Door: Keith
Datum: 11-03-2026 | Cijfer: 9.8 | Gelezen: 389
Lengte: Zeer Lang | Leestijd: 40 minuten | Lezers Online: 12
Lengte: Zeer Lang | Leestijd: 40 minuten | Lezers Online: 12
Vervolg op: Gonnie - 48: Verhuizen!
Verhuizen En Afscheid
Een half uurtje later stopten we voor Frank z’n huis, de bus met de achterkant naar de ingang. Hij deed de deur open en liep toen naar me toe. “Hé mooie Rooie…” En toen tilde hij me op en droeg me over de drempel. Eenmaal binnen kuste ik hem. “Jij bent stiekem best romantisch, Frankieboy…” De rest kwam even later ook binnen. “Ik heb ze maar even tegengehouden, Frank”, zei Hans. “Om een romantisch momentje niet met gemene vrouwen-opmerkingen te verzieken.”
“Jij bent goed bezig, Hans. Ik zal me inhouden als jij je bruid over de drempel draagt.” Ik knipoogde naar hem. Frank maakte nu koffie en we moesten de conversatie even staken: zijn koffiemachine was wat langer bezig om de koffiebonen te verpletteren. Ik nam Mariëlle ondertussen even mee door het huis. Met de begane grond waren we snel klaar, toen liepen we de tuin in. “Heerlijk, die rust hier. Bij ons hoor je altijd de snelweg wel.” “Da’s hier ook zo, Mariël. Alleen ’s avonds laat als de vogels stil zijn en de wolven niet huilen. Dan hoor je een zacht gezoem op de achtergrond: de A50.”
“Wólven? Zitten hier wolven?” Ze schrok duidelijk. “Volgens Frank zit er een roedel op de Hoge Veluwe, hier een kilometer of vier vandaan. Maar die hebben we nog niet gezien. De kans dat je wilde zwijnen tegenkomt is groter. Die zitten hier overal. Vandaar dat hij geen moestuintje heeft; dat zou in no time opgevreten zijn.” Ze lachte. “Ja, daar zijn die beesten heel goed in. Een oom van mij woont in Otterloo. Zijn hele tuin vorig jaar omgeploegd door zwijnen.” Ze draaide zich toen om. “Mooi huis, Gon in een prachtige omgeving. Maar…”
Ze zweeg en werd een beetje rood. “Je wilt onze slaapkamer zien? Kom maar mee, de koffie is toch nog niet klaar.” We liepen weer naar binnen. “Frank, ik laat Mariël beneden even zien, oké?” Hij knikte. “Komt u maar, mevrouw. Op de trap een beetje bukken, jij bent iets langer dan ik.” We liepen omlaag en beneden zei ze: “Alle moppen… Hoe diep zitten we nu onder de grond?” “Het plafond hier zit op vijf meter diepte, dus de vloer op bijna zeven meter. Bestand tegen een forse Engelse vliegtuigbom, volgens Frank.” We liepen langs het ‘werkplaatsje’, nu ook voller door mijn spulletjes, de voorraadruimte, “Die is ook straks nogal vol” en uiteindelijk opende ik de deur van de slaapkamer. “En hier brengen Frank en ik meestal de nacht door.”
Ze keek rond en zei toen: “Je zei ‘meestal’. En de andere nachten, Gon?” Ik keek ondeugend. “Op de bank in de woonkamer… De doucheruimte… Buiten hebben we het nog niet gedaan, maar dat lijkt me ook wel romantisch. Als die wilde zwijnen tenminste niet op komen dagen en een romantisch momentje verzieken met hun geknor.” Ze trok haar neus op. “Laat maar. Dat soort details…” “Hé, je vroeg er zelf naar, jongedame!” Even was het stil, terwijl zij rondkeek. Ik deed het beeldscherm aan. “En zo heb je toch uitzicht…” Een van de foto’s van de rand van het vliegveld vulde het beeld en vogelgeluiden vulden de ruimte. “Mooi…” zei ze zacht.
Ik raapte even wat moed bij elkaar en vroeg het. “Mar… Hoe staat het nu tussen jou en Roel? We zagen jullie dinsdagavond nogal ernstig praten in de hal van het zwembad…” Ze draaide zich naar me toe en tot mijn verwondering bloosde ze niet. “Roel baalde ervan dat ik stopte bij zijn clubje. Hij zei letterlijk: ‘Mariëlle, jij bent een groot talent. Als er hier een scout staat van een grote sportvereniging, ben je in no time weg en zwem je over een jaar in de Nederlandse top. Waarom laat je dat schieten?’ En toen heb ik hem rechtstreeks de reden verteld. Dat ik hem op een andere manier wilde leren kennen. Geen ‘trainer-pupil-verhouding’, geen ‘zes-ogen-gesprekken’ meer, maar twee volwassen mensen die misschien iets voor elkaar voelen. En daarna was hij een paar seconden stil en zei: ‘Mag ik hier even over denken, Mar? Dit komt nogal bij me binnen.’ Ik heb hem de tijd gegeven tot volgende week zaterdag. Uiterlijk dan wil ik weten hoe hij…” Ze zweeg even en keek me toen aan. “Ik ben bloednerveus, Gon.”
“Snap ik, schat. En je hebt het jezelf moeilijk gemaakt door hem wel érg veel tijd te geven.” Ik keek haar strak aan. “Maar dinsdag gaan wij gewoon zwemmen. Als hij heeft nagedacht, komt hij wellicht dan al met zijn antwoord.” En een beetje gemeen voegde ik er aan toe: “Dan lig jij in het water tenminste te prakkiseren en kan ik tenminste een keertje rustig aan doen, in plaats van me het snot voor de ogen te zwemmen…” Ze zuchtte. “Soms ben je gewoon een kreng, Gon Peters.” Ik knikte. “Ga maar eens met Frank praten. Op sommige momenten zal hij het roerend met je eens zijn. Op andere momenten echter…” Ik wees op het bed en Mariëlle trok haar neus op. “Laat maar. Sommige details hoef ik niet te weten.” We grinnikten samen. “Kom, naar boven. De koffie zal wel klaar zijn en er moet nog wat spul uitgepakt worden, geloof ik.” Ik pakte haar arm. “En Mar: Dank voor je vertrouwen. Dit gesprekje blijft onder ons. Krijgt zelfs Frank niet te weten.” Ze knikte. “Merci.”
Eenmaal boven zei ik simpel: “Mariëlle moest even weten waar wat heen moest.” Er kwam geen gemeen commentaar. Tijdens de koffie verdeelden we het werk: eerst de grote spullen uit de bus naar binnen, dan konden Rick, Cora, Annet en Hans de bus wegbrengen. Dat was een kwestie van bij de verhuurder op het terrein zetten en de sleutel in een safe gooien. Daarna konden zij doorrijden naar het zuiden. Frank, Mar en ik konden beide auto’s leeghalen met nog wat klein spul. Het uur wat volgde was even aanpoten: met name de delen van mijn bed kostten wat moeite om beneden te krijgen, maar met voorzichtig manoeuvreren lukte dat nét.
“Die Duitsers hadden blijkbaar niet van die ruime bedden, Gon.” Annet zei het met een knipoog. “Ja… En daardoor verloren ze waarschijnlijk de oorlog, de sukkels. Als ze meer tijd in bed hadden doorgebracht in plaats van achter een kanon, had de wereld er waarschijnlijk een stuk beter uitgezien.” Cora vulde droogjes aan: “Tja… de leus ‘Make love, no war!’ bestond in die tijd nog niet. Of ze spraken geen Engels, dat kan ook.” Hoe dan ook: een uur later was de bus leeg en gingen de ‘Zuiderlingen’ vertrekken. Ik knuffelde Rick innig. “Hé broertje… Morgen staan we op een vliegveld, met natuurlijk weer allerlei hitsige brandweerlui achter ons… Dan ga ik je niet zo uitgebreid zoenen, schat. Wees voorzichtig, daar in Afrika!” Hij knikte. “Doe ik, zus. Dank je wel voor die mooie foto. En geniet hier van de omgeving, en van je vent.” Ik knikte en trok hem en Annet naar me toe. “Ik zal jullie missen, lieve zusjes”, hoorden we zachtjes. Ik keek Cora aan. “Hé, jij daar, met die bruine krullen! Jij hoort er ook bij, hoor!” Ze kwam in de kring en even stonden we zo. Toen lieten we elkaar los. “Húp, instappen jullie. Coor en jij hebben vanavond waarschijnlijk heel veel tijd nodig om afscheid te nemen.” Ik knipoogde.
Toen ze weg waren gereden gingen wij nog even verder: mijn Golf en Frank z’n Volvo moesten ook nog uitgeladen worden. En rond half acht was dat ook gebeurd en stond of lag de nieuwe inventaris in ieder geval in de ruimte waar het hoorde. “Héhé… Wat een gedoe, zo’n verhuizing. Moet je niet te vaak doen!” Frank keek om zich heen en ik knuffelde hem. “Was ik ook niet van plan, mooie vent.” Hij trok me kort tegen zich aan. “Ik hoop dat je je hier thuis voelt, Gon.” “Daar ben ik niet zo bang voor. En nu even wat prozaïsch: eten! Ik stel voor dat we wat simpels opentrekken. Uitgebreid koken zie ik nu even niet meer zo zitten.” Inventarisatie van de provisiekast leverde een blik groentesoep op. Een krop sla erbij… en in de vriezer ligt nog een pak ‘Ben & Jerry-ijs’. Altijd lekker als dessert! Ik ging aan de slag: de soep op een kleine gaspit, een steelpan ernaast met twee eieren er in, ik waste de sla en maakte de dressing. En ondertussen waren Mariëlle en Frank zachtjes met elkaar in gesprek. Ik ving af en toe wat flarden op; het ging over badmeester Roel. Ik bemoeide me er expres niet mee. Misschien dat Mar opener was tegen Frank dan tegen mij. Prima. Ik had al lang in de gaten dat ze behoorlijk tegen hem opzag. Met de soep kokend, dekte ik de tafel.
“Mevrouw… Meneer: dinner is served.” We lieten Mariëlle bidden voor het eten; dat was ze thuis gewend. Prima. En tijdens het eten was de conversatie luchtig: over de verhuizing, over het werk, over Rick… Na het ten wasten we met z’n drieën af en daarna gaf Mariëlle aan dat ze naar huis ging. “Jullie hebben hier nog genoeg te doen, schat ik…”, zei ze met een klein glimlachje. Toen ze weggereden was liepen we weer naar binnen. “Zo, dame. Welkom in ons huis”, zei Frank. “En dat méén ik: óns huis. Ik hoop van harte dat je het ook zo beschouwd, Gon.” Ik knikte, legde daarna mijn hoofd tegen zijn schouder. “Graag, Frank. Het zal nog even wennen worden, maar ik denk dat ik het hier prima naar m’n zin zal hebben. Niet bang zijn dat ik vereenzaam hier.” Hij knikte kort. “En mocht dat wel het geval zijn: meteen aan de bel trekken, lieverd. Dan nemen we maatregelen. Beloofd.” Ik knikte ook. “Lief.” Ik kuste hem. “Toen je me over de drempel droeg… Ik was bijna gaan janken, schat.” “Ik ook. Een héél speciaal moment.” Hij keek op zijn horloge. “Schat, het is nog vrij vroeg, maar ik ben stiekem best wel moe. Gaan we naar beneden?” Ik schudde mijn hoofd. “Even wachten nog, Frank. Even in de tuin staan en de stilte en de rust op me in laten werken. Genieten.” “Oké. Goed plan.”
We liepen hand in hand de tuin in en gingen op de bank zitten. Het was bijna donker; aan de westelijke hemel was het nog een beetje licht, hier onder de bomen was de duisternis al ingetreden. Een uil maakte zich kenbaar: een zacht ‘oehoe’ klonk af en toe door het bos. Frank wees boven ons: een paar vleermuizen waren op jacht; tegen het weinige licht wat er nog een de hemel was zag je ze vliegen, soms haakse bochten makend, op jacht naar een laat insect. Wat geritsel in de struiken… Misschien een egeltje wat rondscharrelde? “Heerlijk, Frank… Dank je wel dat ik hier mag komen wonen.” Ik stond op, trok hem overeind en tegen me aan. En ik kuste hem zachtjes. Hij streelde mijn haren en toen ik de kus verbrak zei hij: “Ik vind het heerlijk dat jij hier nu ook woont, Gon. Ik hoop dat je je niet eenzaam gaat voelen als ik er ’s nachts niet ben.” Ik giechelde. “Daar hebben we toch maatregelen voor? Jij een panty en foto’s van mij mee naar Duitsland, ik trek wel een gedragen T-shirt van jou uit de wasmand. Samen met een opgeladen vibrator kan dit meisje zich dan prima vermaken, hoor…” Hij trok me nog dichter tegen zich aan. “Rare Rooie… Kom, we gaan lekker naar bed. Morgen weer een stuk rijden. In Duitsland. Dan kan ik je laten voelen wat 180 kilometer per uur in een mooie Volvo is.”
We deden de buitendeur op slot en het licht in de kamer uit. “Zal ik je de trap af dragen naar mijn slaapkamer?” Ik schudde mijn hoofd. “Doe maar niet. Meneer Albert Speer heeft, bij het ontwerp van deze bunker, er waarschijnlijk te weinig rekening mee gehouden dat er ook een aanstaande bruid naar beneden gezeuld moest worden. De prutser.” Frank lachte. “Ja, dat is wel stom van hem geweest. Nou ja… Dan moet je maar zelf lopen. Ik hou je handje wel vast.” Tien minuten daarna lagen we in bed. “Lekker slapen, schoonheid.” “Welterusten, mooie vent. Morgenavond wil ik weer met je vrijen. Véél te lang geleden…” Ik voelde hem grinniken en daarna viel ik vrij snel in slaap…
De volgende ochtend waren we vroeg op. We ontbeten, op mijn verzoek, buiten. “Dat heb ik nog nooit gedaan, Gon”, was Franks’ reactie. “Tijd om het nú in te voeren, Frank. Het is heerlijk weer, de zon staat op het terras, dus waarom niet?” En toen we, na het ontbijt, het spul naar binnen brachten zei hij: “Je hebt gelijk, schat. Dit was heerlijk. Genieten van de rust, een prachtige vrouw tegenover me, een lekker ontbijtje… Gaan we vaker doen!” Ik had me ‘leuk’ aangekleed: een rode rok, witte blouse, lichtbruine panty en zwarte pumps. M’n gezicht een beetje opgemaakt. “Je moet toch wat leuks hebben om naar te kijken?” “Hmmm… Ik hoop dat al die verleidelijkheid me niet afleid als we met 170 over de Autobahn jagen.” Zijn ogen ‘scanden’ mij en ik lachte liefjes. “Dan rij ik toch? Dan kun jij lekker naar mij kijken… Ik hou m’n ogen wel op de weg, hoor.” Hij greep in zijn linker broekzak. “Oké, jij je zin. Ik ga genieten vandaag… Mijn knappe roodharige vriendin uit de kleren kijken.”
Ik grinnikte nu. “Ik geloof er niks van. Sommige kledingstukken, daar kijk je mij niet uit. Ik ken je langer dan vandaag, Frank Veenstra!” Ik tilde mijn rokje iets op. “Of zal ik m’n panty nú al uitdoen?” Hij bromde. “Je kent me inderdaad al veel te goed.” Ik kuste zijn neus. “Ja. En daar ben ik best blij mee. En vooruit, ik zal soepel zijn vandaag: misschien dat mijn rokje tijdens het rijden wat omhoog schuift. Dan kun jij lekker naar mijn sexy benen kijken.” Hij kuste terug. “Dáár ga ik je aan houden, mevrouw…” Even later reed ik de Volvo het smalle pad uit. “Zo. Op naar Flughafen Münster-Osnabrück. Nog even met een slakkegang over het Nederlandse wegennet, en daarna vol gas op de Autobahn!” De navigatie leidde me naar Apeldoorn en daar ging ik de A1 op, richting Deventer. En vervolgens langs Holten, Enschede en Gronau. Ik keek sip. De weg in Duitsland was geen ‘Autobahn’, maar een weg met drie rijstroken, waarvan de ene kant soms twee rijstroken had, en dan de andere kant. Maximum snelheid: 100. En bij Steinfurt leidde de dame in het dashboard me zelfs van die weg af en reden we een 80, soms 100 km binnendoorweg richting vliegveld.
Ik mopperde. “Verdorie, we rijden al drie kwartier in Duitsland en ik heb nog geen Autobahn gezien. Wát een deceptie.” Naast me klonk gegrinnik. “Ik heb de navigatie expres zo ingesteld, schat. Kan ik langer van je genieten…” “Je liegt dat je zwart ziet, meneer Veenstra. Ik zal de navigatie op de terugweg zelf wel instellen. Ik wil hoe dan ook vandaag een stuk Autobahn rijden!” Plagend zei Frank: “Dan hoop ik voor je dat op dat stuk geen Baustelle is, mevrouw. Want dan mag je hooguit 70 rijden, soms zelfs maar 50.” “Pestkop!”, snauwde ik. “Jij weet de lol van een meisje ook altijd te verzieken!” “Nou… Soms ook niet hoor. Ik weet nog van momenten dat het meisje in kwestie dusdanig veel ‘lol’ had, dat ze nogal hevig lag te gillen.”
Ik haalde een citaat van Mark Rutte uit de kast. “Daar heb ik geen actieve herinnering meer aan.” Een nogal wantrouwend uitgesproken “Jaja…” was Franks reactie. Om half twaalf reden we het parkeerterrein van het vliegveld op. Het was even zoeken, maar uiteindelijk kon ik achter het gebouw van de ‘Flughafen Feuerwehr’ parkeren. We zagen de Tiguan van Gien staan. “Dan zal onze bushpiloot al wel binnen zijn”, zei Frank. “Die moet z’n briefing natuurlijk doen.” We liepen een deur binnen en jawel: Gien, Henk en Cora zaten al aan de koffie. “Hallo allemaal!” Frank maakte ons in vloeiend Duits bekend aan een meneer die achter een balie stond en die knikte. “Aha… Die Familie von Herr Peters? Möchten Sie auch Kaffee?” Dat sloegen we niet af en er kwam ook een stuk gebak bij. “Ik denk dat ik ook bij de MAF ga vliegen, Ma. Prima secundaire arbeidsvoorwaarden!” Gien keek sceptisch. “Weet jij nog van een paar keer doorstarten op Terlet? Toen jouw zusje de inhoud van haar maag te zien kreeg?” Ik keek op. Verrek…”Waar hebben jullie An en Hans gelaten, trouwens?” “Bij Nedcar. An werd om half acht opgebeld of ze als de weerlicht kon komen. Ze zijn in de auto gesprongen, naar ons gereden, hebben thuis afscheid van Rick genomen en toen door naar Nedcar. Jammer, maar soms zit het mee, soms zit het tegen.” Henk zei rustig: “Dát is een van de nadelen van haar huidige positie: ze moet in feite 24/7 klaar staan, Gon. En ja, daar verdient ze een prachtig salaris mee, maar je moet zaken wel goed kunnen managen. Niet iedereen kan die druk aan.” Ik knikte langzaam. Ja… dat zijn de consequenties van een hoge functie in een groot bedrijf. Da’s iets anders dan het administratieve werk wat ik deed. Frank zag me denken en trok een wenkbrauw op. Ik reageerde er niet op; kwam op de terugweg wel.
Even later kwam Rick binnen. Stoer, in een net uniform mét jasje en stropdas. En een volle aktentas bij zich. “Lieve mensen, ik ga zo m’n préfightcheck doen, daarna ben ik druk bezig. Ik wil hier afscheid van jullie nemen. Buiten wordt me dat iets té publiek; ik heb 8 passagiers bij me, die staan al gereed om in te stappen…” Gien omarmde hem en kuste hem, Henk gaf hem een stevige hand, net als Frank. Ik sloeg mijn armen om hem heen. “Wees voorzichtig, Rickie. We willen je heel terugzien.” Hij kuste me. “Weet ik, schat. Have fun in Schaarsbergen.” Ik liet hem los. Cora was de laatste om hem te omhelzen. Dat duurde even. Logisch… Toen ze elkaar loslieten had Cora een zakdoekje nodig en ook Rick moest zijn ogen even uitspoelen bij een gootsteentje. Toen hij zich had afgedroogd waren de emoties ook weg en stond daar… Ja! Daar stond een piloot die zich nu focuste op zijn werk. “Tot over vier maanden, mensen.”
Hij opende de deur naar het platform en daar stond zijn ‘kist’: een éénmotorig, snel uitziend toestel met lage vleugels en een T-staart. “Pilatus PC-12” hoorde ik Henk tegen Gien zeggen. Rick liep het vliegtuig in om er even later zonder tas weer uit te komen. Hij liep zijn inspectierondje: hier even voelen, daar iets bekijken, ginds aan iets trekken of juist indrukken… Toen liep hij weer naar het trapje, draaide zich naar ons om en gaf met een brede grijns een ‘thumbs up’. Daarna verdween hij in de cockpit. Door het zijraampje konden we hem goed zien: Net als in de Antonov was hij druk bezig met knopjes en schakelaars. Zijn passagiers stapten in; 5 heren, 3 dames. De deur ging dicht en de blokken werden bij de wielen vandaan getrokken. Daarna gebeurde er even niets.
Toen: gesis, wat even later over ging in gegier. De propellor begon te draaien en het gegier ging over in laag gedreun. Een heel ander geluid dan de Antonov! Navigatielichten gingen aan, een lamp boven en onder de romp begon te flitsen en even later veranderde het geluid van de propellor. Even veerde het vliegtuig met de neus omlaag, toen zwaaide Rick naar ons en taxiede hij weg. Het ging allemaal wat geavanceerder dan bij de Antonov. Hij draaide de taxibaan op, reed een stuk evenwijdig met de startbaan en draaide toen weer, gereed om de startbaan op te rijden. Een ander vliegtuig landde, en toen die van de baan af was, draaide Rick z’n kist de startbaan op, stond even stil en toen toerde de motor op. Het geluid was nu een diepe dreun. De neus wipte weer iets omlaag toen de remmen losgingen en met een forse acceleratie reed Rick de startbaan over, om even later los te komen en steil weg te klimmen. Geen ‘rondje om de verkeerstoren’, dat kon hier niet; elke minuut telde op een commercieel vliegveld. Toen het vliegtuig niet meer zichtbaar was, liepen we naar binnen. Coor en Gien met wat rode ogen. Eerlijk zijn Gon: jij voelt je ogen ook branden!
Ik trok Cora naar me toe. “Hé schat, als jij eens wilt uitjanken of gewoon dom lol maken: Weet dat je in Schaarsbergen terecht kan hé?” Ze knikte. “Weet ik, schat. En Annet had ook al zoiets gezegd.” “Nou, kom dan gewoon met z’n tweeën. Frank zou dan wel een dagje gaan vissen, heeft hij beloofd.” Coor schoot in de lach. “Frank vissen? Ik ving daar iets over op, vorige week. Sint Juttemis werd in diezelfde zin genoemd, geloof ik.” Ik haalde mijn schouders op. “Oké, dan gaat hij maar wat anders doen, maar hij gaat dan ruimte maken. Geen vent in huis als wij met z’n drieën zijn, schat. Lekker kwebbelen en giebelen met elkaar. Beloofd?” Ze knikte. “Goed zo. En nu weer naar je hondjes; die hebben je hard nodig. En anders Margriet wel.” Even later, na wat knuffels, reden Gien, Henk en Cora weg.
En ik keek Frank aan. “Als Coor en An naar Schaarsbergen komen… Wat ga jij dan doen, Frank?” “Als ze een nacht overblijven, slaap ik wel bij Mike. Dat heb ik vaker gedaan. Trekken we een krat bier open en is het ook gezellig, schat.” Ik knikte. “Goed zo. Dat zou zo maar eens binnenkort kunnen gebeuren. Coor zit even in een dip. Logisch als je net afscheid hebt genomen van je vriendje die weer vier maanden in Afrika rond gaat hangen.” Frank humde. “Ik zou ook behoorlijk depri zijn als jij vier maanden weg was, Gon. Cora de komende maanden goed in de gaten houden.” “Yep. Sowieso doet Annet dat wel, samen met Hans en Margriet heeft haar ogen ook niet in haar achterhoofd. Kom, we gaan, voordat die brandweerlui hun spuiten tevoorschijn halen. Ik zag ze net al kijken.” Frank schoot in de lach. “Ik zal ze wel even laten zien dat jij ‘bezet’ bent, mooie Rooie…” En in het volle zicht van het gebouw van de ‘Feuerwehr’ greep hij me onder mijn billen, tilde me iets op en gaf me een zoen, terwijl hij ronddraaide. Toen zette hij me weer neer.
“Zo. Die bergen hun spuiten nu zwaar teleurgesteld weer op. Je maagdelijkheid is veilig gesteld, schat.” Ik keek twijfelend. “Met jou in de buurt? Hahaha… Ik geloof er niks van, Pinokkio.” Lachend stapten we in de auto.
“Gon… Als je écht nog een stukje Autobahn wil rijden: van hieruit Autobahn 1 op richting Kreuz Lotte-Osnabrück. Daar de 30 op richting Amsterdam. En ja, dat is om, maar dan kun jij een stukje los gaan. Die paar liter benzine betaal je maar in natura.” Ik zuchtte. “Ja hoor. Het is weer zover. Wil je als vrouw iets leuks doen, moet je weer met de benen wijd om meneer te betalen. ’t Is altijd hetzelfde liedje, verdorie.” In Frank z’n mondhoek zag ik weer dat lachje. “Wát? Jij grijnst gemeen, meneer Veenstra! Vertel, waar denk jij aan?” Hij trok me tegen zich aan. “Volgens mij heb jij een paar jaar in een wereld geleefd waarin het precies andersom was, schatje. De heren betaalden eerst, en dán pas gingen jouw benen open…” Ik keek hem boos aan. “Jij bent een heel gemene vent. Mij herinneren aan mijn erotische werkverleden… En het irritante is: je hebt nog gelijk ook.” Ik begon de route in te kloppen en even later vertelde de navigatiemevrouw dat de route berekend was. “Mooi. Riemen vast, voor de streep geen staanplaatsen en niet spreken met de bestuurster.” “Spreken niet, kijken wel…” hoorde ik naast me en mijn rokje werd omhoog geschoven. Ik zuchtte. “Frank Veenstra: zo dadelijk moeten we een vrachtwagen inhalen, de chauffeur kijkt naar links, ziet mijn volmaakte bovenbenen en raakt dusdanig van de leg dat hij de vangrail in duikt. Met 30 ton aan bier in zijn laadbak. Heel Duitsland in een biercrisis doordat meneer Veenstra zich wilde verlustigen aan mijn mooie dijen.” “Jij hebt een nogal levendige fantasie, mevrouw Peters…” “Ja”, snauwde ik. “Zeker in bed. Op de Autobahn iets minder. En nu even ophouden met flauwekul; het is hier best druk en ik zou het fijn vinden om deze auto heel in Schaarsbergen te kunnen parkeren.”
Via de ‘Airportallee’ reden we richting snelweg. Over de snelweg heen, rechtsaf en ik gaf gas. Niet voor lang; de bocht richting Autobahn was zo’n typisch Duitse bocht met een kleine radius. Ik moest behoorlijk afremmen! “Shit… Duitsland is groot zat. Waarom die krappe bochten?” “Om te voorkomen dat die ‘Blöde Holländer’ met 120 de snelweg op komen jagen, schat… Maar volgens mij mag je hier los gaan, dus…” Ik keek in de spiegels, zwenkte naar de linkerbaan en trapte het gaspedaal helemaal omlaag. Even voelde ik de auto aarzelen, toen schakelde de automaat twee versnellingen terug en kregen we een duw in de rug. De snelheidsmeter liep snel op, de toerenteller ook. Totdat… de snelheidsmeter 186 aangaf. Sneller ging het niet. En voor sommige mede-weggebruikers was dat duidelijk niet snel genoeg; af en toe zag ik in de spiegels een andere auto snel dichterbij komen en moest ik naar de rechterbaan. En werden we ingehaald door een Audi, BMW en zelfs een keer een Porsche. Ik mopperde. “Wat een onzin, die snelheidsbegrenzing. Kleutermentaliteit van Volvo.” Frank grinnikte. “Bij de benzinepomp ben je blij met die kleutermentaliteit. Als je nu écht vol gas zou gaan, zie je verbruiksmeter zo ongeveer buiten de schaal vliegen. Nu blijft hij beschaafd ongeveer 8,5 liter per 100 kilometer aangeven. 1 op 12 zeg maar.” Ik bromde: “Jouw auto. Jij tankt.”
“Dan rekenen we vanavond wel even af, schoonheid…” klonk er onheilspellend naast me. “Ik denk dat ik Gonnie uit 5 VWO…” “Niks ervan! Dat meisje is nog lang geen 18 en heeft niet eens een rijbewijs! Je laat dat onschuldige wicht maar met rust, Frank Veenstra!” Even verderop, bij het klaverblad nam ik de afslag richting ‘Amsterdam’ een stuk rustiger. En op de Autobahn zette ik de cruisecontrol op 130. “Hard zat Frank. Geen zin om te jagen en dan tóch nog ingehaald te worden door zo’n ‘Blöde Hollander’ die de laatste kilometers in Duitsland nog even z’n mannelijkheid wil bewijzen.” Ik kreeg een goedkeurend klopje op mijn rechterbeen. “Keurig, mevrouw Peters.” En ja, af en toe moest ik tóch naar de linkerbaan om een vrachtwagen in te halen. En tijdens zo’n manoeuvre, ik moest acht of negen vrachtwagens inhalen die als konvooi reden, met een meter of tien tussenruimte, doemde er in de verte een snelle auto achter me op. Ik reed al lang en breed op de linkerbaan toen hij met een bloedgang dichterbij kwam. Zijn groot licht flitste een paar keren, maar ik was niet van plan een vrachtwagenchauffeur de schrik van z’n leven te bezorgen door vlak voor hem in te voegen en op de rem te stampen. De auto achter me, een Nederlander natuurlijk, had dat blijkbaar wél verwacht; hij remde pas op het allerlaatste moment en dat produceerde nogal wat rookwolken. “Wát een…” Verder kwam ik niet; een claxon dreunde onophoudelijk achter me en de man seinde onophoudelijk met zijn grote licht terwijl hij op nog geen twee meter achter ons bleef rijden. Frank keek achterom. “Nou, daar heb je zo’n type, Gon. Gewoon dezelfde snelheid aanhouden; je rijdt écht wel door, ook al vindt meneer van niet. Niét tussen die vrachtwagens in duiken. Vinden ze niet leuk.” “Ik kijk wel uit”, snauwde ik bijna. “Wij in de kreukels en meneer kan nog even doorscheuren? Nog niet misschien.”
Na zeker een dikke minuut, wat natuurlijk een enorme tijd was, waren we het ‘konvooi’ voorbij, deed ik m’n richtingaanwijzer aan en ging rustig naar rechts. De auto, een dikke Mazda, kwam al toeterend langszij en ik kreeg een opgestoken middelvinger van een man van middelbare leeftijd. “Ja, dat zou hij wel willen, Gon…” Ik schoot in de lach, zwaaide lief terug en keek toen weer voor me. “Hou je voet boven de rem… Het zou me niks…” Frank z’n waarschuwing kwam nét op tijd. De Mazda zwiepte naar de rechterbaan en meneer deed een ‘brake-check’. De elektronica van de Volvo reageerde eerder dan ik; de auto remde hard en de ABS deed ook even mee. Daarna scheurde de Mazda er vandoor. “Die gaat een probleem krijgen, schat. Dit geintje, inclusief zijn ‘kleven’ staat op camera.” Frank z’n stem klonk woedend. “Camera?” “Ja. Voor en achter heb ik een dashcam. Ik vraag me alleen af of een verkeersovertreding in Duitsland in Nederland bestraft kan worden…” Hij zat duidelijk te peinzen. “Martin kan waarschijnlijk wel dat nummerbord aan een eigenaar linken. Die krijgt dan een aardig mailtje van mij, in afschrift aan zijn verzekerings-maatschappij…”
Hij keek me aan. “Wil je even stoppen om af te koelen? Vijf kilometer verder is een Raststätte.” Ik humde. “Het enige wat hier af moet koelen zijn je remschijven, Frank. Potdorie… Ik had m’n voet nét boven de rem, gaat dat ding vanzelf in de ho-ijzers. Ik schok me wild. Maar die Raststätte is wel een goed idee; niet dat die Duitse koffie nou zo lekker is, maar hun gebak wél.” Dus reed ik even later een groot parkeerterrein op.
Voorbij de truckersparkeerplaatsen… “Wat zullen we nou beleven?” Ik ontplofte bijna en wees. “Als je het nou over discriminatie hebt, verdorie…” De eerste twee parkeervakken bij de ingang van het restaurant waren voorzien van de tekst ‘Frauenparkplatz’. “Denken de Duitsers dat een vrouw niet kan parkeren of zo? Zijn ze helemaal belazerd…” Ik reed door en zette de auto een aantal plaatsen verderop neer. Frank grijnsde, toen we uitstapten. “Kijk eens aan de overkant, schat…” Daar stond een ondertussen bekende Mazda, de bestuurder er in, hevig telefonerend. “Die ga ik even iets over zijn familie vertellen, schat.” Ik keek zuinig. “Zou je dat wel doen? Wie weet gaat hij knokken…” Frank keek nu grimmig. “Judo.” We liepen samen naar de Mazda en Frank tikte op het raampje. Dat ging open. “Ja?” Een nogal corpulente vent van middelbare leeftijd keek op. Papieren op schoot met een groot logo van een technische groothandel. “Goedemiddag. Wij willen u even aanspreken op uw rijgedrag en uw omgangsvormen in het algemeen. Wij zijn de inzittenden van die Volvo die zo vreselijk irritant langzaam die vrachtwagens inhaalde.” Hij schrok nogal, maar probeerde er zich met een grote mond uit te kletsen. “Jullie reden op de Autobahn. Daar zijn geen snelheidsbeperkingen. En ik had haast. Dus je moet maar opschieten. Langzaam rijden doe je maar op een boerenlandweg.” Frank wees op zijn papieren. “Is dat bedrijf waar u werkt?” De man snauwde. “Ja. Ik ben vertegenwoordiger. Zit veel op de weg, van de ene klant naar de andere. En als er dan zo’n slome muts voor me rijdt…”
Ik deed een stap naar voren en snauwde: “U had het over mij? Eerst kleven, dan de middelvinger opsteken in het voorbijgaan om vervolgens een brake check te doen? Ik heb nieuws voor u: zowel uw kleef-actie als uw brake check staan op camera. Met uw nummerplaat nogal duidelijk zichtbaar. En te zien aan uw kentekenplaathouder rijdt u in een leaseauto. Ik ga uw firma én de leasemaatschappij even inlichten over uw rijstijl. Inclusief die filmpjes. Als u dit in Nederland geflikt had, had u bovendien de politie op bezoek ge…” Verder praten had geen zin; het raampje ging dicht, hij startte de auto en reed weg. Nog nét niet met piepende banden. Frank grinnikte. “Wat ben jij een gemene troela…” Ik snoof. “Ja. En een slome muts. Die nu zin heeft in een bakje Duitse Cappuccino mit Apfelstrudel oder so etwas. Tóch even afkoelen, Frank.” Hij bleef grinniken, pakte me onder de arm en leidde me naar de ingang van het restaurant. “Kom, mooie slome…” Verder kwam hij niet. “Fránk!” Hij hief zijn handen op. “Oké, oké… ik wist niet dat je kwaad werd…”
Even later zaten we achter de koffie en een groot stuk gebak. Ik was nog steeds opgefokt en dat zag Frank. Hij legde een hand op die van mij. “Hé… Ontspan Gon. Druk maken is werk voor compressors. Pak je telefoon en zoek het bedrijf maar even op waar meneer werkt. En z’n leasemaatschappij. Dan haal ik thuis die filmpjes van de SD-kaart van beide camera’s, jij schrijft een beleefd briefje, we doen die filmpjes erbij en sturen de handel op. Waarschijnlijk krijgen we een automatisch gegenereerd bedankmaitje terug en horen verder niets meer, maar wellicht wordt meneer op één of ander matje geroepen. Als het bedrijf is met fatsoen, doen ze dat. En nu: geniet van je koffie en je taart, taart.”
Ik pakte mijn telefoon en zocht even later naar de naam van het bedrijf. Gelukkig: niet al te groot, slechts één vestiging in Almelo. En een ‘wie is wie’ met functies en namen… Kijk, altijd handig! Onder het kopje vertegenwoordigers zes foto’s. Waaronder de foto van onze vriend: hoofdvertegenwoordiger Duitsland, de heer Mark Folisch. Ik liet de foto aan Frank zien. “Dit is ‘m geloof ik.” Hij knikte. “Bingo, schat. Nu die telefoon weg en je koffie. En taart. En volgens mij is het slimmer dat ik zo dadelijk het stuur weer in handen neem. Of zie ik dat verkeerd?” Ik zuchtte. “Ja, rij jij maar verder. Met deze slome muts achter het stuur schiet het toch niet op.” Een brede grijns trok over zijn gezicht. “Zelfkennis is het begin van de ware wijsheid. Goed bezig, schatje.”
Een kwartier later reden we verder met Frank achter het stuur. Ik kon me ontspannen. Stoel achterover, muziekje aan... Ik werd wakker toen Frank een lange bocht naar links maakte; mijn hoofd gleed van de hoofdsteun af, tegen het portier aan. Even kijken en me oriënteren… Geen flauw idee. “We zijn nét voorbij Zwolle, Gon. Rijden vanuit de A28 de A50 op.” Aha… Nog een half uur, dan zouden we thuis zijn. ‘Thuis’… Ja, dat was nu in Schaarsbergen! Lekker… Ik trok mijn benen wat op en mijn rokje omlaag. Dat was behoorlijk omhoog gekropen. “En… Heb je genoten van het uitzicht, meneer Veenstra?” Hij wist meteen wat ik bedoelde. “Zeker weten, mevrouw Peters. En de vrachtwagenchauffeurs die we inhaalden ook.” Ik haalde mijn schouders op. “Dan hebben die ook een leuk momentje gehad vandaag. Kost niks, levert veel op.”
Zonder verder veel te kletsen reden we verder en 35 minuten daarna reden we de Koningsweg op. “Nog boodschappen nodig, schat?” Frank schudde zijn hoofd. “We hebben nog 4 liter melk, koffie en suiker zijn ook nog op peil en ik wilde vandaag simpel eten: ik heb van de week shoarma ingeslagen. En broodjes. Geen zin om lang in de keuken te staan, vanavond.” Ik stak een duim op. “En zo dadelijk lekker in de tuin zitten, Frank. Genieten. Misschien doe ik m’n bikini wel aan: een uurtje in de zon liggen.” Hij fronste even. “Kijk je uit dat je niet verbrand, Gon? Met jouw lichte huid…” Ik knikte. “Ik heb altijd zonnebrandcrème in huis. Factor 200, oftewel vloeibaar frituurvet. Maar: als blijk van waardering voor je bezorgdheid mag je me zo dadelijk insmeren.”
Hij draaide de rolbaan op en merkte op: “Wist je dat een panty ook een heel goed middel is tegen zonnebrand? Onder jouw bikini zou dat trouwens ook heel charmant staan.”
Ik zei niets, keek hem alleen maar minachtend aan…
“Jij bent goed bezig, Hans. Ik zal me inhouden als jij je bruid over de drempel draagt.” Ik knipoogde naar hem. Frank maakte nu koffie en we moesten de conversatie even staken: zijn koffiemachine was wat langer bezig om de koffiebonen te verpletteren. Ik nam Mariëlle ondertussen even mee door het huis. Met de begane grond waren we snel klaar, toen liepen we de tuin in. “Heerlijk, die rust hier. Bij ons hoor je altijd de snelweg wel.” “Da’s hier ook zo, Mariël. Alleen ’s avonds laat als de vogels stil zijn en de wolven niet huilen. Dan hoor je een zacht gezoem op de achtergrond: de A50.”
“Wólven? Zitten hier wolven?” Ze schrok duidelijk. “Volgens Frank zit er een roedel op de Hoge Veluwe, hier een kilometer of vier vandaan. Maar die hebben we nog niet gezien. De kans dat je wilde zwijnen tegenkomt is groter. Die zitten hier overal. Vandaar dat hij geen moestuintje heeft; dat zou in no time opgevreten zijn.” Ze lachte. “Ja, daar zijn die beesten heel goed in. Een oom van mij woont in Otterloo. Zijn hele tuin vorig jaar omgeploegd door zwijnen.” Ze draaide zich toen om. “Mooi huis, Gon in een prachtige omgeving. Maar…”
Ze zweeg en werd een beetje rood. “Je wilt onze slaapkamer zien? Kom maar mee, de koffie is toch nog niet klaar.” We liepen weer naar binnen. “Frank, ik laat Mariël beneden even zien, oké?” Hij knikte. “Komt u maar, mevrouw. Op de trap een beetje bukken, jij bent iets langer dan ik.” We liepen omlaag en beneden zei ze: “Alle moppen… Hoe diep zitten we nu onder de grond?” “Het plafond hier zit op vijf meter diepte, dus de vloer op bijna zeven meter. Bestand tegen een forse Engelse vliegtuigbom, volgens Frank.” We liepen langs het ‘werkplaatsje’, nu ook voller door mijn spulletjes, de voorraadruimte, “Die is ook straks nogal vol” en uiteindelijk opende ik de deur van de slaapkamer. “En hier brengen Frank en ik meestal de nacht door.”
Ze keek rond en zei toen: “Je zei ‘meestal’. En de andere nachten, Gon?” Ik keek ondeugend. “Op de bank in de woonkamer… De doucheruimte… Buiten hebben we het nog niet gedaan, maar dat lijkt me ook wel romantisch. Als die wilde zwijnen tenminste niet op komen dagen en een romantisch momentje verzieken met hun geknor.” Ze trok haar neus op. “Laat maar. Dat soort details…” “Hé, je vroeg er zelf naar, jongedame!” Even was het stil, terwijl zij rondkeek. Ik deed het beeldscherm aan. “En zo heb je toch uitzicht…” Een van de foto’s van de rand van het vliegveld vulde het beeld en vogelgeluiden vulden de ruimte. “Mooi…” zei ze zacht.
Ik raapte even wat moed bij elkaar en vroeg het. “Mar… Hoe staat het nu tussen jou en Roel? We zagen jullie dinsdagavond nogal ernstig praten in de hal van het zwembad…” Ze draaide zich naar me toe en tot mijn verwondering bloosde ze niet. “Roel baalde ervan dat ik stopte bij zijn clubje. Hij zei letterlijk: ‘Mariëlle, jij bent een groot talent. Als er hier een scout staat van een grote sportvereniging, ben je in no time weg en zwem je over een jaar in de Nederlandse top. Waarom laat je dat schieten?’ En toen heb ik hem rechtstreeks de reden verteld. Dat ik hem op een andere manier wilde leren kennen. Geen ‘trainer-pupil-verhouding’, geen ‘zes-ogen-gesprekken’ meer, maar twee volwassen mensen die misschien iets voor elkaar voelen. En daarna was hij een paar seconden stil en zei: ‘Mag ik hier even over denken, Mar? Dit komt nogal bij me binnen.’ Ik heb hem de tijd gegeven tot volgende week zaterdag. Uiterlijk dan wil ik weten hoe hij…” Ze zweeg even en keek me toen aan. “Ik ben bloednerveus, Gon.”
“Snap ik, schat. En je hebt het jezelf moeilijk gemaakt door hem wel érg veel tijd te geven.” Ik keek haar strak aan. “Maar dinsdag gaan wij gewoon zwemmen. Als hij heeft nagedacht, komt hij wellicht dan al met zijn antwoord.” En een beetje gemeen voegde ik er aan toe: “Dan lig jij in het water tenminste te prakkiseren en kan ik tenminste een keertje rustig aan doen, in plaats van me het snot voor de ogen te zwemmen…” Ze zuchtte. “Soms ben je gewoon een kreng, Gon Peters.” Ik knikte. “Ga maar eens met Frank praten. Op sommige momenten zal hij het roerend met je eens zijn. Op andere momenten echter…” Ik wees op het bed en Mariëlle trok haar neus op. “Laat maar. Sommige details hoef ik niet te weten.” We grinnikten samen. “Kom, naar boven. De koffie zal wel klaar zijn en er moet nog wat spul uitgepakt worden, geloof ik.” Ik pakte haar arm. “En Mar: Dank voor je vertrouwen. Dit gesprekje blijft onder ons. Krijgt zelfs Frank niet te weten.” Ze knikte. “Merci.”
Eenmaal boven zei ik simpel: “Mariëlle moest even weten waar wat heen moest.” Er kwam geen gemeen commentaar. Tijdens de koffie verdeelden we het werk: eerst de grote spullen uit de bus naar binnen, dan konden Rick, Cora, Annet en Hans de bus wegbrengen. Dat was een kwestie van bij de verhuurder op het terrein zetten en de sleutel in een safe gooien. Daarna konden zij doorrijden naar het zuiden. Frank, Mar en ik konden beide auto’s leeghalen met nog wat klein spul. Het uur wat volgde was even aanpoten: met name de delen van mijn bed kostten wat moeite om beneden te krijgen, maar met voorzichtig manoeuvreren lukte dat nét.
“Die Duitsers hadden blijkbaar niet van die ruime bedden, Gon.” Annet zei het met een knipoog. “Ja… En daardoor verloren ze waarschijnlijk de oorlog, de sukkels. Als ze meer tijd in bed hadden doorgebracht in plaats van achter een kanon, had de wereld er waarschijnlijk een stuk beter uitgezien.” Cora vulde droogjes aan: “Tja… de leus ‘Make love, no war!’ bestond in die tijd nog niet. Of ze spraken geen Engels, dat kan ook.” Hoe dan ook: een uur later was de bus leeg en gingen de ‘Zuiderlingen’ vertrekken. Ik knuffelde Rick innig. “Hé broertje… Morgen staan we op een vliegveld, met natuurlijk weer allerlei hitsige brandweerlui achter ons… Dan ga ik je niet zo uitgebreid zoenen, schat. Wees voorzichtig, daar in Afrika!” Hij knikte. “Doe ik, zus. Dank je wel voor die mooie foto. En geniet hier van de omgeving, en van je vent.” Ik knikte en trok hem en Annet naar me toe. “Ik zal jullie missen, lieve zusjes”, hoorden we zachtjes. Ik keek Cora aan. “Hé, jij daar, met die bruine krullen! Jij hoort er ook bij, hoor!” Ze kwam in de kring en even stonden we zo. Toen lieten we elkaar los. “Húp, instappen jullie. Coor en jij hebben vanavond waarschijnlijk heel veel tijd nodig om afscheid te nemen.” Ik knipoogde.
Toen ze weg waren gereden gingen wij nog even verder: mijn Golf en Frank z’n Volvo moesten ook nog uitgeladen worden. En rond half acht was dat ook gebeurd en stond of lag de nieuwe inventaris in ieder geval in de ruimte waar het hoorde. “Héhé… Wat een gedoe, zo’n verhuizing. Moet je niet te vaak doen!” Frank keek om zich heen en ik knuffelde hem. “Was ik ook niet van plan, mooie vent.” Hij trok me kort tegen zich aan. “Ik hoop dat je je hier thuis voelt, Gon.” “Daar ben ik niet zo bang voor. En nu even wat prozaïsch: eten! Ik stel voor dat we wat simpels opentrekken. Uitgebreid koken zie ik nu even niet meer zo zitten.” Inventarisatie van de provisiekast leverde een blik groentesoep op. Een krop sla erbij… en in de vriezer ligt nog een pak ‘Ben & Jerry-ijs’. Altijd lekker als dessert! Ik ging aan de slag: de soep op een kleine gaspit, een steelpan ernaast met twee eieren er in, ik waste de sla en maakte de dressing. En ondertussen waren Mariëlle en Frank zachtjes met elkaar in gesprek. Ik ving af en toe wat flarden op; het ging over badmeester Roel. Ik bemoeide me er expres niet mee. Misschien dat Mar opener was tegen Frank dan tegen mij. Prima. Ik had al lang in de gaten dat ze behoorlijk tegen hem opzag. Met de soep kokend, dekte ik de tafel.
“Mevrouw… Meneer: dinner is served.” We lieten Mariëlle bidden voor het eten; dat was ze thuis gewend. Prima. En tijdens het eten was de conversatie luchtig: over de verhuizing, over het werk, over Rick… Na het ten wasten we met z’n drieën af en daarna gaf Mariëlle aan dat ze naar huis ging. “Jullie hebben hier nog genoeg te doen, schat ik…”, zei ze met een klein glimlachje. Toen ze weggereden was liepen we weer naar binnen. “Zo, dame. Welkom in ons huis”, zei Frank. “En dat méén ik: óns huis. Ik hoop van harte dat je het ook zo beschouwd, Gon.” Ik knikte, legde daarna mijn hoofd tegen zijn schouder. “Graag, Frank. Het zal nog even wennen worden, maar ik denk dat ik het hier prima naar m’n zin zal hebben. Niet bang zijn dat ik vereenzaam hier.” Hij knikte kort. “En mocht dat wel het geval zijn: meteen aan de bel trekken, lieverd. Dan nemen we maatregelen. Beloofd.” Ik knikte ook. “Lief.” Ik kuste hem. “Toen je me over de drempel droeg… Ik was bijna gaan janken, schat.” “Ik ook. Een héél speciaal moment.” Hij keek op zijn horloge. “Schat, het is nog vrij vroeg, maar ik ben stiekem best wel moe. Gaan we naar beneden?” Ik schudde mijn hoofd. “Even wachten nog, Frank. Even in de tuin staan en de stilte en de rust op me in laten werken. Genieten.” “Oké. Goed plan.”
We liepen hand in hand de tuin in en gingen op de bank zitten. Het was bijna donker; aan de westelijke hemel was het nog een beetje licht, hier onder de bomen was de duisternis al ingetreden. Een uil maakte zich kenbaar: een zacht ‘oehoe’ klonk af en toe door het bos. Frank wees boven ons: een paar vleermuizen waren op jacht; tegen het weinige licht wat er nog een de hemel was zag je ze vliegen, soms haakse bochten makend, op jacht naar een laat insect. Wat geritsel in de struiken… Misschien een egeltje wat rondscharrelde? “Heerlijk, Frank… Dank je wel dat ik hier mag komen wonen.” Ik stond op, trok hem overeind en tegen me aan. En ik kuste hem zachtjes. Hij streelde mijn haren en toen ik de kus verbrak zei hij: “Ik vind het heerlijk dat jij hier nu ook woont, Gon. Ik hoop dat je je niet eenzaam gaat voelen als ik er ’s nachts niet ben.” Ik giechelde. “Daar hebben we toch maatregelen voor? Jij een panty en foto’s van mij mee naar Duitsland, ik trek wel een gedragen T-shirt van jou uit de wasmand. Samen met een opgeladen vibrator kan dit meisje zich dan prima vermaken, hoor…” Hij trok me nog dichter tegen zich aan. “Rare Rooie… Kom, we gaan lekker naar bed. Morgen weer een stuk rijden. In Duitsland. Dan kan ik je laten voelen wat 180 kilometer per uur in een mooie Volvo is.”
We deden de buitendeur op slot en het licht in de kamer uit. “Zal ik je de trap af dragen naar mijn slaapkamer?” Ik schudde mijn hoofd. “Doe maar niet. Meneer Albert Speer heeft, bij het ontwerp van deze bunker, er waarschijnlijk te weinig rekening mee gehouden dat er ook een aanstaande bruid naar beneden gezeuld moest worden. De prutser.” Frank lachte. “Ja, dat is wel stom van hem geweest. Nou ja… Dan moet je maar zelf lopen. Ik hou je handje wel vast.” Tien minuten daarna lagen we in bed. “Lekker slapen, schoonheid.” “Welterusten, mooie vent. Morgenavond wil ik weer met je vrijen. Véél te lang geleden…” Ik voelde hem grinniken en daarna viel ik vrij snel in slaap…
De volgende ochtend waren we vroeg op. We ontbeten, op mijn verzoek, buiten. “Dat heb ik nog nooit gedaan, Gon”, was Franks’ reactie. “Tijd om het nú in te voeren, Frank. Het is heerlijk weer, de zon staat op het terras, dus waarom niet?” En toen we, na het ontbijt, het spul naar binnen brachten zei hij: “Je hebt gelijk, schat. Dit was heerlijk. Genieten van de rust, een prachtige vrouw tegenover me, een lekker ontbijtje… Gaan we vaker doen!” Ik had me ‘leuk’ aangekleed: een rode rok, witte blouse, lichtbruine panty en zwarte pumps. M’n gezicht een beetje opgemaakt. “Je moet toch wat leuks hebben om naar te kijken?” “Hmmm… Ik hoop dat al die verleidelijkheid me niet afleid als we met 170 over de Autobahn jagen.” Zijn ogen ‘scanden’ mij en ik lachte liefjes. “Dan rij ik toch? Dan kun jij lekker naar mij kijken… Ik hou m’n ogen wel op de weg, hoor.” Hij greep in zijn linker broekzak. “Oké, jij je zin. Ik ga genieten vandaag… Mijn knappe roodharige vriendin uit de kleren kijken.”
Ik grinnikte nu. “Ik geloof er niks van. Sommige kledingstukken, daar kijk je mij niet uit. Ik ken je langer dan vandaag, Frank Veenstra!” Ik tilde mijn rokje iets op. “Of zal ik m’n panty nú al uitdoen?” Hij bromde. “Je kent me inderdaad al veel te goed.” Ik kuste zijn neus. “Ja. En daar ben ik best blij mee. En vooruit, ik zal soepel zijn vandaag: misschien dat mijn rokje tijdens het rijden wat omhoog schuift. Dan kun jij lekker naar mijn sexy benen kijken.” Hij kuste terug. “Dáár ga ik je aan houden, mevrouw…” Even later reed ik de Volvo het smalle pad uit. “Zo. Op naar Flughafen Münster-Osnabrück. Nog even met een slakkegang over het Nederlandse wegennet, en daarna vol gas op de Autobahn!” De navigatie leidde me naar Apeldoorn en daar ging ik de A1 op, richting Deventer. En vervolgens langs Holten, Enschede en Gronau. Ik keek sip. De weg in Duitsland was geen ‘Autobahn’, maar een weg met drie rijstroken, waarvan de ene kant soms twee rijstroken had, en dan de andere kant. Maximum snelheid: 100. En bij Steinfurt leidde de dame in het dashboard me zelfs van die weg af en reden we een 80, soms 100 km binnendoorweg richting vliegveld.
Ik mopperde. “Verdorie, we rijden al drie kwartier in Duitsland en ik heb nog geen Autobahn gezien. Wát een deceptie.” Naast me klonk gegrinnik. “Ik heb de navigatie expres zo ingesteld, schat. Kan ik langer van je genieten…” “Je liegt dat je zwart ziet, meneer Veenstra. Ik zal de navigatie op de terugweg zelf wel instellen. Ik wil hoe dan ook vandaag een stuk Autobahn rijden!” Plagend zei Frank: “Dan hoop ik voor je dat op dat stuk geen Baustelle is, mevrouw. Want dan mag je hooguit 70 rijden, soms zelfs maar 50.” “Pestkop!”, snauwde ik. “Jij weet de lol van een meisje ook altijd te verzieken!” “Nou… Soms ook niet hoor. Ik weet nog van momenten dat het meisje in kwestie dusdanig veel ‘lol’ had, dat ze nogal hevig lag te gillen.”
Ik haalde een citaat van Mark Rutte uit de kast. “Daar heb ik geen actieve herinnering meer aan.” Een nogal wantrouwend uitgesproken “Jaja…” was Franks reactie. Om half twaalf reden we het parkeerterrein van het vliegveld op. Het was even zoeken, maar uiteindelijk kon ik achter het gebouw van de ‘Flughafen Feuerwehr’ parkeren. We zagen de Tiguan van Gien staan. “Dan zal onze bushpiloot al wel binnen zijn”, zei Frank. “Die moet z’n briefing natuurlijk doen.” We liepen een deur binnen en jawel: Gien, Henk en Cora zaten al aan de koffie. “Hallo allemaal!” Frank maakte ons in vloeiend Duits bekend aan een meneer die achter een balie stond en die knikte. “Aha… Die Familie von Herr Peters? Möchten Sie auch Kaffee?” Dat sloegen we niet af en er kwam ook een stuk gebak bij. “Ik denk dat ik ook bij de MAF ga vliegen, Ma. Prima secundaire arbeidsvoorwaarden!” Gien keek sceptisch. “Weet jij nog van een paar keer doorstarten op Terlet? Toen jouw zusje de inhoud van haar maag te zien kreeg?” Ik keek op. Verrek…”Waar hebben jullie An en Hans gelaten, trouwens?” “Bij Nedcar. An werd om half acht opgebeld of ze als de weerlicht kon komen. Ze zijn in de auto gesprongen, naar ons gereden, hebben thuis afscheid van Rick genomen en toen door naar Nedcar. Jammer, maar soms zit het mee, soms zit het tegen.” Henk zei rustig: “Dát is een van de nadelen van haar huidige positie: ze moet in feite 24/7 klaar staan, Gon. En ja, daar verdient ze een prachtig salaris mee, maar je moet zaken wel goed kunnen managen. Niet iedereen kan die druk aan.” Ik knikte langzaam. Ja… dat zijn de consequenties van een hoge functie in een groot bedrijf. Da’s iets anders dan het administratieve werk wat ik deed. Frank zag me denken en trok een wenkbrauw op. Ik reageerde er niet op; kwam op de terugweg wel.
Even later kwam Rick binnen. Stoer, in een net uniform mét jasje en stropdas. En een volle aktentas bij zich. “Lieve mensen, ik ga zo m’n préfightcheck doen, daarna ben ik druk bezig. Ik wil hier afscheid van jullie nemen. Buiten wordt me dat iets té publiek; ik heb 8 passagiers bij me, die staan al gereed om in te stappen…” Gien omarmde hem en kuste hem, Henk gaf hem een stevige hand, net als Frank. Ik sloeg mijn armen om hem heen. “Wees voorzichtig, Rickie. We willen je heel terugzien.” Hij kuste me. “Weet ik, schat. Have fun in Schaarsbergen.” Ik liet hem los. Cora was de laatste om hem te omhelzen. Dat duurde even. Logisch… Toen ze elkaar loslieten had Cora een zakdoekje nodig en ook Rick moest zijn ogen even uitspoelen bij een gootsteentje. Toen hij zich had afgedroogd waren de emoties ook weg en stond daar… Ja! Daar stond een piloot die zich nu focuste op zijn werk. “Tot over vier maanden, mensen.”
Hij opende de deur naar het platform en daar stond zijn ‘kist’: een éénmotorig, snel uitziend toestel met lage vleugels en een T-staart. “Pilatus PC-12” hoorde ik Henk tegen Gien zeggen. Rick liep het vliegtuig in om er even later zonder tas weer uit te komen. Hij liep zijn inspectierondje: hier even voelen, daar iets bekijken, ginds aan iets trekken of juist indrukken… Toen liep hij weer naar het trapje, draaide zich naar ons om en gaf met een brede grijns een ‘thumbs up’. Daarna verdween hij in de cockpit. Door het zijraampje konden we hem goed zien: Net als in de Antonov was hij druk bezig met knopjes en schakelaars. Zijn passagiers stapten in; 5 heren, 3 dames. De deur ging dicht en de blokken werden bij de wielen vandaan getrokken. Daarna gebeurde er even niets.
Toen: gesis, wat even later over ging in gegier. De propellor begon te draaien en het gegier ging over in laag gedreun. Een heel ander geluid dan de Antonov! Navigatielichten gingen aan, een lamp boven en onder de romp begon te flitsen en even later veranderde het geluid van de propellor. Even veerde het vliegtuig met de neus omlaag, toen zwaaide Rick naar ons en taxiede hij weg. Het ging allemaal wat geavanceerder dan bij de Antonov. Hij draaide de taxibaan op, reed een stuk evenwijdig met de startbaan en draaide toen weer, gereed om de startbaan op te rijden. Een ander vliegtuig landde, en toen die van de baan af was, draaide Rick z’n kist de startbaan op, stond even stil en toen toerde de motor op. Het geluid was nu een diepe dreun. De neus wipte weer iets omlaag toen de remmen losgingen en met een forse acceleratie reed Rick de startbaan over, om even later los te komen en steil weg te klimmen. Geen ‘rondje om de verkeerstoren’, dat kon hier niet; elke minuut telde op een commercieel vliegveld. Toen het vliegtuig niet meer zichtbaar was, liepen we naar binnen. Coor en Gien met wat rode ogen. Eerlijk zijn Gon: jij voelt je ogen ook branden!
Ik trok Cora naar me toe. “Hé schat, als jij eens wilt uitjanken of gewoon dom lol maken: Weet dat je in Schaarsbergen terecht kan hé?” Ze knikte. “Weet ik, schat. En Annet had ook al zoiets gezegd.” “Nou, kom dan gewoon met z’n tweeën. Frank zou dan wel een dagje gaan vissen, heeft hij beloofd.” Coor schoot in de lach. “Frank vissen? Ik ving daar iets over op, vorige week. Sint Juttemis werd in diezelfde zin genoemd, geloof ik.” Ik haalde mijn schouders op. “Oké, dan gaat hij maar wat anders doen, maar hij gaat dan ruimte maken. Geen vent in huis als wij met z’n drieën zijn, schat. Lekker kwebbelen en giebelen met elkaar. Beloofd?” Ze knikte. “Goed zo. En nu weer naar je hondjes; die hebben je hard nodig. En anders Margriet wel.” Even later, na wat knuffels, reden Gien, Henk en Cora weg.
En ik keek Frank aan. “Als Coor en An naar Schaarsbergen komen… Wat ga jij dan doen, Frank?” “Als ze een nacht overblijven, slaap ik wel bij Mike. Dat heb ik vaker gedaan. Trekken we een krat bier open en is het ook gezellig, schat.” Ik knikte. “Goed zo. Dat zou zo maar eens binnenkort kunnen gebeuren. Coor zit even in een dip. Logisch als je net afscheid hebt genomen van je vriendje die weer vier maanden in Afrika rond gaat hangen.” Frank humde. “Ik zou ook behoorlijk depri zijn als jij vier maanden weg was, Gon. Cora de komende maanden goed in de gaten houden.” “Yep. Sowieso doet Annet dat wel, samen met Hans en Margriet heeft haar ogen ook niet in haar achterhoofd. Kom, we gaan, voordat die brandweerlui hun spuiten tevoorschijn halen. Ik zag ze net al kijken.” Frank schoot in de lach. “Ik zal ze wel even laten zien dat jij ‘bezet’ bent, mooie Rooie…” En in het volle zicht van het gebouw van de ‘Feuerwehr’ greep hij me onder mijn billen, tilde me iets op en gaf me een zoen, terwijl hij ronddraaide. Toen zette hij me weer neer.
“Zo. Die bergen hun spuiten nu zwaar teleurgesteld weer op. Je maagdelijkheid is veilig gesteld, schat.” Ik keek twijfelend. “Met jou in de buurt? Hahaha… Ik geloof er niks van, Pinokkio.” Lachend stapten we in de auto.
“Gon… Als je écht nog een stukje Autobahn wil rijden: van hieruit Autobahn 1 op richting Kreuz Lotte-Osnabrück. Daar de 30 op richting Amsterdam. En ja, dat is om, maar dan kun jij een stukje los gaan. Die paar liter benzine betaal je maar in natura.” Ik zuchtte. “Ja hoor. Het is weer zover. Wil je als vrouw iets leuks doen, moet je weer met de benen wijd om meneer te betalen. ’t Is altijd hetzelfde liedje, verdorie.” In Frank z’n mondhoek zag ik weer dat lachje. “Wát? Jij grijnst gemeen, meneer Veenstra! Vertel, waar denk jij aan?” Hij trok me tegen zich aan. “Volgens mij heb jij een paar jaar in een wereld geleefd waarin het precies andersom was, schatje. De heren betaalden eerst, en dán pas gingen jouw benen open…” Ik keek hem boos aan. “Jij bent een heel gemene vent. Mij herinneren aan mijn erotische werkverleden… En het irritante is: je hebt nog gelijk ook.” Ik begon de route in te kloppen en even later vertelde de navigatiemevrouw dat de route berekend was. “Mooi. Riemen vast, voor de streep geen staanplaatsen en niet spreken met de bestuurster.” “Spreken niet, kijken wel…” hoorde ik naast me en mijn rokje werd omhoog geschoven. Ik zuchtte. “Frank Veenstra: zo dadelijk moeten we een vrachtwagen inhalen, de chauffeur kijkt naar links, ziet mijn volmaakte bovenbenen en raakt dusdanig van de leg dat hij de vangrail in duikt. Met 30 ton aan bier in zijn laadbak. Heel Duitsland in een biercrisis doordat meneer Veenstra zich wilde verlustigen aan mijn mooie dijen.” “Jij hebt een nogal levendige fantasie, mevrouw Peters…” “Ja”, snauwde ik. “Zeker in bed. Op de Autobahn iets minder. En nu even ophouden met flauwekul; het is hier best druk en ik zou het fijn vinden om deze auto heel in Schaarsbergen te kunnen parkeren.”
Via de ‘Airportallee’ reden we richting snelweg. Over de snelweg heen, rechtsaf en ik gaf gas. Niet voor lang; de bocht richting Autobahn was zo’n typisch Duitse bocht met een kleine radius. Ik moest behoorlijk afremmen! “Shit… Duitsland is groot zat. Waarom die krappe bochten?” “Om te voorkomen dat die ‘Blöde Holländer’ met 120 de snelweg op komen jagen, schat… Maar volgens mij mag je hier los gaan, dus…” Ik keek in de spiegels, zwenkte naar de linkerbaan en trapte het gaspedaal helemaal omlaag. Even voelde ik de auto aarzelen, toen schakelde de automaat twee versnellingen terug en kregen we een duw in de rug. De snelheidsmeter liep snel op, de toerenteller ook. Totdat… de snelheidsmeter 186 aangaf. Sneller ging het niet. En voor sommige mede-weggebruikers was dat duidelijk niet snel genoeg; af en toe zag ik in de spiegels een andere auto snel dichterbij komen en moest ik naar de rechterbaan. En werden we ingehaald door een Audi, BMW en zelfs een keer een Porsche. Ik mopperde. “Wat een onzin, die snelheidsbegrenzing. Kleutermentaliteit van Volvo.” Frank grinnikte. “Bij de benzinepomp ben je blij met die kleutermentaliteit. Als je nu écht vol gas zou gaan, zie je verbruiksmeter zo ongeveer buiten de schaal vliegen. Nu blijft hij beschaafd ongeveer 8,5 liter per 100 kilometer aangeven. 1 op 12 zeg maar.” Ik bromde: “Jouw auto. Jij tankt.”
“Dan rekenen we vanavond wel even af, schoonheid…” klonk er onheilspellend naast me. “Ik denk dat ik Gonnie uit 5 VWO…” “Niks ervan! Dat meisje is nog lang geen 18 en heeft niet eens een rijbewijs! Je laat dat onschuldige wicht maar met rust, Frank Veenstra!” Even verderop, bij het klaverblad nam ik de afslag richting ‘Amsterdam’ een stuk rustiger. En op de Autobahn zette ik de cruisecontrol op 130. “Hard zat Frank. Geen zin om te jagen en dan tóch nog ingehaald te worden door zo’n ‘Blöde Hollander’ die de laatste kilometers in Duitsland nog even z’n mannelijkheid wil bewijzen.” Ik kreeg een goedkeurend klopje op mijn rechterbeen. “Keurig, mevrouw Peters.” En ja, af en toe moest ik tóch naar de linkerbaan om een vrachtwagen in te halen. En tijdens zo’n manoeuvre, ik moest acht of negen vrachtwagens inhalen die als konvooi reden, met een meter of tien tussenruimte, doemde er in de verte een snelle auto achter me op. Ik reed al lang en breed op de linkerbaan toen hij met een bloedgang dichterbij kwam. Zijn groot licht flitste een paar keren, maar ik was niet van plan een vrachtwagenchauffeur de schrik van z’n leven te bezorgen door vlak voor hem in te voegen en op de rem te stampen. De auto achter me, een Nederlander natuurlijk, had dat blijkbaar wél verwacht; hij remde pas op het allerlaatste moment en dat produceerde nogal wat rookwolken. “Wát een…” Verder kwam ik niet; een claxon dreunde onophoudelijk achter me en de man seinde onophoudelijk met zijn grote licht terwijl hij op nog geen twee meter achter ons bleef rijden. Frank keek achterom. “Nou, daar heb je zo’n type, Gon. Gewoon dezelfde snelheid aanhouden; je rijdt écht wel door, ook al vindt meneer van niet. Niét tussen die vrachtwagens in duiken. Vinden ze niet leuk.” “Ik kijk wel uit”, snauwde ik bijna. “Wij in de kreukels en meneer kan nog even doorscheuren? Nog niet misschien.”
Na zeker een dikke minuut, wat natuurlijk een enorme tijd was, waren we het ‘konvooi’ voorbij, deed ik m’n richtingaanwijzer aan en ging rustig naar rechts. De auto, een dikke Mazda, kwam al toeterend langszij en ik kreeg een opgestoken middelvinger van een man van middelbare leeftijd. “Ja, dat zou hij wel willen, Gon…” Ik schoot in de lach, zwaaide lief terug en keek toen weer voor me. “Hou je voet boven de rem… Het zou me niks…” Frank z’n waarschuwing kwam nét op tijd. De Mazda zwiepte naar de rechterbaan en meneer deed een ‘brake-check’. De elektronica van de Volvo reageerde eerder dan ik; de auto remde hard en de ABS deed ook even mee. Daarna scheurde de Mazda er vandoor. “Die gaat een probleem krijgen, schat. Dit geintje, inclusief zijn ‘kleven’ staat op camera.” Frank z’n stem klonk woedend. “Camera?” “Ja. Voor en achter heb ik een dashcam. Ik vraag me alleen af of een verkeersovertreding in Duitsland in Nederland bestraft kan worden…” Hij zat duidelijk te peinzen. “Martin kan waarschijnlijk wel dat nummerbord aan een eigenaar linken. Die krijgt dan een aardig mailtje van mij, in afschrift aan zijn verzekerings-maatschappij…”
Hij keek me aan. “Wil je even stoppen om af te koelen? Vijf kilometer verder is een Raststätte.” Ik humde. “Het enige wat hier af moet koelen zijn je remschijven, Frank. Potdorie… Ik had m’n voet nét boven de rem, gaat dat ding vanzelf in de ho-ijzers. Ik schok me wild. Maar die Raststätte is wel een goed idee; niet dat die Duitse koffie nou zo lekker is, maar hun gebak wél.” Dus reed ik even later een groot parkeerterrein op.
Voorbij de truckersparkeerplaatsen… “Wat zullen we nou beleven?” Ik ontplofte bijna en wees. “Als je het nou over discriminatie hebt, verdorie…” De eerste twee parkeervakken bij de ingang van het restaurant waren voorzien van de tekst ‘Frauenparkplatz’. “Denken de Duitsers dat een vrouw niet kan parkeren of zo? Zijn ze helemaal belazerd…” Ik reed door en zette de auto een aantal plaatsen verderop neer. Frank grijnsde, toen we uitstapten. “Kijk eens aan de overkant, schat…” Daar stond een ondertussen bekende Mazda, de bestuurder er in, hevig telefonerend. “Die ga ik even iets over zijn familie vertellen, schat.” Ik keek zuinig. “Zou je dat wel doen? Wie weet gaat hij knokken…” Frank keek nu grimmig. “Judo.” We liepen samen naar de Mazda en Frank tikte op het raampje. Dat ging open. “Ja?” Een nogal corpulente vent van middelbare leeftijd keek op. Papieren op schoot met een groot logo van een technische groothandel. “Goedemiddag. Wij willen u even aanspreken op uw rijgedrag en uw omgangsvormen in het algemeen. Wij zijn de inzittenden van die Volvo die zo vreselijk irritant langzaam die vrachtwagens inhaalde.” Hij schrok nogal, maar probeerde er zich met een grote mond uit te kletsen. “Jullie reden op de Autobahn. Daar zijn geen snelheidsbeperkingen. En ik had haast. Dus je moet maar opschieten. Langzaam rijden doe je maar op een boerenlandweg.” Frank wees op zijn papieren. “Is dat bedrijf waar u werkt?” De man snauwde. “Ja. Ik ben vertegenwoordiger. Zit veel op de weg, van de ene klant naar de andere. En als er dan zo’n slome muts voor me rijdt…”
Ik deed een stap naar voren en snauwde: “U had het over mij? Eerst kleven, dan de middelvinger opsteken in het voorbijgaan om vervolgens een brake check te doen? Ik heb nieuws voor u: zowel uw kleef-actie als uw brake check staan op camera. Met uw nummerplaat nogal duidelijk zichtbaar. En te zien aan uw kentekenplaathouder rijdt u in een leaseauto. Ik ga uw firma én de leasemaatschappij even inlichten over uw rijstijl. Inclusief die filmpjes. Als u dit in Nederland geflikt had, had u bovendien de politie op bezoek ge…” Verder praten had geen zin; het raampje ging dicht, hij startte de auto en reed weg. Nog nét niet met piepende banden. Frank grinnikte. “Wat ben jij een gemene troela…” Ik snoof. “Ja. En een slome muts. Die nu zin heeft in een bakje Duitse Cappuccino mit Apfelstrudel oder so etwas. Tóch even afkoelen, Frank.” Hij bleef grinniken, pakte me onder de arm en leidde me naar de ingang van het restaurant. “Kom, mooie slome…” Verder kwam hij niet. “Fránk!” Hij hief zijn handen op. “Oké, oké… ik wist niet dat je kwaad werd…”
Even later zaten we achter de koffie en een groot stuk gebak. Ik was nog steeds opgefokt en dat zag Frank. Hij legde een hand op die van mij. “Hé… Ontspan Gon. Druk maken is werk voor compressors. Pak je telefoon en zoek het bedrijf maar even op waar meneer werkt. En z’n leasemaatschappij. Dan haal ik thuis die filmpjes van de SD-kaart van beide camera’s, jij schrijft een beleefd briefje, we doen die filmpjes erbij en sturen de handel op. Waarschijnlijk krijgen we een automatisch gegenereerd bedankmaitje terug en horen verder niets meer, maar wellicht wordt meneer op één of ander matje geroepen. Als het bedrijf is met fatsoen, doen ze dat. En nu: geniet van je koffie en je taart, taart.”
Ik pakte mijn telefoon en zocht even later naar de naam van het bedrijf. Gelukkig: niet al te groot, slechts één vestiging in Almelo. En een ‘wie is wie’ met functies en namen… Kijk, altijd handig! Onder het kopje vertegenwoordigers zes foto’s. Waaronder de foto van onze vriend: hoofdvertegenwoordiger Duitsland, de heer Mark Folisch. Ik liet de foto aan Frank zien. “Dit is ‘m geloof ik.” Hij knikte. “Bingo, schat. Nu die telefoon weg en je koffie. En taart. En volgens mij is het slimmer dat ik zo dadelijk het stuur weer in handen neem. Of zie ik dat verkeerd?” Ik zuchtte. “Ja, rij jij maar verder. Met deze slome muts achter het stuur schiet het toch niet op.” Een brede grijns trok over zijn gezicht. “Zelfkennis is het begin van de ware wijsheid. Goed bezig, schatje.”
Een kwartier later reden we verder met Frank achter het stuur. Ik kon me ontspannen. Stoel achterover, muziekje aan... Ik werd wakker toen Frank een lange bocht naar links maakte; mijn hoofd gleed van de hoofdsteun af, tegen het portier aan. Even kijken en me oriënteren… Geen flauw idee. “We zijn nét voorbij Zwolle, Gon. Rijden vanuit de A28 de A50 op.” Aha… Nog een half uur, dan zouden we thuis zijn. ‘Thuis’… Ja, dat was nu in Schaarsbergen! Lekker… Ik trok mijn benen wat op en mijn rokje omlaag. Dat was behoorlijk omhoog gekropen. “En… Heb je genoten van het uitzicht, meneer Veenstra?” Hij wist meteen wat ik bedoelde. “Zeker weten, mevrouw Peters. En de vrachtwagenchauffeurs die we inhaalden ook.” Ik haalde mijn schouders op. “Dan hebben die ook een leuk momentje gehad vandaag. Kost niks, levert veel op.”
Zonder verder veel te kletsen reden we verder en 35 minuten daarna reden we de Koningsweg op. “Nog boodschappen nodig, schat?” Frank schudde zijn hoofd. “We hebben nog 4 liter melk, koffie en suiker zijn ook nog op peil en ik wilde vandaag simpel eten: ik heb van de week shoarma ingeslagen. En broodjes. Geen zin om lang in de keuken te staan, vanavond.” Ik stak een duim op. “En zo dadelijk lekker in de tuin zitten, Frank. Genieten. Misschien doe ik m’n bikini wel aan: een uurtje in de zon liggen.” Hij fronste even. “Kijk je uit dat je niet verbrand, Gon? Met jouw lichte huid…” Ik knikte. “Ik heb altijd zonnebrandcrème in huis. Factor 200, oftewel vloeibaar frituurvet. Maar: als blijk van waardering voor je bezorgdheid mag je me zo dadelijk insmeren.”
Hij draaide de rolbaan op en merkte op: “Wist je dat een panty ook een heel goed middel is tegen zonnebrand? Onder jouw bikini zou dat trouwens ook heel charmant staan.”
Ik zei niets, keek hem alleen maar minachtend aan…
Er zijn nog geen trefwoorden voor dit verhaal. Welke trefwoorden passen volgens jou bij dit verhaal?
Geef dit verhaal een cijfer:
5
6
7
8
9
10

Ontdek meer over mij op mijn profiel pagina, bekijk mijn verhalen, laat een berichtje achter of schrijf je in om een mail te ontvangen bij nieuwe verhalen!
