Door: Elite_12
Datum: 26-04-2026 | Cijfer: 9.9 | Gelezen: 557
Lengte: Zeer Lang | Leestijd: 46 minuten | Lezers Online: 10
Trefwoord(en): Taxi,
Lengte: Zeer Lang | Leestijd: 46 minuten | Lezers Online: 10
Trefwoord(en): Taxi,
Frans

Frans is achtendertig, met het robuuste lijf van iemand die vroeger in de haven werkte voordat hij zich liet omscholen tot taxichauffeur. Zijn handen zijn groot en eeltig, zijn onderarmen getekend door oude tatoeages van ankers en vrouwen met te grote borsten. Maar het is niet zijn uiterlijk waarmee hij vrouwen verleidt — het is zijn zelfverzekerdheid, zijn vermogen om in seconden de juiste toon te vinden, en zijn reputatie die hem vooruit blijkt te zijn gesneld in bepaalde kringen. Hij heeft vaste klanten die specifiek naar hem vragen, en niet alleen vanwege zijn rijvaardigheid.
De deur van de stationshal zwaait open en een vrouw stapt naar buiten, haar hoge hakken klikkend op het trottoir. Frans voelt een vertrouwde spanning in zijn onderbuik — geen opwinding nog, maar het voorbod ervan, het moment voordat de jacht begint. De vrouw draagt een felrode vinyl jas die strak om haar ronde heupen kleeft, en zelfs op deze afstand kan Frans de zwaarte van haar borsten zien bewegen onder het glanzende materiaal. Haar huid is donker, haar haar opgestoken in een knot die ondanks de wind niet uit elkaar lijkt te willen vallen. Ze loopt met de zelfverzekerdheid van iemand die gewend is om gezien te worden — niet arrogant, maar bewust van het effect dat ze heeft.
Frans tast naar de knop van zijn portierraam, laat het zakken met een zachte brom. "Taxi?" roept hij, en zijn stem draagt verder dan hij bedoelt, alsof de wind ermee speelt.
De vrouw draait haar hoofd, haar ogen — donkerbruin, bijna zwart in dit licht — vinden de zijne. Ze bestudeert hem een moment, haar blik glijdend van zijn gezicht naar de taxi en weer terug. Dan loopt ze naar hem toe, haar hakken ratelend op het asfalt, en buigt zich voorover om door het open raam te spreken.
"Rij je richting Noord?" vraagt ze, en haar stem is laag, bijna hees, met een accent dat Frans niet direct kan plaatsen — niet puur Surinaams, maar met iets anders erdoorheen, misschien Frans-Guyaans of iets uit de Caraïben dat hij niet kent.
"Rijd waar je maar wilt, schat," antwoordt Frans, en hij hoort zelf hoe plat het klinkt, hoeveel bedoeling eronder zit. Maar de vrouw lacht — geen gegiechel, maar een volle, warme lach die haar hele gezicht verandert, haar ogen tot spleetjes maakt.
"Solange," zegt ze, en ze steekt haar hand door het raam, een gouden ring met een donkere steen glinsterend aan haar middelvinger. "En jij bent?"
"Frans." Hij pakt haar hand, voelt de droogte van haar huid, de kracht in haar vingers. Ze knijpt even terug, niet te hard, maar genoeg om iets te signaleren — of hij verbeeldt het zich. "Stap in, Solange. Ik zal je wel thuisbrengen. Of waar dan ook."
Zich rechtzettend, haar hand terugtrekkend en loopt om de taxi heen naar de passagiersdeur. Frans ziet hoe de vinyl jas strak trekt over haar heupen met elke stap, de ronding van haar kont duidelijk zichtbaar onder het glanzende materiaal. Ze opent de deur, bukt om in te stappen, en hij krijgt een glimp van haar decolleté — diep, donker, met iets dat glinstert tussen haar borsten. Een hanger, of misschien iets anders.
De deur slaat dicht met een zware klik. Frans draait zich half om in zijn stoel, zijn rechterarm over de leuning geworpen. Solange heeft haar gordel al vastgemaakt — efficiënt, alsof ze gewend is aan taxi's — en zit met haar benen gekruist, de vinyl jas openvallend om haar dijen te onthullen. Ze draagt een korte zwarte jurk eronder, strak en glanzend, en laarzen die tot net onder haar knieën reiken. Haar huid glimt als gepolijst ebbenhout in het zonlicht dat door de voorruit valt.
"Waarheen?" vraagt Frans, en zijn stem klinkt schorder dan hij bedoelt.
Solange leunt achterover, haar hoofd tegen de hoofdsteun laten rusten. Haar ogen half dichtgeknepen, alsof ze de zon in haar gezicht weert, of alsof ze hem bestudeert door haar wimpers heen. "Heb je een uur?" vraagt ze, en haar stem is lager nu, intiemer. "Of ben je een van die chauffeurs die alleen maar van punt A naar B rijden?"
Frans voelt de bekende hitte opwellen in zijn onderbuik, de adrenaline die zijn polsslag versnelt. Dit is het moment waarop hij altijd weet of het gaat gebeuren — de subtiele verschuiving in de atmosfeer, de onuitgesproken vraag die hangt tussen twee mensen. Hij laat zijn hand van de leuning glijden, laat hem op de versnellingspook rusten. Zijn vingertoppen raken de kunstlederen bekleding van de armleuning tussen hen in.
"Ik rij waar je maar wilt," zegt hij, en hij houdt haar blik vast, laat zijn ogen langzaam over haar gezicht glijden, naar haar hals, naar de glinsterende hanger die tussen haar borsten rust — een gouden kruis, klein maar duidelijk zichtbaar nu weet hij waar hij moet kijken. "En ik neem de tijd die nodig is."
Solange's lippen krullen omhoog in een glimlach die te wetend is voor iemand die hij zojuist heeft ontmoet. Ze laat haar hand van haar schoot glijden, laat haar vingertoppen over de armleuning tussen hen in strijken — niet zijn hand rakend, maar dichtbij genoeg dat hij de warmte ervan kan voelen. Haar nagels zijn lang, gelakt in een donkerrood dat bijna zwart lijkt in dit licht.
"Rij maar," zegt ze zacht, en haar ogen flitsen naar de voorruit, naar de straten van Rotterdam die wachten. "Ik zal je wel vertellen waar te stoppen."
Frans draait de sleutel om, voelt de dieselmotor tot leven komen onder hem. Hij schakelt in, laat de taxi wegrijden van het stationsplein, de sporen van de treinen nog zichtbaar in zijn achteruitkijkspiegel. Solange zit stil naast hem, haar benen nog steeds gekruist, de vinyl jas openvallend om haar dijen. Ze kijkt niet naar hem, maar naar het raam, naar de stad die voorbijglijdt — de kubuswoningen, de Erasmusbrug in de verte, de havenkranen die zich verheffen boven de daken.
Bij de eerste verkeerslichten draait Frans zijn hoofd naar haar, zijn blik glijdend over de contour van haar gezicht, de lijn van haar hals, de diepe V van haar decolleté waar het gouden kruis rust tegen haar donkere huid. "Waar moet ik heen?" vraagt hij, en zijn stem klinkt grover dan normaal, de woorden iets schor van de spanning die in zijn keel knijpt.
Solange draait haar hoofd, haar ogen vangen de zijne — donker, ondoorgrondelijk, met iets erin dat hem doet denken aan diepe wateren waar je niet de bodem van kunt zien. Ze laat haar hand van de armleuning glijden, laat haar vingertoppen over de versnellingspook strijken — zijn hand nog steeds niet rakend, maar dichtbij genoeg dat hij de elektriciteit ervan voelt prikkelen onder zijn huid.
"Rij naar het Kralingse Bos," zegt ze, en haar stem is lager nu, bijna fluisterend, alsof ze een geheim deelt. "Er is een rustig plekje bij het water. Daar... daar wil ik stoppen."
Frans knikt, zijn keel samentrekkend bij de betekenis die hij hoort in haar woorden — de onuitgesproken belofte van wat er gaat komen. Hij schakelt, laat de taxi optrekken bij het groene licht, de straten van Rotterdam veranderend van beton en staal naar groen en water naarmate ze Kralingen naderen. Solange zit stil naast hem, haar ademhaling zacht maar hoorbaar in de stilte van de cabine — niet gehaast, maar diep, alsof ze zich voorbereidt op iets.
Bij de rand van het bos, waar de bomen schaduw werpen over het pad, draait Solange haar hoofd naar hem. "Hier," zegt ze, en ze wijst naar een smal zandpad dat zich tussen de bomen door slingert. "Rij door tot je het water ziet. Er is een plek waar de auto kan staan... waar niemand ons ziet."
Frans volgt haar aanwijzingen, de taxi langzaam voortkruipend over het oneffen pad, takken schurend langs de zijkanten. Het daglicht wordt diffuus, gefilterd door het bladerdak boven hen, en de temperatuur in de cabine lijkt te stijgen — of misschien is het de spanning die Frans voelt opwellen, het bloed dat sneller door zijn aderen pompt. Achter de laatste bocht opent het landschap zich: een klein meer, omzoomd door riet en wilgen, het water glinsterend in de zachte middagzon.
Frans parkeert de taxi onder een wilg, de takken als een gordijn om hen heen vallend. Hij zet de motor af, de stilte plotseling intens na het geronk van de diesel. Solange beweegt niet, haar ogen op het water gericht, alsof ze het juiste moment afweegt. Dan draait ze haar hoofd, haar blik vindt de zijne, en ze glimlacht — een glimlach die geen vraag stelt, maar een antwoord geeft.
"De achterbank," zegt ze, en haar stem is zacht maar duidelijk, een bevel verpakt als uitnodiging. "Daar is meer ruimte... voor wat ik wil."
Frans knikt, zijn keel droog van verwachting. Hij opent zijn portier, stapt uit in de koelte van het bos, de geur van loof en water hem omhullend. Solange volgt aan de andere kant, haar vinyl jas ritselend bij elke beweging, de felrode stof vangt wat zonlicht dat door de takken heen dringt. Ze loopt naar de achterdeur, wacht terwijl Frans deze opent, en klimt dan met soepele gratie naar binnen, haar laarzen krassend over de metalen drempel.
De achterbank is ruim, ontworpen voor grotere groepen maar nu leeg op Solange na. Ze laat zich op de middelste zitplaats zakken, haar benen iets uit elkaar, de vinyl jas openslaand om de zwarte jurk te onthullen die strak om haar ronde lichaam kleeft. Frans staat bij de open deur, het daglicht achter hem, zijn silhouet groot en donker tegen het groen van het bos.
"Sluit de deur," zegt Solange, en er is iets in haar stem dat hem doet gehoorzamen zonder na te denken. "Maar niet helemaal... ik wil het licht zien. En het water."
Frans doet wat ze vraagt, de achterdeur tot op een kier dicht, een streep daglicht binnenlatend die over de vloer van de taxi valt en Solange's laarzen beschijnt. Hij loopt dan naar de zijkant, opent de schuifdeur aan de passagierskant, en klimt naar binnen, de ruimte gevend met zijn aanwezigheid.
Solange draait haar hoofd naar hem, haar ogen in het halfduister fonkelend. "Kom hier," zegt ze, en ze klopt op de zitplaats naast haar. "Ik bijt niet... tenzij je dat wilt."
Frans lacht, een laag geluid in zijn keel. Hij schuift naar haar toe, de bank kraakt onder zijn gewicht, en dan zitten ze naast elkaar, hun dijen elkaar rakend door de dunne stof van hun kleding heen. Solange draait zich naar hem, haar borsten zwaaiend zwaar onder de jurk, en Frans kan nu de piercing zien die door haar linker tepel steekt — een klein gouden ringetje dat glinstert wanneer ze beweegt.
"Jij bent de Frans waarover ze praten," zegt Solange, en het is geen vraag. "De taxichauffeur met de... reputatie."
Frans tilt een wenkbrauw op, zijn hand rustend op zijn dij, zijn pink onbedoeld rakend aan de hare. "En jij bent iemand die weet waar ze naar op zoek is."
Solange lacht, haar hoofd achteroverwerpend, haar hals blootstellend — een lange, donkere lijn die Frans instinctief doet verlangen om te bijten, te likken, te markeren. "Ik weet wat ik wil," zegt ze, en ze draait haar hoofd weer naar hem, haar ogen plotseling scherp, doorborend. "En ik neem wat ik wil."
Ze beweegt dan, sneller dan Frans verwacht, en schuift over zijn schoot, haar knieën aan weerszijden van zijn dijen, haar gewicht zwaar en warm op zijn benen. De vinyl jas ritselt om hen heen, een geluid dat Frans associeert met risico, met de spanning van het onbekende. Solange's handen vinden zijn schouders, haar vingertoppen graven zich lichtjes in zijn spieren, en ze drukt zich tegen hem aan, haar borsten zwaar tegen zijn borst gedrukt.
"Voel je dat?" fluistert ze, haar lippen bijna rakend aan zijn oor, haar adem warm en vochtig tegen zijn huid. "Voel je hoeveel ik dit wil?"
Frans handen vinden haar heupen, zijn vingertoppen in de zachte ronding drukkend. Hij voelt de kracht in haar dijen, de spanning in haar spieren terwijl ze zich tegen hem aanwrijft. De vinyl jas is opengevallen, en hij kan nu de volle vorm van haar borsten zien, de zware rondingen die tegen elkaar aan gedrukt worden door de strakke jurk, de gouden ring van haar tepelpiercing glinsterend door de dunne stof heen.
"Ik voel het," zegt hij, en zijn stem is lager dan normaal, gedragen door het verlangen dat door zijn lijf pulseert. "Ik voel hoe graag je geneukt wilt worden."
Solange maakt een geluid in haar keel — geen woord, maar een bevestiging, een beestachtig akkoord. Haar handen glijden van zijn schouders naar zijn borst, haar vingertoppen over de knopen van zijn overhemd strijkend, en dan lager, naar zijn riem, de gesp vindend en er mee spelend zonder hem open te maken.
"Laat me je zien," fluistert ze, haar ogen op de zijne gevestigd, de pupil groot en zwart in het schemerige licht van de taxi. "Laat me zien waarom ze over je praten."
Frans handen verlaten haar heupen, vinden de gesp van zijn eigen riem. Hij maakt hem open, de rits van zijn broek, en dan — met een beweging die hij duizenden keren heeft gedaan maar nooit verveelt — trekt hij zichzelf vrij, zijn erectie opspringend in de koele lucht van de taxi, zwaar en donker en reeds druppelend van verwachting.
Solange's adem stokt — echt stokt, een hoorbare inhaling — en haar ogen worden groot, haar blik vastgenageld aan wat hij haar toont. Haar tong glijdt over haar lippen, vochtig, en Frans ziet de hunkering die over haar gezicht trekt, de onverholen begeerte die haar composure even laat barsten.
"O, mijn god," fluistert ze, en haar stem is anders nu, minder gecontroleerd, meer kwetsbaar. "Ze hebben niet overdreven."
Ze beweegt dan, haar handen van zijn borst naar beneden glijdend, haar vingertoppen over zijn buik strijkend, en dan — eindelijk — omsluiten haar vingers hem. Haar hand is warm, droog, de greep stevig zonder te hard te zijn. Ze laat hem glijden door haar vuist, van de basis naar de punt, een traag, onderzoekend gebaar dat Frans' adem doet stokken in zijn keel.
"Zo groot," mompelt ze, meer tegen zichzelf dan tegen hem, haar ogen nog steeds op zijn erectie gericht alsof ze het niet kan geloven. "Zo fucking groot."
Ze buigt zich voorover, haar vinyl jass ritselend, haar borsten zwaaiend zwaar onder de jurk, en Frans voelt haar adem tegen zijn huid voordat hij haar mond voelt — warm, vochtig, de tong die langs de onderkant van zijn schacht glijdt, van de basis naar de top, en dan terug, een langzame, veroverende lik.
"Ah, fuck," stoot hij uit, zijn handen vinden haar hoofd, zijn vingers in haar opgestoken haar graven. "Ja, zo. Zo zuigen, verdomme."
Solange gromt iets in haar keel, een vibratie die door zijn hele lijf trilt, en neemt hem dan dieper in haar mond — niet alles, te veel, maar meer dan genoeg om Frans' knieën te doen trillen onder haar gewicht. Haar hand werkt de rest, een vloeibare, ritmische beweging die synchroon loopt met de zuigende druk van haar mond, en Frans voelt de opbouw in zijn onderbuik, de bekende spanning die zich verzamelt in zijn balzak, de druk die smeekt om vrijgelaten te worden.
"Wacht," hijgt hij, zijn handen haar hoofd wegduwend, zijn adem zwaar en schor. "Wacht, niet zo. Ik wil je voelen. Ik wil in je komen."
Solange laat hem los met een ploppend geluid, haar lippen vochtig, haar ogen glazig van begeerte. Ze likt haar lippen, haar tong verzameld wat speeksel en precum, en slikt het langzaam door, de beweging van haar keel zichtbaar in het licht dat door de voorruit valt.
"Je wil me neuken?" vraagt ze, en haar stem is hees, ruw van de inspanning. "Je wil die grote, harde lul in mijn natte kut stoten?"
Frans knikt, zijn hand weer om zijn erectie, langzaam trekkend om de druk te onderdrukken. "Ja," stoot hij uit. "God, ja. Ik wil je voelen om me heen. Ik wil diep in je komen."
Solange glimlacht, een wulpse, uitdagende uitdrukking die haar hele gezicht verandert. Ze schuift van zijn schoot, haar knieën op de bank tussen hen in, en draait zich om, haar rug naar hem toe. Haar handen vinden de onderkant van haar jurk, en ze trekt deze omhoog, langzaam, de zwarte stof omhoog schuivend over haar dijen, haar heupen, tot de ronding van haar kont zichtbaar wordt — donker, vol, gehuld in een string van zwart kant die nauwelijks iets verhult.
"Geen condoom," zegt ze, en het is geen vraag, maar een constatering, een voorwaarde. "Ik wil je voelen. Alles. Ik wil je in me laten spuiten, voelen hoe je me vult."
Frans knikt, de woorden bijna niet registrerend door de bloedstroom die in zijn oren ruist, het verlangen dat alles overschrijft. "Oké," hijgt hij. "Oké, als jij dat wilt."
Solange kijkt over haar schouder naar hem, haar ogen fonkelend in het schemerige licht. "Ik wil," zegt ze, en ze laat de jurk vallen, haar handen de vinyl jas openend, haar borsten vrijgevend — groot, zwaar, met donkere tepels waarvan de linker doorboord is met een gouden ring die glinstert in het licht. "Kom hier. Neuk me. Laat me je voelen."
Frans schuift naar voren, zijn handen haar heupen grijpend, haar huid warm en glad onder zijn vingertoppen. Hij positieert zich achter haar, een hand tussen haar schouders duwend om haar voorover te buigen, haar kont omhoog presenterend. De string is nat, voelt hij, de stof doorweekt van haar opwinding, en hij duwt deze opzij, de kant glippend over de ronding van haar heup.
"Ah, wacht," stoot ze uit, en ze reikt tussen haar benen, haar vingers die haar eigen gladheid vinden, spreidend, zichzelf openend voor hem. "Hier. Kom hier. Diep. Ik wil je helemaal voelen."
Frans grijpt zijn erectie, de punt tegen haar ingang drukkend, het natte, warme gevoel hem bijna doend kreunen van pure verwachting. Hij duwt naar voren, langzaam, de weerstand voelend, de strakheid van haar om hem heen, en dan glijdt hij dieper, centimeter voor centimeter, tot hij volledig in haar zit, zijn heupen tegen haar kont gedrukt, het gevoel van volledige vulling hem bijna duizelig makend.
"Ah, fuck," kreunt Solange, haar voorhoofd tegen de rugleuning van de voorstoel gedrukt, haar vingers wit knokkend om de stof. "Zo groot. Zo fucking diep. Blijf stil, even. Laat me... laat me je voelen."
Frans gehoorzaamt, zijn adem zwaar en schor in de stilte van de taxi, het enige geluid het ruisen van de wind door de bomen en het verre gekwaak van een eend op het water. Hij kijkt naar beneden, naar waar ze verbonden zijn, de donkere huid van haar heupen tegen de blekere tint van zijn dijen, de gouden ring van haar tepelpiercing glinsterend in het licht dat door de voorruit valt. De aanblik is obscene, prachtig, en hij voelt de druk in zijn onderbuik opwellen, de behoefte om te bewegen, te stoten, haar te nemen met alles wat hij heeft.
"Nu," fluistert Solange, en ze draait haar hoofd iets, haar ogen half gesloten, haar lippen vochtig en geopend. "Neuk me. Hard. Ik wil het voelen. Ik wil je in me voelen komen."
Frans gript haar heupen steviger, zijn vingertoppen in haar zachte vlees gravend, en trekt zich terug, bijna helemaal, voelt de koelte van de lucht waar hij haar warmte achterlaat. Dan stoot hij naar voren, hard, diep, een kracht die de taxi doet schudden op zijn vering, en Solange kreunt — een laag, dierlijk geluid dat uit haar diepste kern lijkt te komen.
"Ah! Ja!" hijgt ze, haar rug krommend, haar kont tegen zijn heupen drukkend. "Meer. Harder. Geef me alles!"
Frans gehoorzaamt, een ritme vindend dat snel en diep is, elke stoot haar hele lijf doet schudden, haar borsten zwaaiend onder de open vinyl jas, de gouden ring van haar tepel dansend in het licht. De geluiden die ze maakt zijn ongefilterd, obscene — kreunen, hijgend, gefluisterde smeekbeden in een taal die Frans niet helemaal verstaat maar waarvan de betekenis glashelder is.
"Daar," stoot ze uit, haar hand tussen haar benen schuivend, haar vingers zichzelf vindend terwijl hij haar blijft nemen. "Daar. Blijf daar stoten. Ah! Ah! Ik kom eraan. Ik ga komen!"
Frans voelt het ook, de spanning in zijn onderbuik die zich ophoopt, de druk in zijn balzak die smeekt om vrijgelaten te worden. Hij versnelt zijn ritme, elke stoot nu een poging om dieper te komen, om zichzelf volledig in haar te verliezen, en Solange kreunt, haar hele lijf verstijft, haar vingers over zichzelf in een razend tempo bewegend.
"Ah! Ah! Ah!" kreunt ze, haar hoofd achteroverwerpend, haar mond geopend in een stil gebed naar het dak van de taxi. "Ik kom! Ik kom! Ah! Ah!"
Haar orgasme treft haar als een golf, haar hele lijf schuddend, haar binnenste samentrekkend rond hem in rimpelingen die Frans tot in zijn kern voelt. Ze kreunt, een lang, laag geluid dat uitputtend klinkt, alsof ze alles geeft wat ze heeft, en Frans kan het niet langer tegenhouden — de druk, de hitte, het gevoel van haar om hem heen, het zicht van haar in vervoering.
"Ah, fuck," kreunt hij, zijn heupen diep in haar drukkend, en dan komt hij, een golf van warmte die door hem heen spoelt, pulseert, zichzelf stortend in haar diepste kern. Hij stoot nog, zwakker nu, elk spurtje uitputtend voelend, tot hij leeg is, zijn voorhoofd tegen haar schouder zakkend, zijn adem zwaar en schor in de stilte.
Ze blijven zo zitten, verbonden, de taxi licht schommelend op zijn vering wanneer een windvlaag door de bomen raast. Solange's hand vindt de zijne, haar vingers door de zijne vlechtend, en ze drukt zacht, een gebaar dat iets zegt wat woorden niet kunnen uitdrukken — dankbaarheid, misschien, of tevredenheid, of simpelweg het erkennen van een moment dat ze allebei nodig hadden.
Dan trekt ze zich terug, langzaam, en Frans voelt de leegte die ze achterlaat als een fysieke pijn. Ze schikt haar jurk, sluit de vinyl jas, haar vingers de gouden ring van haar tepel aanrakend alsof ze hem tot leven wekt. Haar ogen vinden de zijne, en ze glimlacht — diezelfde wetende glimlach als eerder, maar nu met iets extra's, een geheim dat alleen zij delen.
"Rij me terug," zegt ze, en haar stem is weer de zakelijke toon van eerder, alsof de tussenliggende tijd nooit heeft bestaan. "Naar het station. Ik heb een trein te halen."
Frans knikt, zichzelf oprapend, zijn kleding in orde brengend. Hij klimt uit de taxi, de frisse lucht van het bos hem omhullend als een koud douche, en loopt om naar de bestuurderskant. Als hij instapt, ziet hij Solange in de achteruitkijkspiegel, haar ogen al op het raam gericht, al verdwenen in gedachten die hij niet kan volgen.
Hij start de motor, laat de taxi achteruitrijden uit de beschutting van de wilg, en rijdt terug over het zandpad naar de bewoonde wereld. De rit naar het station verloopt in stilte, alleen onderbroken door Solange's stem wanneer ze hem aanwijzingen geeft — links hier, rechts daar, de snelweg op bij de volgende afslag. Bij het station parkeert hij op dezelfde plek waar hij haar heeft opgepikt, de dieselmotor ronkend in de stilte van de middag.
Solange opent haar portier, de vinyl jas ritselend, en stapt uit. Ze bukt zich, haar hoofd door het open raam stekend, haar ogen de zijne vangend. "Bedankt voor de rit, Frans," zegt ze, en er is een ondertoon in haar stem die de woorden meer betekenis geven dan hun letterlijke betekenis. "Ik denk dat ik je weer zal bellen. Als ik... een rit nodig heb."
Frans knikt, zijn hand omhoog brengend in een gebaar dat half groet, half belofte is. "Ik ben altijd beschikbaar," zegt hij. "Voor de juiste klanten."
Solange glimlacht, die laatste keer, en trekt haar hoofd terug. Haar hakken klikken op het trottoir terwijl ze wegloopt, de felrode vinyl jas vangend wat zonlicht er is, een vlam van kleur in het grijze van de stad. Frans kijkt haar na tot ze verdwijnt in de stationshal, en dan zakt hij achterover in zijn stoel, zijn handen rustend op het stuur, de geur van haar nog hangend in de cabine.
Hij wacht. Het is wat hij doet — wachten op de volgende, de volgende vrouw die zijn taxi binnenstapt, die zijn blik vangt, die de onuitgesproken vraag stelt die hij altijd herkent. De middagzon staat hoog nu, het licht hard en wit, en Frans zet zijn zonnebril op, de wereld weer reducerend tot reflecties en silhouetten.
Dan ziet hij haar — een meisje, nee, een jonge vrouw, die uit de stationshal stapt, haar hoofd gebogen over haar telefoon. Blond haar, in een paardenstaart gebonden die over haar schouder slingert. Een roze minirok die haar knieën bloot laat — knieën die Frans onmiddellijk associeert met melk, met de zachtheid van jeugd, met iets dat nog niet helemaal besef is van haar eigen kracht. En boven de rok, een blouse — zijde, doorschijnend, de contouren van wat eronder zichtbaar in het zonlicht.
Geen bh. Hij ziet het meteen, de schaduwen van tepels tegen de stof, de vrije beweging van borsten die nog niet de zwaarte hebben van volwassenheid maar wel de ronding, de belofte. En als ze loopt, de minirok dansend om haar dijen, ziet hij ook — of denkt hij te zien, of weet hij zeker — dat er niets anders is onder de rok. Geen lijn van een slip, geen rand van kant. Alleen huid, jonge huid, wachtend.
Frans voelt de bekende hitte opwellen, maar anders deze keer — scherper, gevoeliger, de bewustwording van een grens die misschien niet overschreden mag worden maar die hem juist aantrekt. Achttien, denkt hij, of daaromtrent. Net volwassen, net oud genoeg om te weten wat ze doet, of net jong genoeg om zichzelf voor te houden dat ze het niet weet.
Hij tast naar de knop van zijn portierraam, laat het zakken. "Taxi?" roept hij, en zijn stem klinkt schor in zijn eigen oren, het woord minder vraag dan uitnodiging.
Het meisje — de jonge vrouw — kijkt op van haar telefoon. Haar ogen zijn blauw, een lichtblauw dat bijna doorschijnend lijkt in het zonlicht, en ze knippert een keer, twee keer, alsof ze niet zeker is of ze hem goed heeft gehoord. Dan loopt ze naar hem toe, haar paardenstaart zwaaiend over haar schouder, de minirok op en neer dansend met elke stap, en bukt zich om door het open raam te spreken.
"Rij je richting Kralingen?" vraagt ze, en haar stem is hoger dan hij verwacht had, licht, met een vibrato van zenuwachtigheid die ze probeert te onderdrukken. "Ik heb een afspraak bij de universiteit, maar ik heb de bus gemist."
Frans knikt, zijn ogen niet op haar gezicht maar op de blouse gericht, de doorschijnende zijde die de contouren van haar borsten onthult, de donkere schaduwen van tepels die hard zijn van de koelte of de opwinding — hij weet het niet, weet alleen dat hij ze wil zien, wil aanraken, in zijn mond wilt nemen tot ze zacht worden van warmte.
"Ik rijd waar je maar wilt," zegt hij, en deze keer is de betekenis duidelijker, de woorden beladen met een belofte die niet over taxiritten gaat. "Stap in, meisje. Ik zal je wel brengen."
Haar ogen zoeken de zijne, en voor een moment ziet hij iets — twijfel, misschien, of berekening, of simpelweg de bewustwording van een keuze die ze op het punt staat te maken. Dan glimlacht ze, een snelle, fladderende beweging die haar ogen niet bereikt, en gaat rechtopstaand, haar hand op de deurkruk.
"Goed dan," zegt ze, en haar stem is steviger nu, de zenuwachtigheid vervangen door iets anders — vastberadenheid, misschien, of de verborgen opwinding van iets verbodens. "Maar ik heet geen 'meisje'. Ik heet Sienna."
Frans knikt, een glimlach om zijn lippen die hij niet probeert te onderdrukken. "Sienna," herhaalt hij, de naam proefend op zijn tong. "Mooi. Een mooie naam voor een mooi meisje."
Sienna's ogen flitsen, iets van irritatie of uitdaging, maar ze zegt niets. Ze opent de deur, klimt in de taxi, en Frans hoort het geluid van de gordel die wordt vastgeklikt, het ritselen van de minirok die wordt rechtgetrokken. Hij wacht, zijn handen op het stuur, tot ze klaar is, en dan start hij de motor, laat de taxi wegrijden van het stationsplein, de sporen van de treinen achter zich latend.
De rit begint in stilte, Sienna staart door het raam, haar paardenstaart over haar schouder vallend, de blonde strengen vangen wat zonlicht dat door de voorruit binnenkomt. Frans rijdt met één hand, de andere rustend op de versnellingspook, zijn ogen steeds terugkerend naar de spiegel waarin hij haar kan zien — het profiel van haar gezicht, de lijn van haar hals, de manier waarop de blouse om haar borsten spant.
Bij de eerste verkeerslichten, waar ze moeten wachten, draait Frans zich naar haar. "Je zei dat je naar de universiteit moet," zegt hij, en zijn stem is neutraal, een gespreksonderwerp als elk ander. "Wat studeer je?"
Sienna draait haar hoofd, haar blik de zijne vangend. Haar ogen zijn anders in dit licht — groener, misschien, of gewoon minder blauw, de kleur veranderend met haar stemming. "Psychologie," zegt ze, en er is iets spottends in haar stem, alsof ze een privégrap deelt. "Ik studeer hoe mensen denken. Wat ze willen. Wat ze verbergen."
Frans glimlacht, een trage, wetende beweging. "En wat denk je dat ik verberg?" vraagt hij, en hij laat zijn hand van de versnellingspook zakken, laat hem rusten op de armleuning tussen hen in, zijn pink opnieuw rakend aan de hare.
Sienna's ogen dalen naar zijn hand, dan weer omhoog naar zijn gezicht. Ze beweegt niet, haar hand blijft waar ze is, maar ze ademt dieper in, haar borsten rijzend onder de blouse, de stof spannend over de harde punten van haar tepels. "Ik denk," zegt ze langzaam, elk woord gewogen, "dat je verbergt hoe graag je me wilt. Hoe graag je wilt dat ik mijn benen voor je spreid, dat je me voelt, nat en warm om je heen. Hoe graag je wilt komen, diep in me, mijn naam schreeuwend terwijl je me vult."
De stilte die volgt is dik, geladen, de lucht tussen hen trillend van onuitgesproken beloften. Frans voelt zijn hart bonken in zijn keel, zijn erectie terugkerend met een hevigheid die bijna pijnlijk is, de druk in zijn broek ondraaglijk. Hij wil iets zeggen, een antwoord geven dat recht doet aan de eerlijkheid van haar woorden, maar zijn stem verlaat hem, woorden ontoereikend voor wat hij voelt.
Het is Sienna die beweegt, Sienna die beslist. Ze maakt haar gordel los, het klikgeluid scherp in de stilte, en draait zich naar hem, haar knieën op de stoel, haar handen de rugleuning grijpend. De minirok kruipt omhoog, de ronding van haar kont blootgevend — geen string deze keer, geen kant, alleen huid, de roze plooi van haar geslacht net zichtbaar tussen haar dijen.
"Toon me," zegt ze, en haar stem is anders nu, kwetsbaar, de zelfverzekerdheid even gebarsten om iets jongers, iets hongerigers te onthullen. "Toon me dat ik gelijk had. Toon me hoe graag je me wilt."
Frans hoeft niet twee keer gevraagd te worden. Hij maakt zijn eigen gordel los, zijn handen trillend van opwinding, en opent zijn broek, trekt zichzelf vrij, zijn erectie opspringend in het koele lucht van de taxi — even zwaar, even donker als eerder, maar nu druipend van voorvocht, de huid gespannen en glanzend. Sienna's ogen worden groot, haar lippen vormen een stille 'o' van verwondering, en ze reikt tussen haar benen, haar vingers zichzelf vindend, spreidend, zichzelf openend voor hem zoals Solange dat deed — maar anders, jonger, minder ervaren, de huid rozer, de plooien smaller.
Frans positioneert zich achter haar, een hand op haar onderrug drukkend om haar voorover te buigen, haar kont omhoog presenteerend. Met zijn andere hand grijpt hij zijn erectie, de punt tegen haar ingang drukkend, het natte, strakke gevoel hem bijna doet kreunen van pure verwachting. Hij duwt naar voren, langzaam, de weerstand voelend — groter deze keer, strakker, de jeugd van haar lichaam dat zich aanpast aan zijn omvang.
"Ah," stoot Sienna uit, haar voorhoofd tegen de rugleuning gedrukt, haar vingers wit knokkend om de stof. "Ah, wacht. Even. Het is... het is veel."
Frans bevriest, zijn heupen half vooruit, de helft van hem in haar, de druk ondraaglijk maar de behoefte om voorzichtig te zijn sterker. "Oké," hijgt hij, zijn hand van haar onderrug naar haar heup verplaatsend, een zachte, kalmerende cirkel trekkend. "Oké, we gaan langzaam. Jij bepaalt het tempo."
Sienna knikt, haar adem zwaar en schor, en ze duwt zichzelf een beetje naar achteren, hem dieper in zich opnemend, de strakheid van haar om hem heen bijna pijnlijk van genot. "Oké," fluistert ze, haar stem trillend. "Oké, nu. Langzaam. Maar ik wil het. Ik wil je voelen."
Frans begint te bewegen, kleine stoten, voorzichtig, de weerstand van haar lichaam respecterend terwijl ze zich aan hem aanpast. Sienna's ademhaling wordt zwaarder, haar kreunen hoger van toon, minder gecontroleerd, en ze begint zelf te bewegen, haar heupen achterwaarts drukkend om hem dieper te nemen, haar ritme vindend naast het zijne.
"Ah," kreunt ze, haar hoofd achteroverwerpend, haar paardenstaart over haar schouder slingerend. "Ah, zo. Zo diep. Ik voel je overal."
Frans versnelt, de weerstand van haar lichaam nu minder, de gladheid van haar opwinding hem toelatend dieper te gaan, sneller te stoten. Zijn handen grijpen haar heupen, zijn vingertoppen in haar zachte vlees gravend, en hij kijkt naar beneden, naar waar ze verbonden zijn, de bleke huid van zijn dijen tegen de zachtere, roze tint van de hare, de natte glans van hun verbinding zichtbaar bij elke terugtrekking.
"Je bent zo strak," hijgt hij, zijn stem ruw van inspanning. "Zo fucking strak. Ik ga het niet lang meer houden."
Sienna kijkt over haar schouder naar hem, haar ogen half gesloten, haar lippen geopend in een stil gebed van genot. "Kom dan," fluistert ze, haar stem trillend. "Kom in me. Ik wil je voelen. Ik wil je spuiten voelen."
Haar woorden zijn de vonk die het laatste beetje controle doet verdwijnen. Frans stoot hard, diep, een laatste reeks krachtige bewegingen die de taxi doen schudden, en dan komt hij, een golf van warmte die door hem heen spoelt, pulseert, zichzelf stortend in haar diepste kern. Hij stoot nog, zwakker, uitputtend, elk spurtje voelend, tot hij leeg is, zijn voorhoofd tegen haar rug zakkend, zijn adem zwaar en schor.
Ze blijven zo zitten, verbonden, de stilte van het bos om hen heen vallend als een deken. Sienna's ademhaling wordt langzamer, dieper, en ze draait haar hoofd iets, haar wang tegen de rugleuning drukkend, haar ogen gesloten. "Dat was..." begint ze, en dan stopt ze, alsof ze de woorden niet kan vinden, of niet wil vinden.
Frans trekt zich terug, voorzichtig, de gevoeligheid van zijn huid na het klaarkomen bijna pijnlijk. Hij trekt zijn broek omhoog, sluit zijn riem, en klimt uit de taxi, de frisse lucht van het bos hem omhullend. Sienna volgt, langzamer, haar bewegingen stijf, onwennig, en als ze uitstapt ziet hij de bloos op haar wangen, de manier waarop ze haar blouse recht trekt, de minirok omlaag trekkend alsof ze zich plotseling bewust is van wat ze onthult heeft.
"De universiteit," zegt Frans, en zijn stem is neutraal, respectvol, de intieme toon van zonet vervangen door die van een professional. "Je zei dat je daar naartoe moest."
Sienna knikt, haar ogen niet op de zijne, maar op de grond, op de bladeren, op alles behalve hem. "Ja," zegt ze, en haar stem is kleiner nu, de bravoer verdwenen. "Alsjeblieft."
Frans knikt, klimt in de taxi, en wacht tot zij instapt, de gordel vastmaakt, haar ogen op het raam gericht. De rit terug naar de stad verloopt in stilte, alleen onderbroken door Sienna's zachte aanwijzingen wanneer ze de universiteit naderen. Bij een groot, modern gebouw met glazen gevels parkeert hij, en Sienna maakt haar gordel los, haar hand op de deurkruk.
"Frans," zegt ze, en het is de eerste keer dat ze zijn naam uitspreekt, de klank vreemd in haar mond. "Ik... dat was mijn eerste keer."
Frans draait zijn hoofd naar haar, zijn ogen verborgen achter de zonnebril. "Dat weet ik," zegt hij, en zijn stem is zacht, bijna teder. "Daarom was het zo bijzonder."
Sienna staart naar hem, haar lippen iets geopend, alsof ze iets wil zeggen maar de woorden niet kan vinden. Dan glimlacht ze — een klein, echt glimlach deze keer, niet de uitdagende grijns van eerder, maar iets kwetsbaarders, iets menselijkers. "Tot ziens, Frans," zegt ze, en ze stapt uit, de deur achter zich sluitend, haar paardenstaart zwaaiend terwijl ze wegloopt, de minirok op en neer dansend, de blouse doorschijnend in het zonlicht.
Frans kijkt haar na tot ze verdwijnt in het gebouw, en dan zakt hij achterover in zijn stoel, zijn handen rustend op het stuur. De geur van haar hangt nog in de cabine — jong, zoet, iets fruitigs gemengd met de zoutere geur van opwinding. Hij ademt diep in, laat de herinnering aan haar — aan hen allebei — door hem heen stromen, en dan richt hij zich op, de taxi in de versnelling zettend.
Er zijn altijd meer. Dat is de les die hij jaren geleden heeft geleerd, de waarheid die zijn leven vorm heeft gegeven. Vrouwen die willen, die zoeken, die zich willen laten zien, voelen, nemen. Hij is hun vehikel, letterlijk en figuurlijk, de man die hen brengt waar ze willen zijn, die hen geeft wat ze nodig hebben.
De middagzon staat lager nu, de schaduwen langer, de stad veranderend van het witte licht van de ochtend naar het goud van de namiddag. Frans rijdt in een patroon dat hij kent, de straten van Rotterdam die hij heeft gememoriseerd, de plekken waar vrouwen wachten, waar kansen zich voordoen.
Bij de Markthal ziet hij haar — een vrouw die uit de ingang stapt, haar hoofd omhoog gericht naar het gebogen dak van de markthal, haar ogen fonkelend van bewondering. Lang, donker, met een huid die goud lijkt te absorberen in plaats van te reflecteren. Zuid-Amerikaans, denkt Frans onmiddellijk, of misschien Spaans, of misschien iets anders — het maakt niet uit, de herkomst is minder belangrijk dan de aanwezigheid, de uitstraling van iemand die weet wie ze is en wat ze waard is.
Ze draagt een jurk — lang, bloemen, iets dat zowel toeristisch als elegant is, alsof ze zich heeft verkleed voor een vakantie die ze nooit heeft gehad. Haar haar valt in golven over haar schouders, zwart met bruine glans in het zonlicht, en als ze haar hoofd draait, naar de straat kijkend alsof ze zoekt naar iets, ziet Frans haar gezicht volledig — de hoge jukbeenderen, de volle lippen, de ogen die zo donker zijn dat ze bijna geen pupil lijken te hebben.
Ze ziet hem, of ziet zijn taxi — het maakt niet uit, het resultaat is hetzelfde. Haar ogen vangen de zijne, een moment van verbinding dat Frans voelt als een fysieke stoot, en dan loopt ze naar hem toe, haar jurk zwaaiend om haar enkels, haar sandalen met hoge hakken klikkend op het trottoir.
Bij het raam blijft ze staan, bukt zich om te spreken, en Frans ruikt haar — bloemen, jasmijn misschien, gemengd met iets warms, iets wat alleen maar 'vrouw' kan worden genoemd. "Taxi?" vraagt ze, en haar accent bevestigt wat hij al dacht — Spaans, maar dan anders, de rollende 'r' van iemand uit Argentinië misschien, of Uruguay, of een van die landen die Frans alleen kent van het nieuws en de voetbalwedstrijden die hij soms kijkt.
"Waar je maar wilt," antwoordt hij, en hij hoort de echo van zijn woorden aan Solange, aan Sienna — dezelfde frase, dezelfde betekenis, maar anders elke keer, aangepast aan de vrouw die hem hoort.
De vrouw — hij weet haar naam nog niet, realiseert hij zich — glimlacht, een langzame, warme beweging die haar hele gezicht verlicht. "Ik ben Marisol," zegt ze, en ze steekt haar hand door het raam, haar vingers lang en elegant, de nagels kort en ongelakt. "En jij bent de taxichauffeur met de reputatie, neem ik aan?"
Frans pakt haar hand, voelt de warmte ervan, de droogte van haar palm. "Frans," zegt hij. "En ja, ik heb een reputatie. Maar die moet je zelf beoordelen."
Marisol's ogen flitsen, iets van uitdaging, iets van belangstelling. "Dat was ik van plan," zegt ze, en ze trekt haar hand terug, loopt om de taxi heen naar de passagiersdeur. "Stap in, Frans. Laat me zien wat je reputatie waard is."
De deur slaat dicht, en Frans zit alleen in de cabine, de geur van jasmijn nog hangend in de lucht. Hij kijkt naar de achteruitkijkspiegel, naar de weerspiegeling van de lege achterbank, en denkt aan Solange, aan Sienna, aan al die anderen die haar zijn voorgegaan. En nu Marisol, met haar Zuid-Amerikaanse warmte, haar ondoorgrondelijke ogen, haar belofte van iets nieuws, iets anders.
Hij start de motor, de diesel ronkt onder hem, en rijdt weg van de Markthal, de stad in, op zoek naar een plek waar ze ongestoord kunnen zijn — een plek waar reputaties bevestigd worden, waar verlangens vervuld worden, waar de grenzen tussen chauffeur en passagier, tussen vreemde en minnaar, vervagen tot niets meer dan herinnering aan een moment van verbinding.
De zon staat lager nu, goud en warm, en Rotterdam glinstert om hem heen, een stad van mogelijkheden, van vrouwen die wachten, van ritten die nooit eindigen. Frans glimlacht, zijn handen stevig op het stuur, en rijdt verder, de taximeter op nul, de tijd nog niet beginnend te tellen.
Trefwoord(en): Taxi, Suggestie?
Geef dit verhaal een cijfer:
5
6
7
8
9
10

Ontdek meer over mij op mijn profiel pagina, bekijk mijn verhalen, laat een berichtje achter of schrijf je in om een mail te ontvangen bij nieuwe verhalen!
