan hoe het met haar ging. Ik hoopte van harte dat ze gezond was. Mocht dat niet het geval zijn, dan zou Pompey daarvoor boeten.

De grote dag brak eindelijk aan. De zon was net opgekomen. Het leger maakte zich klaar om te vertrekken, ver weg van Rome. De twee nieuwe generaals, die door Castus gekozen waren, zouden het leger leiden. Toen de zon half hoog aan de hemel stond, was het leger nergens meer te bekennen, behalve een groep van honderd volgelingen. Ik trok een nieuwe tunica aan en gespte mijn stevige sandalen vast. Ik bond het zwaard aan mijn riem. Ik overwoog de armband van Zara af te doen, maar zij zou hebben gewild dat ik hem tijdens het duel droeg. Toen was ik er klaar voor.

Buiten liep ik naar de vier mannen. Twee van hen hadden de buizen bij zich en de andere twee droegen kleine fakkels, vuursteen, een handvol buskruit en de bolletjes, verborgen in hun licht versleten mantels. Alle vier waren gekleed als burgers. Ik gaf ze de hand. ‘’Jullie weten wat jullie moeten doen. Ik reken op jullie. Succes!’’
De mannen knikten vastberaden.

Het was nog vroeg in de ochtend maar we wandelden rustig richting Rome. Ik was vrij stil onderweg. Het ging echt gebeuren. Ik merkte dat ik behoorlijk zenuwachtig was, maar de geest van Spartacus in mijn lichaam gromde van woede en dat kalmeerde me. Een klein uur later was Rome in zicht. Het was gigantisch. We hoorden de herrie al vanaf hier. We naderden de poort waar de stadsgarde stond te wachten. Ik had de neiging om mijn zwaard te pakken maar ik beheerste me. De poort zwaaide langzaam open en er stapte een man naar voren met een aantal bewakers achter hem.
‘’Volg mij!’’ schreeuwde hij tegen ons.
Ik keek mijn generaals aan en die knikten. We volgden de man behoedzaam. Achter de poort stonden inderdaad veel wachters netjes opgesteld in rijen met hun wapens in aanslag. Maar we liepen stug door. Mijn hart ging tekeer, en ik was niet de enige. Mijn generaals waren zichtbaar niet op hun gemak en klemden hun zwaarden stevig vast. We wandelden door de straten, waar nog steeds veel soldaten stonden.

We bereikten een groot plein waar heel veel burgers waren. Het was megadruk. Dat had ik ook wel verwacht. Iedereen wist dat wij kwamen. Het was het moment voor mijn vier mannen. Ik keek vluchtig over mijn schouder en zag dat ze inderdaad weg glipten tussen de menigte van het publiek. Niemand had het door, want iedereen keek alleen naar mij. Ik realiseerde me dat ik me als een leider moest gedragen. Ik rechtte mijn rug, borst vooruit, en liep zelfverzekerd door.

In de verte zag ik een grote houten arena. Ik was onder de indruk. Het was weliswaar geen Colosseum, maar het was zeker niet verkeerd. Aan de afmetingen van de arena te schatten, konden er zeker dertigduizend toeschouwers in, vooral als er veel staplaatsen waren.

Toen we bij de arena aankwamen, zei de man dat ik maar twee mensen mocht meenemen en dat de rest naar de tribunes moest gaan. Dat was precies wat wij hadden voorspeld. Castus en Sergius gingen met mij mee en Oenemaus leidde een groep volgelingen naar de tribune. Wij kregen een privé kamer, die niet heel groot was. Er was gelukkig ook eten en drinken. Heel even had ik respect voor Pompey omdat hij eerlijk leek te spelen, maar dat verdween snel toen ik aan Zara dacht. Ik had haar nog niet gezien.
Ik begon aan de maaltijd, want het duel begon pas over drie uur.

Zonder te kloppen zwaaide de deur open. Ik opende mijn ogen en kwam overeind.
“Het is tijd,” zei de man kortaf.
Castus pakte mijn hand en kwam dichterbij, zodat de man niet kon verstaan wat hij zei: “Pak die schoft.”
Ik knikte en kreeg ook een hand van Sergius.
Ik pakte mijn zwaard en controleerde of alles in orde was, daarna keek ik naar de norse man. “Ik ben er klaar voor,” gromde ik.

Ik volgde de man naar de deur, die door de wachters werd geopend. Fel licht stroomde naar binnen en verblindde me even. Buiten klonk rumoer.
“Naar buiten,” zei de man ongeduldig.
Ik haalde diep adem, klemde mijn hand om het gevest van mijn zwaard en stapte naar buiten.

Toen ik eenmaal in het licht stond, kon ik de hele arena zien. Het publiek barstte in gejuich uit toen ze mij zagen. Er werden dingen naar mij gegooid. Die negeerde ik en liep rustig naar het midden van de arena. Pompey was nergens te bekennen. Ik keek om me heen en toen zag ik haar. Alles om me heen leek te verdwijnen. Zara zat op de eretribune, gelukkig niet heel hoog in de arena. Aan weerszijden van haar stonden twee grote bewakers met het zwaard in aanslag. Ik had alleen oog voor Zara. Ze was nog steeds beeldschoon. Haar lange zwarte haren staken scherp af tegen het felle licht. Ze droeg een witte, met purper getinte stola. Haar haren waren beeldig opgestoken en ze droeg veel sieraden.
Het was in elk geval goed nieuws dat Pompey haar goed verzorgde.
Ondanks de grote afstand maakten Zara en ik oogcontact. “Ik kom je redden,” fluisterde ik zacht tegen mezelf.

Het geschreeuw van het publiek drong weer tot me door en ik draaide me rond om iedereen aan te kijken. De hele arena was veel voller dan het leek. Niemand wilde dit gevecht missen. Ik zocht naar de vier mannen maar kon ze niet vinden. Er waren simpelweg te veel mensen.

Ik nam mijn houding weer aan en keek afwachtend naar de deur aan de overkant. Die ging langzaam open en er verscheen een gestalte die glinsterde in het zonlicht. Toen hij eenmaal buiten stond, zag ik dat hij een harnas droeg en zijn helm in één hand hield. In zijn andere hand hield hij een lang zwaard vast. Hij liep langzaam maar zelfverzekerd naar het midden. Hij was lang en oogde sterk. Zijn gezicht was gebruind en zat vol littekens. Hij stopte op vijf meter van mij en het publiek viel stil.

Pompey keek rond. ‘’De grootste verrader is hier!’’ schreeuwde hij zo hard als hij kon. ‘’Hij heeft Marcus Crassus vermoord! Hij is een grote schande voor Rome!’’
Het publiek was woest en gooide allerlei dingen naar beneden.
Pompey hief zijn hand op. ‘’Maar gelukkig ben ik er! Ik ga jullie laten zien hoe ik die verrader een lesje leer. Dit gevecht zal nog lang herinnerd worden! De wraak zal zoet zijn!’’
Het gejuich barstte los in de arena. Ik bleef echter kalm. Ik had deze toespraak wel verwacht.
‘’Wij gaan samen geschiedenis maken,’’ brulde Pompey terwijl hij zijn helm opzette. Het publiek ging helemaal uit zijn dak.

Hij viel meteen aan. Ik ontweek zijn slag en haalde links uit, maar hij ving mijn zwaard op. Het harde gekletter van metaal galmde door de arena. Ik gromde; hij was sterk. We sprongen tegelijk achteruit en cirkelden om elkaar heen.
“Eigenlijk ben ik blij dat Marcus dood is,” zei Pompey.
Ik lachte schamper. “Dat weet ik. En helaas ga jij er ook aan.”
Hij brieste woedend en sloeg van rechts. Ik was sneller, dook onder zijn aanval door en haalde uit, maar mijn zwaard ketste af op zijn harnas. Pompey lachte luid en drong opnieuw aan. Ik verdedigde me en we raakten verwikkeld in een lange uitwisseling, onze zwaarden sloegen telkens vonkend tegen elkaar. Geen van ons werd geraakt. Hij was goed, maar ik merkte dat ik sneller was—alleen dat verdomde harnas maakte het verschil. Toen kreeg ik een idee.

Ik nam mijn positie in. Zoals ik had voorspeld, viel hij weer aan. Ik ontweek zijn slag en draaide langs hem heen. In één vloeiende beweging stak ik toe in de opening tussen zijn schouderplaat en arm, bij de oksel waar hij moest bewegen. Pompey schreeuwde het uit en wankelde achteruit. Bloed gutste langs de rand van zijn harnas.

Ik grijnsde voldaan en stapte onverwacht naar voren. Pompey verdedigde zich wanhopig. Ik richtte me op zijn zwakke schouder, maar hij vocht dapper terug, waardoor we opnieuw verwikkeld raakten in een langdurig gevecht. Op een gegeven moment zag ik zijn aanval niet aankomen en de kling van zijn zwaard sneed een klein stuk van mijn bovenarm open. Kreunend van de pijn stapte ik achteruit. Pompey keek me hijgend en grijnzend aan. Ik wierp een snelle blik op de wond; het viel gelukkig mee. Woedend keek ik hem weer aan.

Toen gebeurde er iets wat ik niet had verwacht. Pompey legde zijn zwaard op de grond. Ik had mijn kans kunnen grijpen, maar deed dat niet. Hij trok zijn helm af en gooide die een paar meter verderop. Met zichtbare moeite maakte hij zijn harnas los en smeet het op de grond.
“Ah, dat is beter,” hijgde hij, terwijl hij zijn zwaard weer oppakte.
Zijn schouder had een kleine snee en bloedde licht. Met een woeste grijns keek hij me aan en stormde op me af. Zijn bewegingen waren nu veel sneller en ik moest alles op alles zetten om zijn aanvallen te ontwijken. Ik besefte dat hij een echte vechter was.

Na een tijdje sprong Pompey achteruit. We stonden tegenover elkaar, zwaar hijgend. Onze lichamen glommen van het zweet. Mijn linkerborstkas was bebloed; hij had me opnieuw geraakt. Verdomme.

Ik keek naar Zara, die nog steeds op dezelfde plek stond, alsof ze geen vin had bewogen. Vanuit mijn ooghoek zag ik een flits van staal. Ik dook net op tijd weg en zwaaide met mijn zwaard naar zijn linkerzij, maar hij ketste mijn aanval moeiteloos af. Wanhoop greep me. Hij was beter dan ik had gedacht. Hij bleef aandringen en ik wist zijn slagen telkens maar net te ontwijken.

Toen voelde ik de geest van Spartacus woest brullen in mijn lichaam. Er stroomde ineens nieuwe kracht door me heen. Met een krachtige slag sloeg ik Pompey’s zwaard opzij. Hij wankelde achteruit, verrast. Hijgend van woede sloeg ik toe, sneller dan hij kon reageren: twee diepe sneden, één over zijn borst en één langs zijn arm. Pompey viel neer en schreeuwde het uit van de pijn.

Zwaar hijgend wierp ik opnieuw een blik op de eretribune waar Zara stond. Ze had haar hand voor haar mond geslagen. Toen zag ik iets. Iets lager, iets meer naar links, zag ik de vier mannen. Ze stonden op de juiste plek! Ik wendde mij tot Pompey, die langzaam overeind krabbelde met een woeste blik in zijn ogen. Het was tijd, dacht ik, en de geest van Spartacus stemde instemmend. Ik wachtte op het juiste moment en dat kwam snel. Met een brul stormde Pompey op mij af, alsof hij helemaal geen pijn voelde, en haalde van boven uit om mij in tweeën te splijten. Maar hij was te laat. Ik stapte een pas naar voren en stak met een krachtige beweging de kling dwars door zijn ribben. Zijn zwaard bleef even in de lucht hangen en viel daarna kletterend op de grond. Pompey zakte op zijn knieën, zijn ogen puilden uit, alsof hij niet kon geloven wat er gebeurd was. Ik trok mijn zwaard terug.
“Dit zwaard was van Marcus,” zei ik hijgend en grijnzend.
Pompeys ogen werden nog groter, toen rolden ze weg en hij viel dood voorover neer, vlak voor mijn voeten.

In de arena heerste een doodse stilte en toen werden we opgeschrikt door twee kort na elkaar keiharde knallen, waarna er een echte chaos losbarstte op de tribune. Ik keek vlug richting de eretribune; Zara was er nog maar de twee bewakers waren nergens te bekennen. Linksonder van de eretribune stegen twee kleine wolkjes op. Mensen schreeuwden in paniek en probeerden de arena te verlaten. Ik keek terug naar de plek waar Zara stond; ze was weg.

Ik stapte over het levenloze lichaam van Pompey en rende op de deur af, die openstond. Er kwamen een aantal wachters uit het donker. Ze waren dapper maar voordat ze het beseften, lagen ze al op de grond. Oenemaus en Castus verschenen met een grijns en gebaarden dat we moesten opschieten.

Toen gebeurde er iets bizar. Iedereen, zelfs de wachters, week voor ons opzij, alsof ze doodsbang voor ons waren. Misschien was dat ook zo, door de knallen van daarnet. Ik keek om me heen, op zoek naar Zara. Maar er waren zo veel mensen die in de weg stonden. Zodra ze beseften wie we waren, renden ze weg alsof hun leven ervan afhing.

“Spartacus!”

Ik draaide me om, mijn ogen flitsten heen en weer, wanhopig zoekend naar Zara. Toen zag ik haar. Ik aarzelde geen moment en stormde op haar af, het publiek week in paniek uiteen voor mij en de rest die mij volgde. Zara rende op mij af, haar gewaad wapperde achter haar. Ze sprong in mijn armen en ik omhelsde haar stevig, terwijl mijn zwakke arm fel protesteerde. Haar donkere ogen keken me stralend aan. Heel even was ik alles vergeten. Ze was veilig, bij mij.

Een ruwe hand op mijn schouder bracht me terug op aarde. Oenemaus keek me ernstig aan. Ik zette Zara terug op de grond, pakte haar hand en we renden door de straten. Bij de poort stond een garde op ons te wachten. Ik stopte en aarzelde een moment. Het waren er te veel.

KNAL

Ik draaide me geschrokken om en zag dat een van de schutters opnieuw een kogel had afgevuurd. Hij keek me grijnzend aan. Ik lachte breeduit en keek weer naar de poort. Iedereen was gevlucht, behalve eentje, die dood op de grond lag met een gat in zijn borst. Dat was geniaal. We verlieten de stad en namen de paarden die we hadden verstopt. Zara zat achter me en klemde haar armen stevig om mijn buik.

“Waarom vluchten we eigenlijk?” schreeuwde ze door het lawaai van het galopperen heen.
“Zo makkelijk gaat het niet, Zara,” antwoordde ik hijgend. “De stad kent te veel mensen. Er zijn nog genoeg generaals en senatoren. Maar de eerste slag hebben we gewonnen. Ze zullen legioenen op ons af sturen maar dan hebben wij ons wapen al klaarstaan.”
Achter me hoorde ik haar hard lachen van plezier.

Uren later arriveerden we bij het leger, dat bij een ander dorp op kamp had geslagen. We waren ongeveer dertig kilometer van Rome en ik wist dat we voorlopig veilig zouden zijn want de chaos in Rome zou lang aanhouden. Maar morgen moesten we weer op pad gaan. Voor vanavond konden we uitrusten. Het leger had voor mij een huisje beschikbaar gesteld. Ik bedankte de mannen hartelijk en zei dat er vanavond gevierd kon worden maar dat ik er niet bij zou zijn. Zara en ik gingen het kleine huisje in en ik sloot de deur achter mij dicht. Ik voelde me een klein beetje schuldig omdat het huis van iemand anders was. Maar op dat moment kon me dat niet zoveel boeien.

Zara stond vlak voor me en keek me met haar donkere ogen aan. “Jij hebt mij gered,” fluisterde ze zacht.
Ik grijnsde woest. “Natuurlijk ging ik je halen.” Ik pakte haar zachte hand vast en liet de armband van mijn pols naar de hare glijden.
Ze raakte haar armband aan en maakte toen opnieuw oogcontact met me. “Dank je wel,” fluisterde ze hees. “Blijf hier staan.”

Zara had een emmer met water gevonden en maakte mijn lichaam schoon nadat ik mijn gescheurde tunica had uitgetrokken. Gelukkig waren mijn sneetjes al gestold. Ze had zich ook van haar kleren ontdaan en ik bewonderde haar schoonheid terwijl ze me waste. Mooie kleine, stevige borsten pronkten naar voren.
‘’Heeft hij je…’’ Ik maakte de zin niet af.
‘’Ja,’’ zei ze zacht. Ik sloot mijn ogen. ‘’Maar ik heb er geen moeite mee. Ik heb het vaker meegemaakt,’’ voegde ze er snel aan toe.

Nadat wij allebei schoon waren, dirigeerde ze me naar de dekens die op het stro lagen. Ik ging op mijn rug liggen en merkte dat mijn spieren pijnlijk en moe waren. Zara klom als een tijgerin over mij heen en ging op mijn heupen zitten. Mijn kleine zwaard stond keihard. Wat was ze adembenemend mooi.
Ze glimlachte toen ze mijn zwaard voelde en boog voorover om me te kussen. Ik liet mijn ruwe handen over haar zachte huid glijden. Ze was zo tederzacht. Zara maakte haar haren los, waardoor ze over mijn gezicht naar beneden vielen terwijl we bleven zoenen. Haar schede voelde warm aan mijn kruis. Ik werd alleen maar geiler en grommend greep ik haar stevig vast maar een pijnscheut trok door mijn arm en ik staakte de poging.

Zara ging lachend rechtop zitten. ‘’Laat mij het werk doen. Je hebt het vandaag meer dan genoeg gedaan.’’
Ze pakte mijn staalharde zwaard, keek me ondeugend aan en liet hem in haar warme mond glijden. Ik slaakte een zucht van tevredenheid. Ze sabbelde er zachtjes aan en bewoog langzaam op en neer over mijn zwaard.
Ze haalde hem eruit en keek me aan. ‘’Wat waren die knallen vandaag? De bewaker naast ons ging ineens neer.’’
Ik grijnsde breed. ‘’Dat zal ik je straks laten zien.’’
Haar donkere ogen staarden me onderzoekend aan. ‘’Je blijft me verbazen.’’ Ze nam de kling van mijn zwaard onverwacht weer in haar mond en zoog er krachtig op. ‘’Oh, Zara,’’ gromde ik, waarna ze zachtjes moest grinniken. ‘’Als je zo doorgaat, grijp ik je.’’
Haar warme mond ging snel op en neer over mijn zwaard en ik sloot genietend mijn ogen. Het hoogtepunt kwam snel aan, want het was alweer even geleden.

Zara trok zich snel terug en schudde lachend haar hoofd. ‘’Nog niet.’’ Ze ging op me zitten en ik greep haar stevige borstjes. ‘’Je ruwe handen zijn heerlijk,’’ fluisterde ze.
Ik wilde meer, want ze was zo heerlijk. Ik greep haar heupen en tilde haar op. ‘’Jij ongeduldige,’’ zei ze giechelend terwijl ze zich langzaam over mijn zwaard liet zakken.
Haar schede voelde zo heet aan als een oven, alsof ze mijn metalen zwaard wilde laten smelten. Zara bleef even zitten om van het gevoel te genieten. Ik keek haar aan; ze was gelukkig.

Ze opende haar donkere ogen en onze blikken vonden elkaar meteen.
‘’Ik wil met jou trouwen, Spartacus,’’ zei ze plotseling, alsof het de normaalste zaak van de wereld was.
Ik knipperde verrast en zocht haar gezicht af. Ze meende het, dat zag ik meteen. Ik pakte haar gezicht met beide handen en drukte een stevige zoen op haar lippen.
‘’Dan gaan wij trouwen, Zara,’’ gromde ik zacht.

Haar glimlach werd stralend. Zonder onze oogcontact te verbreken begon ze haar heupen langzaam op en neer te bewegen. Ze ging steeds sneller, haar warme schede gleed soepel langs mijn zwaard.
‘’Dit is zalig,’’ kreunde ze. ‘’Dat wil ik elke dag.’’
‘’Ik ook,’’ bromde ik, en wilde meebewegen, maar ze drukte haar handen tegen mijn borst.
‘’Laat mij het werk doen,’’ fluisterde ze hijgend.
Haar billen ketsten stevig tegen mijn heupen terwijl ze bleef bewegen. Haar huid glom van het zweet en ik kon mijn ogen nauwelijks van haar afhouden. Ze was adembenemend mooi.
‘’Oh, Zara,’’ gromde ik.
‘’Nog… even…’’ hijgde ze terwijl ze meedogenloos bleef wippen.

Het genot zwol razendsnel aan tot ik het niet langer kon tegenhouden. Met een rauwe grom liet ik me gaan en vulde haar met krachtige stoten diep in haar gloeiende schede.
‘’Ahh, ik voel het!’’ kirde ze, terwijl ze haar heupen hard naar beneden drukte om mij zo diep mogelijk in zich te houden. Haar lichaam begon te kronkelen, haar billen draaiden onrustig rond en met een luide gil kwam ze sidderend klaar. Trillend liet ze zich daarna op mij zakken, haar warme lijf zwaar en voldaan tegen het mijne.

Na een poosje hief Zara versuft haar hoofd op en keek me glimlachend aan.
Ik schoof een donkere lok achter haar oor. ‘’Wat je zonet voelde,’’ zei ik zacht, ‘’werkt ongeveer hetzelfde als die knal die je vandaag hoorde. Je hebt die buis gezien, toch? Daar zat een mengsel van boem in en een klein balletje. Door die kracht schiet het balletje weg.’’
Ze was even stil, duidelijk nadenkend. ‘’Ik begrijp het ongeveer,’’ zei ze langzaam. ‘’Alleen heb ik dit wel overleefd.’’
Ze lachte verschrikkelijk ondeugend en ik kon het niet laten om mee te grinniken.
Ze gaf me een kus en legde haar hoofd op mijn borst. We waren allebei zo moe dat we vrijwel meteen in slaap vielen.

Mijn ogen vlogen open en ik lag op de harde grond. Ik wist onmiddellijk dat ik weer terug was in de huidige tijd. Moeizaam krabbelde ik overeind en keek recht in het totaal verbijsterde gezicht van Kurt.

‘’Danny, dit… dit was echt ongelooflijk. Ik heb alles kunnen zien.’’ Hij schudde zijn hoofd. ‘’Echt niet normaal, Danny. Ik besef nu dat ik echt een genie ben.’’
Ik glimlachte. ‘’Dat ben je ook.’’ Ik verliet de tijdmachine.
Kurt werd plotseling serieus. ‘’Maar er is iets gebeurd.’’ Hij pauzeerde, alsof hij aarzelde. ‘’Het is een beetje gek allemaal. Eigenlijk is het heel toevallig.’’
‘’Voor de draad ermee,’’ zei ik licht geïrriteerd.

Kurt dook achter de computer. ‘’Voordat je naar de Romeinse tijd ging, was er iemand ontvoerd. Toen ik de foto van de vrouw zag, kon ik mijn ogen niet geloven, Danny. Serieus, dit is echt bizar. Trouwens, je was twee dagen weg en die vrouw is al twee dagen spoorloos.’’ Hij drukte op de enter, waardoor de foto op het beeld verscheen.
‘’Zazie?’’ zei ik onmiddellijk.
Kurt keek me verbaasd aan. ‘’Ken je haar?’’
‘’Ja, maar wat is er gebeurd?’’ Mijn stem sloeg over. Ik kon het zelf ook niet geloven.
‘’Hoe ken…’’ vroeg Kurt nieuwsgierig.
Ik onderbrak hem door te gebaren dat hij door moest gaan.
‘’Nou, Danny, omdat die vrouw wel heel erg op Zara lijkt en dat ze allebei ontvoerd zijn, vond ik dat wel héél toevallig. Ik geloof niet in toeval, maar ik ging toch op onderzoek uit.’’ Hij typte wat op de computer en vervolgde: ‘’Ik heb iets idioots gedaan, maar het lijkt alsof het echt werkt. Ik heb een speciaal programma dat namen met elkaar vergelijkt. Ik heb de volledige naam van Pompey en zijn achtergrondinformatie ingevuld. En er was één match. Magnus Pompeo.’’
Hij slikte even en ging verder. ‘’En het wordt alleen maar gekker. Hij is half Italiaans, zijn vader komt uit Italië. Magnus heeft in Spanje gewoond en woont nu in Nederland. Hij heeft een strafblad. Vroeger is hij opgepakt voor mensenhandel.’’
Kurt keek me onderzoekend aan. ‘’Vind je dat niet allemaal een beetje te toevallig?’’

‘’Toeval bestaat niet,’’ gromde ik en ik merkte dat ik boos werd. ‘’Kun je vinden waar hij woont?’’
Kurt keek beledigd. ‘’Natuurlijk kan ik dat.’’ Zijn vingers bewogen razendsnel over het toetsenbord. ‘’Hij woont net buiten het dorp Den Dungen.’’
‘’Dat is vlak bij hier,’’ merkte ik op. ‘’Kun je zien of hij alleenstaand of getrouwd is?’’
‘’Hij staat ingeschreven als alleenstaand,’’ antwoordde Kurt.
Ik knikte. ‘’Oké.’’ Ik liep naar de werkbank waar een hoop gereedschap lag en pakte een koevoet.

Kurt rende geschrokken naar me toe. ‘’Je gaat toch…’’ Hij maakte de zin niet af.
‘’Yep, dat ga ik doen,’’ zei ik vastberaden.
‘’Maar het kan zomaar zijn dat we het mis hebben. Misschien is het allemaal gewoon heel toevallig,’’ sputterde Kurt.
‘’Jij gelooft toch niet in toeval,’’ reageerde ik terwijl ik naar de trap liep.
‘’Wacht! Wacht! Het is gevaarlijk!’’
Ik luisterde niet en liep onverstoorbaar door naar de trap.

‘’Oké,’’ zei Kurt met een diepe zucht. ‘’Wacht even, ik heb iets voor je.’’ Hij rommelde in een kast en gaf me een vreemd uitziende verrekijker. ‘’Deze verrekijker heeft meer functies. Je kunt in- en uitzoomen, hij heeft een warmtebeeldcamera en een nachtkijker. En deze.’’ Hij gaf me een klein ding. ‘’Dit is een oortje. Daarmee kunnen we communiceren. Ik zal je helpen.’’
Ik stopte het apparaatje in mijn oor. ‘’Bedankt, Kurt.’’ Ik nam de trap op, want ik wilde geen tijd verspillen.
‘’Doe voorzichtig!’’ schreeuwde Kurt me nog na.

Een klein half uur later was ik in het dorp en zette ik mijn auto op de parkeerplaats bij de supermarkt. Ik had mazzel dat het licht regende, want zo kon ik mijn koevoet en verrekijker onder mijn regenjas opbergen. Ik wandelde het dorp uit en vond het huis van Magnus vrij snel. Het lag aardig afgelegen. Ik zocht een goede plek achter een grote boom.
Ik haalde de verrekijker tevoorschijn en scande het huis grondig. Het apparaat werkte verbazingwekkend goed. Ik kon enorm ver inzoomen, tot ik de televisie in de woonkamer gewoon kon zien. Wat een ding, dacht ik. Magnus zat op de bank.
‘’Hij is het,’’ hoorde ik Kurt zeggen via mijn oortje. ‘’En ik kan alles volgen, dankzij de ingebouwde camera in de verrekijker,’’ voegde hij er snel aan toe voordat ik iets kon vragen. ‘’Schakel de warmtebeeldcamera in.’’
Dat deed ik en ik zag twee rood-oranje vlekken: de televisie en Magnus zelf. ‘’Geen Zazie te zien,’’ zei ik licht teleurgesteld.
‘’Misschien is ze in de kelder,’’ opperde Kurt. ‘’Die ligt onder het grondoppervlak. Daar kun je niets zien met de warmtebeeldcamera.’’

Ik bleef een poosje bij de boom staan tot Magnus de televisie uitzette. Ik wilde de warmtebeeldcamera uitschakelen, maar Kurt schreeuwde dat ik dat niet moest doen. Ik volgde het rood-oranje poppetje in het huis. Ineens werd het kleiner, alsof hij naar beneden ging.
‘’Volgens mij is hij naar de kelder,’’ fluisterde ik.
‘’Ja, dat denk ik ook.’’

Een minuut later verscheen het rood-oranje poppetje weer. Het verplaatste zich naar de gang en de voordeur werd geopend. Ik schakelde terug naar de gewone verrekijker. Magnus stapte in zijn auto en reed weg. Ik wilde overeind komen, maar Kurt schreeuwde dat ik nog even moest wachten, voor het geval hij terugkwam omdat hij iets vergeten was.

Na een paar minuten kwam hij niet terug en ik stond op en legde de verrekijker op het gras.
‘’Oh, Danny, doe alsjeblieft voorzichtig,’’ piepte Kurt met angst in zijn stem.
‘’Geen zorgen,’’ mompelde ik en pakte de koevoet.
Ik rende naar de achterkant van het huis. Gelukkig had de achterdeur een raam. Mijn hart bonkte in mijn keel. Was dat wel verstandig? Ik moest niet te lang nadenken. Ik stootte met de koevoet tegen het raam, dat onmiddellijk brak, en liet mezelf naar binnen. Met trillende handen hield ik de koevoet omhoog en sloop door de kamer, ook al wist ik dat er niemand was. Na een aantal kamers te hebben doorzocht, vond ik een deur waarvan ik zeker wist dat die naar de kelder leidde, omdat deze als enige dicht was.
‘’Luister, Kurt,’’ hijgde ik van de zenuwen. ‘’Als ik ‘Go Kurt’ zeg, moet je de politie bellen, goed?’’
‘’Wat ga je doen?’’ vroeg hij zenuwachtig.
‘’Ik ga naar de kelder,’’ fluisterde ik.

Ik zette de koevoet tussen het kozijn en de deur en duwde met alle kracht die ik had. De deur kraakte en zwaaide open. Ik hijgde alsof ik een marathon had gelopen. Niet omdat ik veel kracht had gebruikt, maar omdat ik bloednerveus was. Stap voor stap daalde ik naar beneden, waarbij mijn hart bij elke trede nog harder ging kloppen. Onderaan de trap was het verlicht door een klein raampje, maar voor de rest was de kelder donker.
‘’Hallo?’’ vroeg ik met trillende stem.
Er klonken schuifgeluiden en ik verstijfde. Ik sloot mijn ogen en dacht aan Spartacus. Hij zou met vastberadenheid naar beneden gaan om zijn vrouw te redden. Hij zou er alles aan doen, ook al kon het zijn leven kosten.

Ik opende mijn ogen en de zenuwen in mijn lichaam verdwenen, terwijl vastberadenheid ervoor in de plaats kwam. Ik hield de koevoet stevig vast en daalde sneller naar beneden.
Ik was onderaan bij de trap, in het licht. ‘’Zazie?’’
Weer klonken er geluiden en toen zag ik een vaag figuur verschijnen, dat langzaam duidelijker werd. Toen ze helemaal in het licht kwam, maakte mijn hart één of misschien wel drie sprongetjes.
‘’Danny?’’ vroeg ze fluisterend met angst in haar stem.
Ik was oprecht verrast dat ze mijn naam wist. Ik liet de koevoet zakken en knikte. ‘’Ja, ik kwam je redden, Zazie.’’
Heel even stond ze stil en toen viel ze snikkend in mijn armen. Ik troostte haar en zei zachtjes tegen het oortje: ‘’Go Kurt.’’

‘’Wij moeten hier weg, Zazie,’’ zei ik zacht.
Ze wreef haar tranen weg en knikte. Ik pakte haar hand en we gingen naar boven. In de keuken stond de man op ons te wachten met een pistool. Als hij een baardje had gehad, zou hij sprekend op Pompey lijken, dacht ik.
Wij bleven stil staan en ik liet de koevoet vallen.
‘’Wie ben jij?’’ gromde hij, zijn stem kwam verrassend dicht in de buurt van die van Pompey.
Ik duwde Zazie achter mij en zei: ‘’Iemand die je niet kent, Magnus.’’
Hij trok zijn wenkbrauwen op. ‘’Hoe weet je mijn naam?’’
Tot mijn eigen verrassing glimlachte ik. ‘’Omdat ik je heb verslagen.’’
Hij leek in de war. ‘’Hoe bedoel je?’’
Ik glimlachte alleen maar.

Precies op dat moment vloog de deur open en stormden de politiemannen naar binnen. ‘’Handen omhoog,’’ brulde een agent tegen Magnus.
Daarna ging alles razendsnel. Magnus werd afgevoerd en wij werden naar buiten begeleid. De politie zei dat er een ambulance zou komen voor Zazie, maar zij hield vol dat ze niet gewond was. Natuurlijk luisterde niemand. Ze waren zo druk bezig dat ze ons even uit het oog verloren.

Zazie keek me aan met haar donkere ogen. Het waren precies dezelfde ogen als die van Zara. ‘’Hoe wist je het?’’
Ik glimlachte flauwtjes. ‘’Lang verhaal.’’
Ze wendde haar blik even af en keek me toen weer aan. ‘’Ik weet niet waarom, maar ik wist dat je me zou komen redden,’’ fluisterde ze.
Ik legde mijn hand teder op haar wang en schoof mijn vingers door haar zwarte haren. We hielden elkaar een lange seconde vast met onze blikken, tot ik naar haar toe boog en mijn mond op haar zachte lippen drukte…

EINDE.
Geef dit verhaal een cijfer:  
5   6   7   8   9   10  
Klik hier voor meer...
Klik hier voor meer...